HOME

Slagen

NomenclatuurGastbijdragen

Over beweegredenen en stilteplekken

 

Een antropologisch-filosofische beschouwing

"Na de eerste Wereldoorlog kan de moderne mens niet langer hopen een triomfantelijke
Prometheus te zijn die denkt het vuur van de beschaving voor de mensheid veilig te kunnen stellen.
Hij weet zich op zijn best een zwoegende Sisyphus die gedoemd is te zullen falen,
maar die voortploetert om het allerergste te voorkomen."
(Koen Koch, Ooggetuigen van de Eerste Wereldoorlog)

Niet lang geleden viel in onze brievenbus een bros exemplaar van John Oxenham's in volslagen vergetelheid geraakte bundeltje 'ALL'S WELL - Some helpful verse for these dark days of war'. Het boekje, kennelijk het bezit van ene Agnes M. Tavener, die het dateerde: May 29th, 1917, draagt op de binnenkant van het kaft de potloodinscriptie 'Love conquers all things - even Death', simplificatie van Vergilius' 'Omnia vincit amor, nos et cedamus amori'. Wat ook ons voorkwam als een bundel karamellenverzen bedoeld ter leniging van het zielenleed van brave lieden in oorlogstijd, verwierf een nog persoonlijker karakter toen we het ons verder onbekende gedicht oplazen dat daar twee weken aan voorafging:

The earth is poorer now, but heaven /Comes down to meet sad hearts /And only those that suffer know /The joy that God imparts /Think of the glory spread for him /After his swift release
I cannot tell God's welcome gifts /But one of them is peace /So mourn not over much dear heart
Yours is not his pain /A sense of loss is yours to bear /And his a wond'rous gain
And presently... (hier neemt het handschrift nadrukkelijker proporties aan, kennelijk in een poging zich van de terechtheid van de boodschap te overtuigen) …I thank my God /for every remembrance of you /O, true, brave heart /God bless thee wheresoe'er /in his wide Universe /thou art today // He died the noblest death /a man (can: geschrapt) may die /fighting for God, for right / & Liberty /And such a Death is Immortality.

Andermaal ook hier het steevaste 'altijd iemands vader, altijd iemands kind, / Nu dood-stille, god-verlaten' , zoals de Steenkerkse bard Willem Vermandere mijmert.
Als een bundel 90 jaar post factum al iets onder woorden vermag te brengen, laat het dan dit toch niet te stelpen persoonlijke verlies zijn. Verlies, en de reddeloze onmogelijkheid ooit in het reine te komen of troost te vinden. Geen wonder of boekjes als dit gingen indertijd gretig van de hand en daar zijn de verkoopcijfers (120 000 stuks in het publicatiejaar 1917 alleen) een sprekende graadmeter van.

Wie ze zijn en wat hen vandaag drijft, wou iemand weten - maar dit was dus al niet meer de plek voor een belegen old groan of muffige witz. Waarvandaan haalt een mens zijn beweegredenen om straks honderd jaar post factum nog steeds tot zo'n slagveld getrokken te zijn? En is het resultaat, zeker bij de eigenwijze slagveldtoerist with a cause, niet a priori gedoemd tegenover de gekoesterde verwachtingen een ondermaats visje te blijven?

Slagveldtoerisme dus. Een vlag die vast al niet de lading, de bedruktheid dekte van de talloze families die na afloop van de vijandelijkheden zonder verwijl in situ poolshoogte namen. Vier en een half jaar van ravages hadden een landschap tot pulp vermalen. Ze trokken op zoek naar graven die mordicus niet thuisgaven wellicht, want veelal slechts een dood-simpele Soldier of the Great War herbergden.
Ook de beeldeniconografie, ons vandaag door de band nog slechts middels ansichtkaarten of fotoboeken aangereikt, van tot rafels uiteengereten dorpen en steden langs het Westelijke Front, sprak in de stilte van het vroegste interbellum welsprekender dan de vandaag verbeelde werkelijkheid van of de woorden en/of beschouwingen die men tot vandaag wijdt aan de diepe ravages van een collectieve hysterie waar op de keper beschouwd alleen de waan in de hoofden debet aan was geweest.

