Lezing dr. Leo van Bergen, schrijver van 'Zacht en Eervol. Lijden
en sterven in een Grote Oorlog', bij de presentatie van de brochure
'Den Grooten Oorlog in de Westhoek'.
Diksmuide, 30 mei 2008
Geachte dames en heren,
Om te beginnen wil ik natuurlijk eerst de organisatie van deze
bijeenkomst van harte bedanken voor de uitnodiging aan mij om uw
verblijf hier bij de feestelijke doop van een mijns inziens mooi
vormgegeven en inhoudelijk goede en boeiende, kortom zeer geslaagde
brochure, door middel van een lezing ietwat te veraangenamen. Ik
zal mijn best doen en verontschuldig mij bij voorbaat voor het feit
dat die lezing iets langer zal duren dan de tijd die mij eigenlijk
was gegeven. Waarom voor die lezing echter een Nederlander is gevraagd
en niet iemand uit de eigen omgeving die vast en zeker veel meer
wetenswaardigs zou weten te vertellen over de gevechten die aan
IJzer en rond Ieper hebben plaatsgevonden in de jaren 1914-1918,
en van de effecten die die gevechten hebben gehad op de soldaten,
de burgers, de economie, of de politiek in zowel de tijd van de
Grote Oorlog zelf als in de jaren daarna, weet ik niet. Voor het
echte antwoord op die vraag moet u vanzelfsprekend bij de organisatie
zijn, maar ik schat zo dat het wat te maken heeft met de enorme
bloei in belangstelling in het afgelopen decennium in Nederland
voor de Eerste Wereldoorlog in zo'n beetje al zijn facetten.
Ik weet nog goed dat, toen ik in de tweede helft van de jaren negentig,
tussen het verwisselen van de luiers van mijn ondertussen wat groter
gegroeide dochter door, bezig was met het schrijven van Zacht en
Eervol, (Zacht en Eervol) ik op de Nederlandse televisie een interview
zag met onze nationale bard en nationaal geweten Herman van Veen.
Hij was kort daarvoor naar de Westhoek van Vlaanderen geweest en
had een bezoek aan Ieper gebracht. Daar was hij tot de ontdekking
gekomen dat in die streek zo nabij de Zeeuws-Vlaamse grens in het
begin van de twintigste eeuw honderdduizenden mensen zinloos waren
afgeslacht. Dat was natuurlijk een schande, maar het was wellicht
een nog grotere schande dat niemand in Nederland daar weet van had.
Ik wil even voorbijgaan aan de enorme arrogantie die hieruit spreekt
- hij wist het zelf tot voor kort ook niet en dus wist blijkbaar
niemand in Nederland het - maar het moge duidelijk zijn dat je van
zo'n opmerking enigszins vreemd opkijkt als je juist bezig bent
met een boek dat, zoals u wellicht weet, expliciet handelt over
het psychisch en lichamelijk lijden van de soldaten in die tijd
en voor een groot deel ook in deze streek. Het richt zich in een
vijftal hoofdstukken getiteld Strijd, Lichaam, Geest, Hulp en Dood,
op de veelheid aan ziektes en verwondingen die de soldaten kon treffen,
van geslachtsziekte tot Spaanse Griep, van loopgraafvoet tot bloedvergiftiging,
van gezonde angst tot ongezonde neurose of psychose. Het richt zich
op de medische hulp die zij al dan niet verkregen en het waarom
daarachter, van de brancardiers in Niemandsland tot de gespecialiseerde
ziekenhuizen in het moederland. En het richt zich op alle aspecten
betreffende de dood, al dan niet met hoofdletter, van executie en
zogenaamd vriendelijk vuur, via de dood tijdens de trench raid of
de massale aanval over Niemandsland, de áttaque à
l'outrance, tot de onmogelijkheid van een in zowel militair als
psychologisch opzicht eigenlijk onontbeerlijke, enigszins fatsoenlijke
begrafenis. Deze aspecten, ziekte, verwonding, medische hulpverlening,
sterven en begraven, bepaalden de aard en het verloop van de strijd
evenzeer, en wie weet zelfs nog wel meer, dan de door de generaals
uitgedachte strategieën en tactieken die daarvoor meestentijds
de lof of de schuld krijgen.
