| Tekst overgenomen naar aanleiding van de Remembrance
op donderdag 4 september 2008, georganiseerd door de Vrienden van het In Flanders
Fields Museum. Op de nationale Franse begraafplaats van Saint-Charles
de Potyze in Ieper liggen zestien graven van tirailleurs sénégalais.
Dat zijn zestien van de minder dan honderd namen die we op vandaag kennen van
de enkele duizenden West-Afrikaanse koloniale soldaten die hier tijdens de Eerste
Wereldoorlog vochten. Naar schatting sneuvelden in Vlaanderen meer dan duizend
tirallteurs sénégalais in dienst van Frankrijk. Zij vielen hier
op twee momenten in de oorlog: aan het begin, bij Diksmuide, tussen einde oktober
en 10 november 1914; en aan het einde, tijdens het bevrijdingsoffensief, in de
buurt van Meulebeke (Marialoop), Dentergem en de Leie, in de tweede helft van
oktober 1918. Dat zijn de twee enige momenten in de oorlog waarop troepen uit
West-Afrika in Vlaanderen werden ingezet. Ze behoorden allemaal tot de regimenten
van de tirallteurs sénégalais, maar eigenlijk kwamen ze uit heel
koloniaal West-Afrika. In het lijstje zien we mensen uit Senegal, Guinée,
Mali en Benin. Een sergeant en een ziekenbroeder kwamen uit Frankrijk. 
Klik
op de afbeelding voor een grotere weergave. (Doodsoorzaak: M= maladie, overleden
van ziekte; T- Tué á l'ennemi, gesneuveld op het slagveld; B: blessures
de guerre, bezweken aan verwondingen; D: porté disparu, vermist.) Twaalf
van de namen zijn verbonden aan de verdediging van Diksmuide. De twee bataljons
tirallteurs sénégalais die aan de gevechten deelnamen, behoorden
tot West-Afrikaanse troepen die aan de vooravond van de oorlog in Algerije waren
gestationeerd, vandaar de naam Bataillons de tirailleurs sénégalais
d'Algérie. Ongeveer drieduizend van hen kwamen op 26 oktober 1914 bij Lo
aan. Ze werden in drie groepen ingedeeld en ingezet bij Diksmuide, Drie Grachten,
Luigem en Sint- Elooi (daar vnl. de blanke troepen van het koloniale detachement
dat als versterking naar Vlaanderen was gestuurd). Minder dan de helft zou drie
weken later terugkeren naar Hoogstade, waar ze terug verzamelden om van daar te
vertrekken naar Fréjus (Var). De twee laatste namen zijn verbonden
aan de gevechten bij Roeselare en verder naar het oosten (Meulebeke, Dentergem,
tot aan de leie). In die gevechten vochten drie bataljons tirailleurs sénégalais
(43, 45 en 75 BTS) uitgestuurd als versterking van de 132e Di. Meer dan honderdvijftig
leden sneuvelden. De meesten van hen liggen begraven in Machelen aan de Leie,
of op de stedelijke begraafplaats van Roeselare. De Senegalezen troffen
het niet in de gevechten langs het Westelijke Front. Zeker niet in Frankrijk waar
er meer dan 30.000 sneuvelden. Maar ook niet bij ons. Vooral de omstandigheden
van de eerste gevechten tijdens de IJzerslag en de Eerste Slag bij leper waren
afschuwelijk. Ten bewijze twee citaten van Max Deauville die hen al op
de eerste dag in Vlaanderen zag: Max Deauville in Jusqu'àI'Yser : «De
Senegalezen komen voorbij: lang, mager, slungelachtig en met de glimlach, precieus
stappend als ooievaars. Buitenmaats groot zijn ze. Hun lange nekken steken uit
hun kragen, en op hun kleine ronde hoofdjes staat een fez. Ze dragen de kleine
blauwe jas van de overzeese gebieden, en een pofbroek. Velen lopen blootvoets,
hun laarzen dragen ze in de hand.(26/10/1914). Ze worden daarop ingezet
voor de verdediging van Diksmuide door Ronarc'h, de bevelhebber van de fusiliers
marins. Al snel ziet Deauville dat ons klimaat moordend is voor hen. M. Deauville
(op 2 november): "s Morgens komen in de vernielde straat Senegalezen voorbij.
Ze dragen hun kameraden op de rug. Die arme duivels lopen op blote voeten. Aan
het eind van hun magere benen bungelen hun voeten, gezwollen als kinderhoofdjes.
Elke dag komen er hier wel 15 aan met bevroren voeten. Ze zien erg af. Dikke tronen
biggelen langs hun vale wangen." Op 10 november 1914 de dag waarop
Diksmuide valt, sneuvelen de meesten, zeker honderden, misschien wel duizend in
totaal. Een van hun Franse officieren, Alfred Guignard, beschrijft hoe ze ter
hoogte van de stedelijke begraafplaats van Diksmuide ten onder gingen. Hij beschrijft
hoe ze aanvielen en een veeltalig ritmisch gezang aanhieven in de stormloop tegen
de Duitse overmacht, een melopee die verstomde in het Duitse vuur. "Op 50
meter van de Duitse lijn, verscheuren de Duitse mitrailleurs het zwarte vlees
... "A cinquante mètres, la mitraille faucha la chair noire.
Sous les volées, mourant pour toujours, avec les morts, l'hymne unique
s'affaiblit, puis se tut, mais il a droit à d'éternels échos
dans l'histoire." 
De
geschiedenis en ook de herdenking hebben hen echter haast volledig vergeten ...
|