Wie zich vandaag aan de meest elementaire cultuursociologische analyse van het battlefield tourism begeeft, komt vast al niet onder de opmerkelijke constatering uit dat de hausse, die zich in een niet te stelpen publicatiestroom vertaalt, vooralsnog van geen wijken weten wil, en dat belangstellenden hun zoektocht langs de velden van weleer op een later tijdstip wel vaker en in voorkomend geval meer ten gronde herhalen.

Aan beweegredenen ogenschijnlijk geen gebrek: het onderzoek van militaire en politieke strategie en het onvermijdelijk beperkte en vertekende beeld daarvan is er slechts een van; al komt naar ons gevoel het persoonlijke motief dicht in de buurt, lees: het piëteitsvol traceren van een ontbrekend stuk individuele of familiale voorgeschiedenis, wat de queeste er niet evidenter op maakt, en niet slechts in het geval van een Canadese soldaat wiens stoffelijke resten middels DNA-onderzoek zoveel jaar post factum reveleerden dat … het een bastaardkind betrof.

Wie anno nu een bezoek aan de sites of memory, sites of mourning onderneemt, ergo een reconstructie op het oog heeft van belangwekkende historische wederwaardigheden, pelt als in Günter Grass' metaforiek op de meest uiteenlopende manieren de rokken van een ui weg. De mix van individuele distractie (met Europa als goedkope reisbestemming en pakweg Ieper, Rijsel of Brugge als voortreffelijke culinaire uitvalsbasis), op een aangename manier gelardeerd met een glimp instructie, een intense ervaring van historisch en emotioneel bewustzijn, het zijn even zovele oorbare reisargumenten. Sommigen zullen, digitaaltje at the ready, hapsnap vrede nemen met de voorgekauwde all-in trip langs de cities of silence, onder het motto been there, done that. Anderen hebben een hernieuwd begrip op het oog en zijn vastbesloten een brug te leggen tussen het toen van nu en het nu van toen. Zij speuren naar de sleutel tot de semiotiek van diepere betekenislagen, naar de lost pasts die schuilgaan achter de Last Post, wanneer finaal ook de hordes van in de regel Britse schoolkinderen stilvallen, al blijft ook dan het geruis van de bonbonzakjes van die andere Spartaanse veldheer nog femelen van de wreedheid en absurditeit van olim. In het geval van een groepsreis zijn er overigens steevast ook nog die lieden die zich aan een pelgrimstocht begeven op zoek naar één specifiek grafje of de velden doorkruisen die als landelijke erfgoedsite met de lasten van een of ander kantelmoment uit een of andere regimentsgeschiedenis vandaag even doordacht als met graagte eveneens de lucratieve lusten torsen.

De intussen onherroepelijk geworden ontstentenis van veteranen en ooggetuigen van het Westelijke front en Gallipoli, dwingt niet slechts waar de aanpak, maar ook waar het materiaal in het geding is, tot de grootste omzichtigheid bij de reconstructie van de specificiteit van de vroege twintigste-eeuwse maatschappij, en al zeker bij het taxeren van de impact en de repercussies van de oorlog als een radicale cesuur in en ontwrichting van het familiale en gemeenschapsleven aan de dageraad van het interbellum en de 'lange twintigste eeuw'. Bovendien blijft het na de historiografische [(David Stevenson, 1914-1918 - The History of the First World War (2004, Allen Lane)] en sociografisch-antropologische [(Johan Meire, De Stilte van de Salient - De Herinnering aan de Eerste Wereldoorlog rond Ieper (2003, Lannoo)] doorbraak wellicht nog wachten op de ultieme holistische dieptestudie van de complexiteit van het kluwen, dat vanaf de ogenblikkelijke mondiale weerslag van de Wereldoorlog de slagschaduw van zijn gordiaanse knoop op vrijwel alle moderne cultuuruitingen en leefomstandigheden sindsdien vooruitwierp.

Wat in de ogen van sommigen nog steeds de evidentie zelve lijkt, is dat voor de buitenwacht sinds lang niet meer. Wie zich überhaupt afvraagt of het militaire luik wel of niet uit het nationale blikveld is verdwenen en sindsdien een sluimerend bestaan leidt, dient zich enkel af te vragen wat 'Milac' alweer betekende; het weinige wat rest is het spaarzame en vrijwel niemand nog unheimisch aandoende militaire item in de nieuwsuitzending van zevenen, zoals EllenWarmond het over Vietnam - waar is de tijd…? - in woorden vatte.