Wat mij echter behalve de evidente nonsens van de opmerking van
Van Veen nog meer bevreemdde, was dat de interviewer niet in lachen
of huilen uitbarstte over zoveel onkunde. Wellicht was hij extreem
beleefd, maar het leek er toch verdacht veel op dat hij Van Veen
geloofde en in ieder geval ook zelf van de Eerste Wereldoorlog geen
enkele weet had. Vreemd is dat ook niet, want Van Veen had natuurlijk
wel deels het gelijk aan zijn zijde. Al waren er velen in Nederland
die wel degelijk weet hadden van de slachting die zich in 1914-1918
zo dicht bij de grens had afgespeeld, van algemeen gedeelde kennis
was zeker geen sprake, zelfs niet aan de universiteiten, zoals bleek
toen een bevriend historicus in ongeveer dezelfde tijd tijdens een
college over de Eerste Wereldoorlog, een studente op de eerste rij
van de collegebanken tegen haar buurvrouw hoorde zeggen: 'Ik dacht
dat die de Tweede Wereldoorlog werd genoemd.'
Waarom vertel ik dit: omdat, althans dat hoop ik, noch de opmerking
van Van Veen, noch die van de studente heden ten dage nog mogelijk
zou zijn geweest, of in ieder geval wel met gelach of gehuil zou
zijn beantwoord. Daarvoor is er het afgelopen decennium te vaak
in Nederland aandacht aan de Grote Oorlog besteed, met als voorlopig
hoogtepunt de centrale plek die die oorlog innam in het eindexamenprogramma
HAVO/VWO van dit jaar, al werd de inhoud ervan dan hevig door een
aantal van de WOI-freaks, zoals ik ze af en toe noem, bekritiseerd.
Velen trokken, met de reisgids van Kees en Chrisje Brants (Velden
van Weleer) of iets later met In Europa van Geert Mak op zak naar
de zogenoemde velden van weleer, en waanden zich met, om het positief
te zeggen, typisch Nederlands zelfvertrouwen, meteen een expert.
Na een rondleiding mijnerzijds langs Duitse en Britse begraafplaatsen
hier in de buurt, zei bijvoorbeeld een van hen, die alleen de WOI-hoofdstukken
van In Europa had gelezen en een keer door het In Flanders Fields-museum
had gewandeld, dat hij mij op geen enkele fout had weten te betrappen.
Er werd een Stichting Studiecentrum Eerste Wereldoorlog opgericht.
Er is een artikelenbundelreeks gestart waarvan in 6 jaar reeds 18,
tussen de 2- en 400 pagina's dikke delen zijn verschenen en die
veel sneller gaat dan een soortgelijke serie over de Tweede Wereldoorlog
van dezelfde uitgeverij. (De Grote Oorlog) Er wordt minimaal eens
per jaar een conferentie georganiseerd. Er kwamen diverse websites
zoals de in uw brochure terecht genoemde en geroemde Wereldoorlog1418.nl
van Menno Wielinga, er werd een druk bezocht digitaal discussieforum
de lucht in gegooid. Er verschenen boeken over de Nederlandse neutraliteit
en de militaire en politieke evenwichtskunstenarij in die jaren,
(Oorlog voor onze gedachten) en er verscheen een tweetal fraaie
bundels waarin Nederlandse (en enkele Vlaamse) teksten uit die tijd
zelf zijn gebundeld; één met gedichten en liedteksten
(Het Monster van den Oorlog) en één met proza. (De
Eerste Wereldoorlog door Nederlandse Ogen) En als laatste voorbeeld
wil ik u de onlangs gestarte uitgeverij Dulce et Decorum niet onthouden,
waarin Neerlandicus en liefhebber en kenner van WOI-literatuur Fons
Oltheten, vertalingen van vergeten parels voor het Nederlandse publiek
toegankelijk wil maken. (Fluitersvertrek) Het is een onbegrijpelijke
schande dat iemand als Jan Blokker, grand old man van de Nederlandse
journalistiek, in een recensie schreef de relevantie van dit initiatief
niet te begrijpen, omdat met mensen als Remarque, Owen, Sassoon
of Barbusse de literaire verbeelding wel voldoende bekend was. Hij
had bijvoorbeeld nog nooit van iemand als Dalton Trumbo gehoord
en als die goede boeken zou hebben geschreven, zou dat echt wel
het geval zijn geweest. (Stiltewoorden) Het gaat er nu niet om dat
Trumbo een van de grootste Amerikaanse scenarioschrijvers ooit is
geweest, het gaat er ook niet om dat hij een van de voornaamste
slachtoffers van het McCarthyisme is geweest, die jacht op al dan
niet vermeende communisten in het Amerika van de jaren vijftig,
en het gaat er me zelfs niet om dat zijn in de jaren zeventig verfilmde
Johnny got his gun uit 1939 (vertaald onder de titel 'Stiltewoorden')
misschien wel het beste anti-oorlogsboek is dat ooit is geschreven.