Groeten uit Vietnam en omstreken

Vanavond zag ik een man
op schoenen
een man zonder schoenen schoppen
zijn magere rug lag als
een voorwerp in het zand
en niemand keek er naar om
een halfnaakte man vertrapt
door een aangeklede
en miljoenen keken ernaar
dronken koffie rookten zwegen
of zeiden het is weer niks
die tv vanavond.

En in weerwil van het pseudo-realitygehalte van film en playstationgames zou de hedendaagse mens wel eens met nostalgie kunnen terugverlangen naar de illusie van een objectiveerbaar referentiekader, dat er toentertijd overigens al evenmin was, maar zijn verhoopte, zij het illusoire bakens vervolgens veilig had kunnen uitzetten waarbinnen de perceptie over de wijze waarop een legermacht vandaag, laat staan, straks een eeuw geleden, opereert c.q. opereerde.

Waarmee het er inderdaad zowaar de schijn van heeft of we ons op de buitenste rok van een ui bevinden, zij het dat wij die rok per rok (en wellicht met tranen wellend in de ogen) zouden horen weg te pellen alvorens het ons wellicht zou lukken de ware toedracht van toen te doorgronden en op zijn realiteitsgehalte te taxeren. Ook wanneer de eenentwintigste-eeuwse vorser zich voor het beeld van 'zijn' eeuw op het behartenswaardige overzicht van Geert Mak ('In Europa - Reizen door de twintigste Eeuw', 2004, Atlas) zou verlaten of daartoe eerder zou opteren voor Marcelo Masagão's beeldenstroom 'Nós que aquí estamos por vós esperamos' (Brazilië, 1998), blijft de twijfel van de existentiële subjectiviteit en het vigerende relativisme van een antipaternalistische tijdgeest die geen morele of levensbeschouwelijke autoriteiten meer erkent.

Hoeft het inderdaad betoog dat eigentijdse attitudes tgo. gebeurtenissen wel ten gronde moéten afwijken van het aanvoelen en de reacties van de directe betrokkenen door wie de oorlog werd gevoerd resp. ondergaan? Met het verscheiden van de laatste overlevenden is ook het orale getuigenis definitief verstomd en, zoals historici en sociologen niet nalaten hun publiek in te peperen, lichten onze gevoelens over wat toentertijd dan wel werd ondernomen c.q. doorstaan in eerste instantie een tip van de sluier over onze eigen gevoeligheden, ervaringen en kennisniveaus op de wijze waarop mutatis mutandis ook beauty (hier: toegekende betekenis) is in the eye of the beholder (in dit geval de betekenisverlener). Vooraf dienen wij ons dan ook terdege rekenschap te geven dat er een kloof gaapt tussen het leven en de manier waarop het die 'korte eeuw' geleden radicaal anders werd ervaren, met name inzake maatschappij, cultuur, politiek en literatuur, en onze eigen voorthollende tijd. Weliswaar blijft vooral het krachtigste materiaal dat onze erflaters in hun tijdsgewricht rapporteerden of creëerden in niet geringe mate bijdragen aan de ideële overbrugging van de in se onoverbrugbare kloof tussen ons Heden en hun Verleden. Zelfs gesteld dat het ons alsnog kon lukken een levendige beschrijving of aangrijpende tekstregels te lokaliseren, zijn ook die met gelijke noodwendigheid en bij voorbaat in een contemporain geestelijk vocabularium geïntegreerd.
Niettemin doen wij nog steeds ons voordeel wanneer wij ons verplaatsen in de tijdssfeer die de geest van de schrijver-kunstenaar stuurde: dat heeft zo zijn voordelen en niet slechts op het affectieve of het psychologische vlak, maar evenzogoed op het terrein van het historische inzicht.

In dit discours zijn deze onvermijdbare attitudinele veranderingen met betrekking tot elementen uit het verleden en het begrip van beweegredenen en gebeurtenissen, tegen het licht gehouden van de wereldomvattende maatschappelijk-culturele repercussies van de Grote Oorlog, actoren van de eerste orde. Tal van belangwekkende slagvelden en begraafplaatsen reiken in bepaalde mate vanzelf hun denkramen of interpretatiemogelijkheden aan, wat zich laat aflezen uit een groeiend aantal slagveldbezoekers dat door het fysieke landschap als 'laatste getuige' (cf. het gelijknamige boek van Piet Chielens, Dominiek Dendooven, Hannelore Decoodt, [Lannoo, 2006]) a.h.w. wordt aangezogen. Dat zulks uitgerekend voorvalt op een ogenblik waarop ook de laatste overblijvende frontlijnen in bossen en velden worden weggevlakt op de manier waarop Hugo Claus (1970) zich in zijn aemulatio van John McCrae's bekende gedicht opwierp tot klokkenluider van de onheilstijding over de naar zijn aanvoelen met verdwijnen bedreigde Ieperse saillant, is te merkwaardiger.

In Flanders Fields
De grond is hier het vetst.
Zelfs na al die jaren zonder mest
zou je hier een dodenprei kunnen kweken
die alle markten tart.
De Engelse veteranen worden schaars.
Elk jaar wijzen zij aan hun schaarse vrienden
Hill Sixty, Hill Sixty One, Poelkapelle.
In Flanders Fields rijden de maaldorsers
steeds dichtere kringen rond de kronkelgangen
van verharde zandzakken, de darmen van de dood.
De boter van de streek
smaakt naar klaprozen.

Maar alweer vrezen we het ontbreken van de menselijke getuigeniscomponent als ultieme verantwoordelijke te moeten duiden voor de slinkende overlevingskansen van de herinneringsbeleving en -ervaring op zich. Een veelzeggende graadmeter hiervoor is dan weer Michael Longleys persoonlijke imitatio en aemulatio van Claus, uit 1995.

A Pat of Butter (after Hugo Claus)

The doddery English veterans are getting
Fewer, and point out to fewer doddery pals
Hill Sixty, Hill Sixty-one, Poelkapelle.

My dad's ghost rummages for his medals
And joins them for tea after the march-past
The butter tastes of poppies in these parts.

De opmerkzame lezer kan er onmogelijk omheen dat Longley in zijn in lengte gehalveerde versie van Claus, die op zijn beurt John McCrae's iconische gedicht actualiseert, met vier van de zes regels (dus 2/3 van het totale gedicht) de menselijke component nadrukkelijk naar het voorplan opschuift, terwijl Claus (1970) nog negen van de twaalf regels aan de landschappelijke component wijdt, daarmee voor de mens een veeleer spaarzame (1/4 van de totale lengte) plaats inruimend. Vanwege Longley lijkt dit een onverholen statement bedoeld om het menselijke facet tenminste in de fictioneel-literaire ruimte de (overlevings)kans toe te bedelen die in de kwarteeuw tussen Claus' en zijn eigen versie in de 'reële ruimte' op weinig na helemaal was opgedroogd. Ook de metaforische personificatie van het landschap als 'Laatste Getuige' staat merkwaardig symptomatisch voor diezelfde behoefte.

Waarmee een voor de bezoeker of 'consument' van historisch periodemateriaal een even opmerkelijk als belangwekkend facet is aangesneden, te weten de merkwaardige zeggingskracht van de literatuur die uit deze specifieke oorlogsomstandigheden is voortgesproten en zich sindsdien als invalshoek volslagen incontournable maakte. Deze literatuur heeft zich op de meest opmerkelijke manier opgeworpen tot een van de onmiskenbare en onmisbare spelers binnen de bredere reeks insteken waarmee eigentijdse naties en scholen dat kantelmoment benaderen; meer, het is een bij uitstek aanlokkelijke en stimulerende weg gebleken om effectief aan evidence-based herinneringseducatie te doen. Zeer tot verwondering van wellicht alle andere culturen blijkt met name de studie van een veeleer smal corpus uit de Britse oorlogsdichters tot een steunpilaar uitgegroeid, a fortiori waar en naarmate de pregnantie van de boodschap gevoelens zich meer manifest verknoopt met een herkenbare eigentijdse aanspreekbaarheid bij de belangstellende.