Het gaat er me met andere woorden niet om dat Blokker zich moet
schamen nooit van de man gehoord te hebben - we hebben immers allemaal
wel eens nog nooit van iemand gehoord, waar we eigenlijk wel van
zouden moeten hebben gehoord. Waar het me echter wel om gaat is
dat iemand als Blokker zou moeten weten dat zaken als faam of commercieel
succes, zeker in de kunst, ook door andere factoren worden bepaald
dan alleen kwaliteit. Ik ben zelfs geneigd te zeggen, dat kwaliteit
niet eens de belangrijkste factor is.
Natuurlijk heeft deze groei ook negatieve kanten, waarover straks
meer, maar op zich genomen kan ik haar niet anders dan toejuichen
al is het maar omdat zij goed is voor de verkoopcijfers van Zacht
en Eervol. Niet iedereen echter denkt er voornamelijk positief over.
Emeritus hoogleraar van de Universiteit van Amsterdam, Maarten Brands,
sprak onlangs, met niet te missen afschuw, van een hype die vanwege
de vele slagveldbezoekjes behoorlijk morbide trekjes vertoonde.
En vanuit professioneel oogpunt was het nog ernstiger dat, doordat
de aandacht met name uitging naar de Nederlandse situatie, het beeld
van de oorlog volledig scheef werd getrokken. Het leek wel alsof
Nederland ineens wilde gaan bewijzen dat het wel degelijk ook bij
de oorlog betrokken was geweest, dat het wel degelijk ook geen leuke
tijd had gehad, dat die oorlog echt niet aan Nederland voorbij was
gegaan en dat Nederland dus wel degelijk een rol op het wereldtoneel
was blijven spelen. Maar de waarheid is en blijft, aldus Brands,
dat Nederland hooguit een muis in de oorlog was, een muis die pas
een kleine eeuw na dato ineens begon te brullen. Natuurlijk mogen
historici belangstelling voor die muis tonen, maar zij mogen nooit
uit het oog verliezen dat aandacht voor de olifanten, waarmee hij
natuurlijk doelde op landen als Frankrijk, Groot-Brittannië,
Duitsland, Oostenrijk-Hongarije, Rusland en de VS, en wie weet ook
wel een beetje op België, toch echt van groter belang is voor
het schetsen van een beeld van de oorlog. In feite verwijt hij de
huidige Nederlandse historici, dat zij zich, als zij zich al bezig
houden met de Eerste Wereldoorlog, hun blik richten op Nederland.
Ook al hoor ikzelf dan tot degenen die het oog wel degelijk grotendeels
op het oorlogstoneel zelf richten, vind ik dit een beetje een vreemd
verwijt. Behalve dat die aandacht voor Nederland om voor de hand
liggende praktische redenen vrij logisch is, is het niet anders
dan wat historici uit zijn olifantlanden ook doen, met even grote
en scheeftrekkende gevolgen voor het beeld over de oorlog.
Maar vreemd of niet, Brands gaf hiermee wel aan in feite nog geen
woord terug te willen nemen van zijn 'stok in het hoenderhok'-artikel
uit 1997 'The Great War die aan ons voorbijging. De blinde vlek
in het historische bewustzijn van Nederland'. De portee ervan ging
zijns inziens ook tien jaar later, ondanks alle Nederlandse Eerste
Wereldoorlog-onderzoek dat sinds die tijd was verricht, nog steeds
op. In dat artikel hekelde hij het feit dat Nederlandse historici
zich geheel focusten op de Tweede Wereldoorlog, die allesbehalve
aan Nederland voorbij was gegaan, en de Eerste lieten voor wat hij
was. En dat terwijl voor het politieke wereldtoneel die Eerste van
heel wat groter belang moest worden geacht. Ook hier was toen al
wel wat tegen in te brengen. Ten eerste was het vrij normaal dat
de Nederlandse belangstelling, en daarmee die van de Nederlandse
historici, zich richtte op de jaren 1940-1945, en dat zou Brands
toch ook moeten begrijpen. In die oorlog was Nederland weliswaar
een kleine speler, maar wel een hevig bloedende speler geweest.