In literaire begrippen geformuleerd is de vraag hierbij aan de orde of we met Robert Graves' Goodbye to All That, vertaald als Dat hebben we dan gehad, de oorlogsherinnering voortaan maar beter blauw-blauw moeten laten, dan wel in de voetstappen dienen te gaan van Edmund Blunden, die zich met zijn adagium 'We shall go over that ground again' als voorganger bij de herinneringspraxis opwerpt, en ons vanuit een eigentijdse invalshoek steeds opnieuw tegenover gebeurtenissen uit een onachterhaalbare, verdwenen tijd herpositioneren. Naar de niet wegebbende publicatiestroom te oordelen, ziet het er dan ook vooralsnog naar uit dat die gruwzame vier en een half jaar nog steeds "bij ons zijn", en niet zelden nemen eigentijdse auteurs daarbij in de lijn van McCrae's appel 'to you we throw the torch / be yours to hold it high' het voortouw als wegbereider en zinzoeker (of -gever) bij de zoektocht naar het herdefiniëren van het ultiem ont-zinde zinloze.

Voor zij die er toentertijd 'in zaten' en wier werk wij vandaag tot ons nemen was schrijven naar alle waarschijnlijkheid in eerste instantie een onwillekeurige psychotherapeutische act, bedoeld om traumatiserende gebeurtenissen te boekstaven, te bezweren en van zich af te schrijven op de verwarrende manieren waartoe de feiten ze hadden genoopt. In de regel kwam dat schrijven het psychische en affectieve catharsisproces weliswaar inderdaad ten goede, al impliceerde het evenzogoed een evidente verzetsdaad tegen de lege fraseologie van rekruteringsaffiches of de overtrokken en van hogerhand goeddeels opgedrongen mythologisering van fabels over heldenmoed en -dood, die de schrijfact allengs nadrukkelijker bleek te willen counteren. Een aantal van deze auteurs maakte het op gegeven ogenblik tot zijn dure plicht de zelfgenoegzame, indien al niet afgestompt geraakte lezer op het thuisfront de schellen van de ogen af te rukken middels de onverbloemde confrontatie met de onuitsprekelijke leefomstandigheden in de loopgraven of gevechtssituaties, daarmee onderwijl de grinta, de krachtdadigheid c.q. zwakheid van de condition humaine etalerend.

Niet toevallig maakte dit gegeven Wilfred Owen en Siegfried Sassoon, om ons tot die twee te bepalen, tot staalkaarten die in brede kringen op terechte lof werden onthaald. Maar ook di minores als Ivor Gurney, Edmund Blunden, Charles H. Sorley en T.P. Cameron Wilson maakten het tot hun dure plicht datzelfde te doen. Wie zou vandaag de verbazing kunnen schetsen van lieden die, in tempore non suspecto, met opmerkelijke en bewonderenswaardige luciditeit poneerden dat

voor de drommen soldaten die het geluk te beurt viel van een onthecht interludium in hun verbeelding, het volstrekt ondenkbare toen al zijn woorden zocht en vond voor wat bij momenten van een scherpte was die op kalmere ogenblikken niet eens voor hen zelf bij te benen viel (Edmund Blunden),

dat

dit boek niet over helden gaat. De Engelse poëzie is nog lang niet klaar om het over helden te hebben. Om te beginnen heb ik het op Poëzie niet begrepen. Mijn onderwerp is Oorlog, en het mededogen dat die met zich brengt. De Poëzie is in het elegische karakter ervan te vinden. Om die reden dient de echte Dichter de waarachtigheid te betrachten (Wilfred Owen),

of te gelegener tijd ook al hun poëzie tot een statement maakten, dat inhield dat

we, als er weer vrede aanbreekt, met nieuwgeboren ogen wellicht de ware kern van elkaar zullen aanschouwen, en verwonderd zijn. Maar tot die vrede, alleen maar storm en duisternis en het gedonder van de regen (Charles H. Sorley);

in één lapidaire zin samengevat ponerend

maar wij zijn dichters; zullen dus de waarheid spreken (Osbert Sitwell).