Misschien dan geen olifant in het hele gebeuren, maar toch ook allesbehalve
een muis. En bovendien, als we kijken naar onze oosterbuur moet
daar hetzelfde van worden gezegd, terwijl die in de jaren 1914-1918
misschien wel de opperolifant was. Ook daar echter werden na 1945
de jaren 1914-1918 vrijwel geheel vergeten, om pas sinds kort weer
een comeback te maken, en ook daar was dat alleszins begrijpelijk.
Vraag is natuurlijk waar die recente belangstelling vandaan komt
en wat de voor- en eventueel ook nadelen ervan zijn. De eerste vraag
is moeilijk te beantwoorden, al was het maar omdat we nog midden
in het proces zitten en er dus nog niet met een door de tijd gelouterde
blik op terug kan worden gekeken. Ik kan me er natuurlijk met een
kwinkslag vanaf maken en het volledig toeschrijven aan het verschijnen
van Zacht en Eervol in 1999 met wellicht een kleine bijrol voor
Velden van Weleer, maar niet alleen zou dat onbetamelijk zijn, het
zou ook incorrect zijn. De groei van de belangstelling was immers
al aan de gang in 1999, al heeft Zacht en Eervol zeer zeker aan
het doorgaan van dat proces een steentje bijgedragen. Wat is het
dan wel geweest? Ten eerste denk ik we daarvoor toch weer naar de
Tweede Wereldoorlog moeten kijken. Het werd onderhand steeds moeilijker
om over die strijd nog iets nieuws te zeggen en te ontdekken. Alle
voor zover bekende archieven waren wel zo'n beetje doorgespit, alle
slagvelden vaak meer dan eens bezocht, bij ieder monument vele minuten
stilgestaan. Maar geen Nederlander die in juni op weg was naar Normandië
of in de herfst naar de Ardennen kon zich onttrekken aan het voor
de meesten van hen onbegrijpelijke feit dat op al van de vele oorlogsmonumenten
die hij - en steeds vaker ook zij - in België of Frankrijk
tegenkwam, de Tweede Wereldoorlog eigenlijk maar een soort annex
was. De monumenten maakten de indruk alsof er stond, oh ja, tussen
1939 en 1945 zijn er ook nog een paar gesneuveld. Laten we die er
maar even bij beitelen. Het besef drong door dat de Tweede Wereldoorlog
inderdaad de twééde wereldoorlog was geweest. Het
besef begon door te dringen dat zonder de ook wel de oercatastrofe
genoemde strijd van 1914-1918, dat bloedige begin van de korte 20e
eeuw van 1914 tot 1991, de verschrikkingen toegebracht door frontoverlevende
Adolf Hitler en de zijnen, niet kunnen worden verklaard. En toen
de interesse via die omweg eenmaal was gewekt, bleek al snel dat
die Eerste Wereldoorlog ook apart van de Tweede genoeg interessants
te vertellen had. Al snel bleek toen bijvoorbeeld dat de verschrikkingen,
zeker die der soldaten, in een aantal aspecten niet voor die van
1939-1945 onderdeden en die zelfs overstegen. Dit werd dan veelal
geweten aan de in huidige ogen onbegrijpelijke vorm van oorlogvoering,
zo geniaal neergezet in 'Blackadder goes Forth'. Die generaals moeten
wel ongelooflijke eikels zijn geweest en het was weer eens de kleine
man die daaronder moest leiden. De daaruit volgende identificatie
met die kleine, ten dode opgeschreven man aan het front ging soms
zelfs zo ver dat een enkeling, zoals de onlangs overleden en terecht
betreurde zanger, dichter en componist Bram Vermeulen, zich een
reïncarnatie achtte van een van hen.
Een tweede aspect was natuurlijk het ongeveer tegelijkertijd optredende
einde van de Koude Oorlog. Het was het meest directe en meest voelbare
gevolg van de Tweede Wereldoorlog, maar een van de hoofdrolspelers,
de Sovjet Unie, moet een direct gevolg van de Eerste Wereldoorlog
worden genoemd. Bovendien was het al snel daarop ontstane bloedige
gedoe in de Balkan ook niet van de Eerste Wereldoorlog los te zien.
Die had immers het einde van de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie
tot gevolg gehad en de geboorte van Joegoslavië te zien gegeven.
Sterker, sommigen vreesden een Derde Wereldoorlog want de ontstane
situatie leek, zo zeiden zij, precies op die voorafgaand aan 1914.
Ik heb heel wat telefoongesprekken met mijn moeder moeten voeren
om haar ervan te overtuigen dat het toen toch echt iets anders lag
en dat ze zich dus geen zorgen hoefde te maken, in ieder geval vooralsnog
niet.
Er zal over het ontstaan van die belangstelling nog heel wat kunnen
worden gezegd, maar laten we overgaan naar de voor- en nadelen ervan.
Om te beginnen met de voordelen. Sinds een jaar of tien zijn er
vele interessante weetjes over de Eerste Wereldoorlog voor Nederlanders
door Nederlanders in het Nederlands over het voetlicht gebracht.
Met andere woorden: die toegenomen belangstelling heeft zeer zeker
de kennis over die oorlog bereikbaarder gemaakt voor veel andere
Nederlanders, en daarmee vergroot. Die Nederlanders gingen op hun
beurt deels weer de rijen en rangen van de eerdere geïnteresseerden
versterken, al ben ik me er daarbij van bewust dat dat effect vaak
eerder aan de naam Geert Mak dan aan de oorlog zelf moet worden
gekoppeld. Toen ik enkele maanden geleden op de Nederlandse radio
live voor publiek in discussie moest gaan met onder andere diezelfde
Geert Mak over de Eerste Wereldoorlog, zei iemand uit dat publiek
voorafgaand aan de uitzending uitbundig glunderend tegen me dat
hij 'het boek' bij zich had. Ik dacht even met een blije christenfundamentalist
te maken te hebben die mij onder het motto 'Jezus redt zelfs jou',
de bijbel aan wilde smeren, wat nutteloos geweest zou zijn, want
die heb ik al. Ook hoopte ik heel eventjes dat hij Zacht en Eervol
bedoelde en een handtekening wilde. Het bleek natuurlijk om In Europa
te gaan.
De door die vele Nederlandse onderzoekers aangesneden onderwerpen
liepen en lopen zeer uiteen. Ik kan me dan ook niet voorstellen
dat Brands, met zijn opvatting dat Nederlanders schrijven over Nederland,
notitie heeft genomen van de 18 delen De Grote Oorlog, tenzij hij
louter en alleen doelde op de wetenschappelijke onderzoekers aan
de universiteiten of onderzoeksinstituten zoals het Nederlands Instituut
voor Oorlogsdocumentatie. Van de artikelen in De Grote Oorlog handelt
slechts een minderheid over Nederland, en niet eens een grote minderheid.
Natuurlijk is er, ook buiten die bundels, (Leven naast de catastrofe)
gesproken en geschreven over zaken als de vluchtelingen, de krijgsgevangenen,
(Oorlogsgasten) de honger, de mobilisatie, de vredebeweging, (Een
vergeten hoofdstuk) en de revolutie, althans de wens daartoe. Maar
nog meer ging het over het ontstaan en het afsluiten van de oorlog,
de strategieën, de tactieken, het oostfront, het westfront
en slagen als Gallipoli. Het ging over de ondergrondse oorlogvoering
en de trein naar Turkije, over literatuur (Onsterfelijke fronten)
en film, (Filmfront Weimar) over gifgas en geneeskunde, over duikboten
en monumenten. Eerlijk gezegd denk ik dat Nederland, juist omdat
het een muis was en geen olifant, juist omdat het weliswaar niet
afzijdig stond van de oorlog, maar toch het hoofdbestanddeel van
die oorlog, te weten het ongebreidelde geweld, miste als kiespijn,
niet minder maar meer aandacht heeft voor zaken die niet het eigen
land betreffen dan welke van de olifanten ook. Het is dus wat vreemd