Goed. Vandaag maken wij dus dat twintigste-eeuwse relaas van militaire actie en de literaire doorwerking daarvan tot onze gids. Op de sinds vele tientallen jaren ingeslapen slagvelden nemen wij het vaak volstrekt persoonlijke amalgaam waar van de fysieke leefomstandigheden van de soldaat-dichter zelf en zijn 'allerindividueelste expressie van hun allerindividueelste emotie' daarvan en laten die in onze diepste persoonlijkheidslagen resoneren in symbiose met onze eigenste gevoeligheden. Eigentijdse vervoermiddelen vergemakkelijken deze pelgrimages, waarbij je na de middag bij het White Château van St.-Charles de Potijze verwijlt, dezelfde avond de sonnerie van de Last Post in Ieper aanhoort en de volgende dagen met de souplesse van Professor Barabas' teletijdmachine naar gelang van de locatie heen- en terugreist in de tijd en de ervaringswerelden van Ivor Gurney, Siegfried Sassoon en Wilfred Owen. De ruisende drukte van de bonbontasjes van die andere Spartaanse legeraanvoerder is nog niet weggestorven of je bevindt je bij manier van spreken bovenop de groene wereld van Fricourt langs grazige weiden vol springerige veulens, met het knallen van de kleiduifschutters op een Tir-schietstand als akoestisch decor en een even onzichtbare als onbedaarlijk kwinkelerende leeuwerik die 'daar ergens' tegen het uitspansel hangt.

En even bevreemdend had ook voor deze ervaring op de begraafplaats Point 110 (Haut) in het vandaag weer helemaal arcadisch geworden Somme-gebied de gedoodverfde vijandelijke) dichter al eerder zijn woord paraat:

Kom, en laten wij dan maar sterven gaan
In het veld waar de paarden staan te trappelen
Waar de donderbuksen staan
En zich dode vuisten ballen.
[…]
Kom, mijn lieve kameraad,
Dat wij samen, aan elkaar gelijk,
Vandaag aangelijnd en in het gelid, soldaat
Morgen liggen lijk aan lijk.
(Franz Pfemfert, eigen vertaling)

Hoe het ook zij, jongere bezoekers en oudere passanten reflecteren op het landschap, de schaal en de afstand (in tijd of ruimte) op een manier die niet één boek, film of lezing mag hopen te evenaren. De feel van het land achter Kentish Caves (Beaumont-Hamel) geeft je één ogenblik dat onwezenlijke gevoel dat je strakjes moeiteloos het gordijn achter het decor van Reginald Blomfields harmonisch, geconcipieerde, waardoor surrealistisch-fictief ogende begraafplaats wegschuift en via een ingebeeld deurtje zonder moeite de reële wereld van Blunden's vooraf gedoemde stormaanval met zijn geliefde 11th Royal Sussex op 3 november 1916 te betreden, waar hij nog op zo'n beklemmende wijze melding van maakt in het hoofdstuk IX, getiteld The Storm, in Undertones of War (Penguin, Harmondsworth, 1936). Zoals Bram Vermeulens Ieper betreed je zodoende een leugenachtig land dat in de barre oorlogsdagen van toen nog van zo'n 'pivotaal' belang was. 'Had ik het in de geschetste omstandigheden gehouden?' - 'Hoe had ik met die omstandigheden omgegaan?' Vragen die zich onwillekeurig aan je opdringen, terwijl je op dat eigenste ogenblik evenzogoed een proeve uit die parallelle (want geboekstaafde en daardoor selectieve) werkelijkheid van brieven, literaire reflecties, snapshots uit regimentsdagboeken of de meest intieme dagboekfragmenten tot je neemt. Psychische of affectieve dislocatie komt wellicht nog het dichtst in de buurt van het sleutelbegrip dat de ervaring dekt waarbij je twee sites tegelijk betreedt, een literaire site of memory en een reële (zij het uiteraard mettertijd getransformeerde) site of mourning.

Wie weet, is deze manier niet bij uitstek aangewezen om de ooggetuigenverslagen zo optimaal mogelijk tot je te nemen en 'begrip' te absorberen dat gelijktijdig op uiteenlopende bewustzijnsniveaus opereert: de politieke en strategisch-militaire beslissingen op de oppercommando's, voor de jongens en hun officieren op de werkvloer, het slagveld, enerzijds, veelal, en - wie zal het zeggen: doelbewust? - enigmatisch geformuleerd, en de gefilterde schriftelijke weergave daarvan, te vinden in het puikje van de daaraan gerelateerde poëzie en andere schriftelijke neerslagen, die intussen op hun beurt waren gestuurd door de voorafgaandelijk geëvoceerde stemming, anderzijds. Terwijl het al bij al bij een loffelijke poging blijft (bleef), voelbaar of tastbaar te proberen maken wat die mannen toen al of niet deden en hoe zij dat al of niet beseften of verwerkten.