dat de voorzitter van de SSEW de kritiek van Brands, afgezien van
een paar detailpunten, onderschrijft, terwijl hijzelf onderzoek
doet naar oorlogsbegin, oorlogseinde (De Andere waarheid) (De mythe
van 1918) en oorlogsschuld. Allesbehalve Nederlandse onderwerpen
dus. Overigens doet hij dat zelfs naar eigen zeggen niet goed genoeg,
omdat hij ieder jaar opnieuw, in zijn openingsspeech van de jaarlijkse
conferentie, erop hamert dat Nederlandse professionele historici
die klus moeten gaan aanvatten. Waarom dat nu zo speciaal een klus
is voor Nederlanders, en wat die Nederlanders dan nog aan zijn eigen
werk moeten toevoegen, nuanceren, bijstellen of zelfs onderuit halen,
is me tot op heden eerlijk gezegd altijd een raadsel gebleven. Of
zou die voorzitter alleen de kritiek van Brands onderschrijven dat
de kennis over de oorlog in Nederland nog steeds tekortschiet en
dat haar inwoners een scheef beeld van die oorlog hebben? Dan is
het weerwoord natuurlijk ten eerste wederom: is het in de olifantlanden
dan echt zoveel anders en beter? Ten tweede: kan het anders in die
nog steeds maar korte tijd dat er van intensieve aandacht in Nederland
voor de Grote Oorlog sprake is? En ten derde en laatste: is de kennis
van de gemiddelde Nederlander over welke andere periode in de geschiedenis
dan zoveel groter en niet scheef?
Natuurlijk, om een ander kritiekpunt maar eens bij de hoorns te
vatten, deze enorme hoeveelheid materiaal moet welhaast betekenen
dat niet alles even origineel was en is en dat er, om een Belgisch
historicus te citeren, een hoop Nederlandse na- en overschrijverij
bij was en is, al heeft diezelfde historicus dat oordeel later bij
in ieder geval één werk weer moeten inslikken. (Zacht
en Eervol) Maar we kunnen dit gebrek aan originaliteit ook positief
zien en zeggen dat het dan in ieder geval onoriginele na- en overschrijverij
van materiaal is dat daardoor wel toegankelijker is geworden voor
een nieuw publiek. Maar inderdaad, veel ervan is onder de term kinderziektes
te vangen. Als de serie De Grote Oorlog met wetenschappelijke maatstaven
was geredigeerd - soms vraag ik me af óf er wel met bepaalde
maatstaven wordt geredigeerd - dan zou die zeer zeker geringer in
omvang zijn geweest. Wellicht echter moeten we ons niet blind staren
op de grote hoeveelheid onoriginele na- en overschrijverij maar
focussen op de parels die er ook tussen zitten en die zonder Brands'
'morbide hype' wellicht ook nooit het daglicht zouden hebben aanschouwd.
Bekijk, om het zo maar eens te zeggen, de hoeveelheid artikelen
en boeken die momenteel vanuit Nederland over Nederland en Vlaanderen
worden uitgestort als de top 40 van de popmuziek. Ik verwijs hierbij
met opzet naar Nederland en Vlaanderen omdat er helaas nog maar
weinig van deze werken in een andere taal zijn verschenen. Eerlijk
gezegd ken ik er maar twee, waarvan er een direct in het Engels
verscheen, Paul Moeyes' proefschrift over Siegfried Sassoon, (Scorched
Earth) en de ander is een fotoboek. (De Eerste Wereldoorlog in foto's)
Gelukkig verschijnt er een derde in 2009. (Zacht en Eervol) Evenals
die top 40 lijkt het op het moment zelf allemaal helemaal niks en
tien keer hetzelfde, maar over dertig jaar blijken er toch één
of twee pareltjes in te hebben gezeten die de tand des tijds hebben
doorstaan. De rest is vergeten en dient hooguit nog voor af en toe
een nostalgische glimlach.
Echter: een halfvol glas is natuurlijk evenzeer half leeg. Zo positief
hoef je er dus niet tegenaan te kijken, zoals we met het voorbeeld
van Brands hebben gezien. Ik zei het reeds, er zitten wel degelijk
ook nadelen aan de grote belangstelling. Zo bleek onlangs de Eerste
Wereldoorlog een rol in de discussie over blijven in of weggaan
uit Uruzgan te spelen, toen in de Volkskrant voormalig vredesbeweger
en huidig exploitant van menselijk leed, Mient-Jan Faber, wiens
opvatting naar eigen zeggen altijd de moreel gezien enig juiste
is, een pleidooi hield voor doorzetten van de strijd tot de overwinning
was bereikt. Hij hield daarbij het Nederlandse volk de Franse natie
in de strijd van 1914-1918 ten voorbeeld. Zelden heb ik de laatste
jaren zoveel gevaarlijke onwetendheid in wat toch een van Neêrlands
kwaliteitskranten is, bij elkaar gezien. Het is niet dat ik erop
tegen ben dat iemand een pleidooi voor voortzetting van de strijd
in Uruzgan houdt, al ben ik zelf een andere mening toegedaan. Maar
doe dat wel met deugdelijke argumenten en doe dat vooral niet met
de slachtingen van Ieper, Somme en Verdun als voorbeeld.
Al is het dan een cliché, het niet door enige kennis gehinderde
verhaal van Faber betekent dat die stortvloed van boeken en artikelen
inderdaad zowel de kracht als de zwakte van de toegenomen Nederlandse
belangstelling is. Laat ik daarbij mezelf eens onder de loep nemen.
Ik had me in 2002, toen deel 1 verscheen met daarin ook een stuk
van mijn hand, vast voorgenomen alle afleveringen van de serie De
Grote Oorlog aan te schaffen. Na het uitkomen van deel acht besloot
ik echter er alleen nog maar één te kopen als er echt
iets behartenswaardigs in zou staan. U snapt het al: deel acht is
nog steeds mijn laatste deel. Natuurlijk heeft dat er deels mee
te maken dat ik een beetje een zwart schaap in de WOI-familie ben,
omdat mijn belangstelling niet die oorlog op zich betreft, maar
slechts bepaalde aspecten van oorlogvoering in het algemeen. Die
waren weliswaar in 1914-1918 zeer duidelijk aanwezig, maar ontbreken
ook in andere oorlogen niet. Veel van de Nederlandse WOI-fanaten,
die vaak tot hun belangstelling zijn geraakt vanuit een algemene
interesse in oorlogvoering en bewapening, zijn geïnteresseerd
in alles over 1914-1918, maar dan ook alleen 1914-1918. Ze weten
daardoor alles over de eerste tanks, over de omvang van granaathulzen,
en het uiterlijk van manchetknopen en insignes, maar haken vaak
af als wordt gevraagd naar de context en de maatschappelijke betekenis
daarvan. De eerste vraag 'waarom weet je al die details', wordt
te vaak beantwoord met: 'Omdat ik dat nu eenmaal interessant vind.'
En de erop volgende vraag, 'maar wat wil je dan met die kennis van
al die details' wordt te vaak gevolgd door een vragend stilzwijgen.
Ik ontken niet dat kennis over dergelijke zaken onontbeerlijk is,
maar voor mij zal die kennis nooit een doel op zich zijn, maar slechts
een middel om het echte doel, zoals gezegd: wat betekent oorlog,
welke oorlog dan ook, in lichamelijk, psychisch en algemeen maatschappelijk
opzicht voor de mens die ermee te maken krijgt, beter te kunnen
verklaren en verwoorden. Artikelen nu die louter en alleen strategie,
tactiek of bewapening betreffen, en het effect daarvan op de mens
vergeten, zal ik dus hooguit even lezen en inzien op zoek naar informatie
die mij verder helpt.