Lessen over de duistere krochten in de metabletica van die onherbergzame en ontoegankelijk geworden wereld van toen, de studie van flarden uit brieven en romans, poëzie en memoires, 'remembrances' geïnspireerd op de beschikbare te reconstrueren gegevens over een concrete te kleine man/vrouw in een te grote oorlog, ze vormen geen partij voor de werkelijke beleving en (h)erkenning in situ van 'wat hier voorviel en hoe dat dan wel zijn beloop kreeg'.

Evenmin zou het opportuun zijn mocht het vervolgens hooguit blijven bij de implementering van dit beschotten doorbrekende kerndoel. Op een dieper ervarings- en belevingsniveau blijft de vaststelling veel ver-rijkender, dàt het dus heus "zó zat, dat de realiteit van hoe het er met die oorlog hier voorstond, in dit veld dat zich voor je uitstrekt, op dat eigenste moment, met iemand die toen wellicht jouw leeftijd (of die van je kinderen) had en zich op de koop toe toen nog zus of zo voelde', ook." In die context dient er in de breedste zin van het woord alweer gesproken te worden van een 'krachtige leeromgeving': een affectief-intellectueel denkraam dat opheldert hoe en waarom de wereld buitenom en onze denkwereld binnenin op uitgerekend die manier vorm kregen.

Het unieke kader van Wilfred Owen's 'Smoky Cellar of the Forester's Home', de kelder van het Maison Forestière, in Ors, vlakbij het Matisse-stadje Le Cateau-Cambrésis , waar de dichter-soldaat op de vooravond van zijn even ontijdige als overbodige dood met gelijkmoedigheid zijn laatste en opvallend hoopvol gestemde brief tot zijn moeder Susan richt, en dat middels een recent samenwerkingsverband tussen het In Flanders Fields Museum, het gemeentebestuur van Ors en het stadsbestuur van Le Cateau Cambrésis eerlang tot een nieuw belevingscentrum moet uitgroeien, is Owen's ultieme locus amoenus. Vanwege je eigen lectuur valt deze site of mourning, die lieu de recueil, en jouw stilteplek, zo evident en onwillekeurig met je site of memory samen; wordt het een asielplek waar een woord tot oord is geworden en een gedicht of een brieffragment tot een huis om in te wonen. Het is de plek waar je Owen in het flonkerende schijnsel van een pitje doodgemoedereerd en met het leven nog zo volstrekt verzoend zijn laatste regels tot moeder Susan 'ziet' schrijven:

Hoe groots kan het leven toch zijn. Soms laat ik, vergeetachtige Jan - helaas! - het afschuwwekkende glimmen van de stukken geschut daarbuiten toch zo achteloos aan mij voorbijgaan, & het holle neerploffen van de bommen.
We zijn volkomen buiten gevaar hier beneden, en ach wat, als het nog zo was: daar zijn wij straks toch voor eens en altijd klaar mee, nog vóór je oog op deze regels val, zoveel is zeker.
Ik wens jou daar dezelfde warmte toe als mij hier doorgloeit; even sereen je kamer ervaart als ik hier doe; en dat je je in bed nooit met die berusting aan je slaap moet overgeven op de manier waarop ik je zo zonneklaar voor me zie als ik aan je denk en je in bed zie liggen. Vergeet vooral één ding niet, en ik wil dat je daar kracht uit put : geen mens op aarde wereld kan zich een betere bende vrienden toewensen als ik hier tot mijn gezelschap mag rekenen.

Zelfs niet de onafzienbare lijsten met de namen van de millions of the mouthless dead vermogen ooit de onuitwisbare indruk te laten vervagen van het aardedonkere gewelf met de verziltende, pulverende voegen, de stofwebben die getuigen van de langdurige verlatenheid van deze tastbaar reële en even net zo goed voelbaar literaire ruimte. Ze vult in het matte schijnsel van het traliewerk voor een raampje waar je een bescheiden herinneringskruisje in achterliet op volstrekt unieke manier Owen's dichterlijke brief en zijn poëzie aan, als de soldaat op de vooravond van het eigen sterven zijn vijand reeds in een nieuw (dag)licht beschouwt, en met zijn intussen al dode woorden, mijmert:

Vreemde vriend, vroeg ik, waarom dan nog getreurd?
Om niets, neen, tenzij, beaamde die, tenzij om onvolbrachte jaren,
En wanhoop. Hoop die ook jouw deel was,
Deed ook mijn leven leven; ik heb gejaagd
Op al wat wild en schoon was in de wereld,
Wat niet in kalme ogen of gevlochten haar te lezen valt
Of maalt om dat gestage trage van de tijd,
En als het lijdt, dan aan een rijker pijn dan dit.
(Wilfred Owen, uit: Strange Meeting, eigen vertaling)

Waar zij het dus in hun hoofd halen, krijgt wellicht in het onuitwisbare beeld van 'Owen's' Maison Forestière zijn ultieme vorm. Literair reizen wordt zodoende een onwillekeurige act van verwijlen in een ingebeelde en tegelijk uiterst reële mentale ruimte die het moeiteloos lukt je op ongemeen intense manier deelachtig te maken aan de perceptie van de implicaties van welke oorlog, waar en wanneer ook. Op een uitgelezen manier biedt het een inkijk op de complexiteit en verwevenheid van loyauteiten en idealen, van de Foucaultiaanse slingerbeweging tussen begoocheling en ontgoocheling, tussen prestatie (lees: fierheid) en verkwisting (lees: nood en lijden). De werkzame factor ligt daarbij voornamelijk in het unieke perspectief dat een literaire slagveldentocht aanreikt, en een manier waarop de tijd, de mens en het natiebesef zich in de complexiteit van een zich steeds vervormend netwerk met elkaar verknopen, hun plaats zoeken en die heel soms zelfs nog vinden, ook.
Het is ten slotte een probate remedie voor die lieden wie het - door moedwil of misverstand - alsnog zou ontgaan dat 'the essence of tyranny is the denial of complexity'. Waarbij zich dan weer die logische, hoewel nog steeds niet overbodige randbemerking opdringt dat onze reiziger-in-de-geest, die zich willig aan dat 'wandelen al peinzend' had overgegeven, daar bij voorbaat al helemaal niet meer van overtuigd hoorde te worden.

Ten slotte. Na straks honderd jaar is het adagium 'Remembering, lest anyone forget' haast onvermijdelijk tot een sleetse, bordkartonnen dooddoener verworden, sinds lang op snelheid gepakt door het voorthollende tijdsgewricht waar Siegfried Sassoon even alert als vroegtijdig en vrijwel op profetische, op anticipeerde:

Have you forgotten yet?
For the world's events have rumble don since those gagged days,
Like traffic checked while at the crossing of city-ways (…)
(S.S., Aftermath, maart 1919 (!)

Rijst dus de vraag of de post-postmodernistische mens uit het derde millennium er dan niet beter aan deed achteloos voorbij te fietsen aan de 'laatste' restanten van welke overgroeide, vervallen of verbleekte oproep om niet te vergeten ook, zijn paard daarmee de sporen gevend op de manier waarop W.B. Yeats hem vanuit zijn graf, stoïcijns of onverschillig - wie heeft het antwoord? - als laatste advies op het hart drukte:

Cast a cold Eye; on Life, on Death. Horseman pass by.

Niettemin manifesteert zich bij momenten die onvergelijkelijke intersectie tussen de anekdotiek van het relaas van leven en/of dood van de particuliere kleine mens, burger, soldaat of dichter, en de universele condition humaine in oorlogstijd an sich. In het geval van Owen en anderen andere spoort die anekdotische lijn dermate volledig met de universele lijn, waardoor de toevallige passant, daargelaten of hij lezer-beschouwer of slagveldbezoeker-aanschouwer is, ineens die onvermoede scherptediepte te beurt valt, waardoor het particuliere zich in het universeel (h)erkenbare en valabele transformeert, dat in betekenisvolle zelfbespiegeling resulteert. Het doet er in voorkomend geval nauwelijks nog toe of de buitenwacht of de deelnemer zelf een dergelijk belevingsmoment ad libitum als basaal religieus dan wel als filosofisch-archetypisch wenst te duiden.

Juni 2007
Chris Spriet
ondervoorzitter Vrienden van het In Flanders Fields Museum, Ieper

Gepubliceerd op deze website 05/10/2008.