Maar dat is zeker niet de enige reden. De kritiek is terecht dat
veel, en wellicht inderdaad te veel, van het uit Nederland afkomstige
materiaal bestaat uit reeds bekende informatie. Erger echter is
nog dat veel ervan wordt uitgebracht terwijl het gewoon nog niet
af is. Het wordt prematuur gepubliceerd, en ik kan buiten een simpel
gebrek aan talent bij de scribenten en een gemis aan kennis bij
degenen die voor publicatie verantwoordelijk zijn, geen andere reden
verzinnen dan de wens letterlijk de hype in klinkende munt om te
zetten. Te vaak krijg ik het idee dat het motto van de uitgevers
is: 'Liever een slecht maar goed verkocht product nu, dan een goed
product op een moment dat de belangstelling alweer blijkt te zijn
overgewaaid.' Zoals gezegd gaat de serie De Grote Oorlog hard en
naar mijn bescheiden wetenschappelijke mening, te hard. En wat te
denken van het werk 'Nederlanders in de Grote Oorlog'. (Nederlanders
in de Grote Oorlog) Dat boek had, zo schreef de auteur op forumeerstewereldoorlog.nl,
waarin ook mijn recensie erover terug te vinden is, geen wetenschappelijke
pretenties. Maar dat ontslaat natuurlijk iemand niet van de plicht
enigszins over de inhoud na te denken en niet alle normen die van
een boek een goed boek maken, met voeten te treden. Maar hype en
onderwerp stonden blijkbaar garant voor winst, terwijl de auteur
eigenlijk met de boodschap, 'huiswerk over doen, en kom dan nog
maar eens over een jaar of wat terug', naar huis had moeten zijn
gestuurd. En als een uitgeverij dan toch besluit tot publicatie,
huur dan een goede en met de materie bekende redacteur in. Maar
ja, dat verhoogt de prijs en/of drukt de winst of resulteert zelfs
in het besluit toch maar niet tot publicatie over te gaan, waardoor
al het geld en al de moeite voor niks zijn geweest.
Dit is niet alleen om inhoudelijke redenen jammer. Ten eerste laat
een dergelijk boek ook het amateurniveau zien waarop een groot deel
van de discussie in Nederland zich nog afspeelt. Iedere WOI-wind
wordt door al te velen met al te groot enthousiasme begroet terwijl
veel van die winden louter de kritiek 'je stinkt' te horen hadden
moeten krijgen. Bovendien betreffen die stinkende winden vaak wel
interessante onderwerpen, zoals ook 'Nederlanders in de Grote Oorlog'
op zich een interessant onderwerp is, een onderwerp dat het onderzoeken
meer dan waard is. Maar, ofschoon het gepubliceerde werk genoeg
te onderzoeken overlaat, wordt de drempel daartoe louter door de
premature publicatie verhoogt. Het simpele feit dat er al iets ligt
over een onderwerp, hoe slecht ook, maakt dat het niet zo snel weer
opnieuw zal worden aangepakt. Bovendien dreigt het gevaar - zie
mijn eigen geschiedenis met de serie De Grote Oorlog - dat door
de hoeveelheid oninteressante literatuur, ook de enkele parels door
de niet in iedere wind maar louter in kwaliteit geïnteresseerde,
over het hoofd zullen worden gezien. En dus wil en kan ik deze uiteenzetting
over de huidige Nederlandse belangstelling niet anders beëindigen
dan met een oproep aan mijn schrijvende en uitgevende landgenoten
tot zorgvuldigheid en ingetogenheid, al zijn dat op dit moment in
Nederland met tv-programma's als De Gouden Kooi of Van Del tot Dame
en politieke partijen als Trots op Nederland of de Partij voor de
Vrijheid nou niet bepaald algemeen gedeelde waarden. Voordeel van
deze partijen, evenals van de weer eens oplaaiende, nergens op gebaseerde
Oranjekoorts, is wel dat Nederland geen enkele reden meer heeft
om meewarig hoofdschuddend neer te kijken op of verontwaardigd te
zijn over uitingen van Vlaams of Duits nationalisme, zoals zolang
het geval is geweest en naar ik vrees bij velen nog steeds het geval
is. Ik zou mijn landgenoten willen oproepen te blijven komen naar
Ieper en IJzer en zich te blijven verdiepen in de literatuur, zowel
in de non-fictie als in de fictie die vaak niet alleen meer schoonheid,
maar ook meer waarheid verbergt, al is het dan een andere waarheid.
Maar blijf, dan wel word, kritisch tegenover al het eigen en aangeboden
en gelezen werk. Blijf enthousiast over alles wat je onderzoekt
en tegenover iedereen die onderzoekt, maar durf tegen jezelf te
zeggen dat het nog niet goed genoeg is om aan te leveren, en durf
tegen een onderzoeker te zeggen dat het nog niet goed is om gepubliceerd
te worden. Dan zal de kritiek van mensen als Brands vanzelf verdwijnen
en zijn 'morbide hype' vanzelf veranderen in oprechte en doorleefde
belangstelling voor een van de meest interessante en tragische periodes
van de moderne geschiedenis, een periode waarvan de omgeving van
Diksmuide zo intens is doortrokken.
Ik dank u voor uw aandacht.
dr. Leo van Bergen - Gepubliceerd op 03/06/2008
|