Artikel overgenomen uit het 'In Flanders
Fields Magazine', 12e jaargang, januari 2010 Tijdelijke tentoonstelling
24 april - 15 augustus 2010 In
Flanders Fields Museum Ieper Het Chinese Labour Corps Met
het sturen van arbeiders naar het westerse front streefde de in 1911 opgerichte
Chinese republiek een dubbele agenda na: enerzijds de Europese mogendheden overtuigen
het nieuwe China een betrouwbare partner voor de westerse mogendheden kon zijn,
en anderzijds wilden de Chinese autoriteiten voor zichzelf een plaats bemachtigen
op de naoorlogse vredesconferentie. Al in juni 1915 bood de Chinese overheid de
geallieerden aan om Chinese arbeiders in Europa in te zetten. Hoewel de Britse
overheid het eerst van de hand wees, ging ze na de zware verliezen bij de Somme
in 1916, alsnog op het Chinese voorstel in. Inmiddels waren de Fransen wél
al begonnen met het rekruteren van arbeiders. Chinese arbeiders op weg
door Vlamertinge 
Praktische
overwegingen leiden er toe dat de Britten hun rekrutering voor het Chinese Labour
Corps (CLC) concentreerden in Weihaiwei en later Qingdao, twee concessies gelegen
op het noordelijke schiereiland Shandong. De voorwaarden waren aantrekkelijk genoeg
om vele tienduizenden, vooral arme boeren, er toe aan te zetten in te schepen
naar een continent waarvan de meesten amper wisten dat het bestond. Hoewel het
loon dat de arbeiders ontvingen naar westerse maatstaven gering was, was het toch
nog altijd vier keer zoveel als wat de arbeiders in Shandong zouden ontvangen.
Bovenop het loon ontvingen de arbeiders voedsel, kleding, onderdak en medische
verzorging. Een deel van het loon werd opgestuurd naar de familie in China. De
eerste lichting van ca. 1.000 arbeiders arriveerde in Europa in april 1917. Hun
aantal onder Brits bevel zou tussen 1917 en 1920 oplopen tot een kleine 95.000.
Het Franse leger had 44.000 arbeiders in dienst. De arbeiders werden georganiseerd
in compagnies van 300 of 500 man onder leiding van een Britse officier, met elke
compagnie onderverdeeld in pelotons onder leiding van Britse en Chinese onderofficieren.
Eugène Burnand: "Travailleur Chinois" (uit: Les alliés
dans la Guerre des Nations) 
Meestal
werden de arbeiders ingezet voor constructie- en afbraakwerk, wegenaanleg, het
graven van de loopgraven en ontruimen van de slagvelden, werk aan de spoorwegen,
het laden en lossen van schepen en treinen. Na de wapenstilstand in 1918 liep
hun contract nog en werden de arbeiders tot begin 1920 ingezet bij het opruimen
van de slagvelden en de aanleg van de oorlogsbegraafplaatsen in België en
Frankrijk. De arbeider van het CLC werd algemeen beschouwd als een goede werkkracht
die zich aan elk soort arbeid aanpaste. "The Chinaman is versatile and
adaptable. He can handle stores and do other things for which a certain intelligence
and initiative are required. But he makes a very good coolie also, and can pile
or unload timber all day without feeling the strain", aldus de correspondent
van de Times. Hun vrije tijd brachten de arbeiders in hun eigen kampen
door met muziek spelen, liederen zingen, het kweken van honden, kippen en poezen.
De voornaamste vrijetijdsbestedingen bleven echter het theedrinken en gokken.
Ook lieten de Britse officieren toe dat de Chinese feestdagen voor de arbeiders
als feest- en vakantiedagen golden, hoewel dit door misverstanden niet altijd
werd gerespecteerd. Hun contract stelde duidelijk dat de Chinese arbeiders
niet als strijders werden beschouwd en niet in de nabijheid van gevaarlijke plaatsen
mochten werken. Toch werden de arbeiders blootgesteld aan grote risico's. Het
kon al mislopen tijdens het transport: op 17 gebruari 1917 werd de mailboot Athos
door de Duitsers tot zinken gebracht. Ongeveer 500 Chinese arbeiders op weg naar
Europa kwamen daarbij om. Na augustus 1917, wanneer China Duitsland de oorlog
verklaarde, werden de arbeiders dichter bij de frontlijn ingezet om loopgraven
te herstellen en munitie aan te voeren. Hun kampen achter de frontlijn waren ook
geen garantie op veiligheid, zoals blijkt uit de Duitse granaten die in de buurt
van Reningelst inslaan op 15 november 1917 en 12 april 1918 en respectievelijk
dertien en vier arbeiders fataal werden. Vandaag liggen bijna 2.000 Chinese arbeiders
begraven in Noord-Frankrijk en de Westhoek, de meesten tussen Britten, Fransen
en soms Duitsers. Een servetring in email, met de tekst Vive Labeur en
de Chinese tekst: "Heer, geef me vrede in dit leven" (Collectie Philippe
Oosterlinck) 
Dat
de Britse overheid er prat op ging dat de arbeiders in Britse dienst onder een
veel strakkere discipline en met beperktere bewegingsvrijheid zaten dan hun collega's
bij de Fransen, weerhield de arbeiders er niet van om contact te zoeken met de
plaatselijke bevolking. In de getuigenissen van Vlaamse burgers uit de Westhoek
nemen de Chinese arbeiders een aparte plaats in. De mensen uit de Westhoek spreken
in de regel over "Tsjings", wat afgeleid is van de zeer kleinerende
Engelse term Chinks. Achiel Van Walleghem, pastoor van Dikkebus, omschreef op
6 augustus 1917 de Chinese arbeiders als "Geel van kleur, met platten neus
en scheve ogen hebben ze bijna altijd eenen dwazen glimlach over zich en kijken
bijna gedurig rond, zoodanig dat het te verwonderen is dat er op onze overlemmerde
wegen nog geene verongelukt zijn". De plaatselijke middenstand zag de arbeiders
graag komen. Volgens Van Walleghem zochten ze altijd het beste en mooiste en was
het verspilde moeite hen rommel aan te smeren. Hij wist niet wat ze verdienden,
maar merkte wel op dat sommigen veel geld bij zich droegen. Het meest gegeerd
waren volgens hem horloges en ringen. "Dezer dagen kwam ik een Chineesch
tegen die aan iederen arm een monterke droeg, wat was hij preusch (trots) toen
hij zag dat ik zijn monters bezag". De wapenstilstand van 11 november
1918 markeerde een duidelijk keerpunt in de perceptie van de Chinese arbeiders
door de burgerbevolking. Getuigenissen spreken niet meer over lachende en hard
werkende kerels, maar over gevaarlijke individuen die moordend en rovend door
de streek dwaalden. Het liep inderdaad in 1919 grondig mis tussen burgers en arbeiders.
Om te beginnen zorgde de terugtrekking van de Britse troepen voor een toenemende
laksheid in het handhaven van de discipline in het CLC, waardoor de arbeiders
vaker doelloos rondhingen. De arbeiders kregen ook minder aangename taken, zoals
het risicovolle bergen van onontplofte munitie en het herbegraven van de honderdduizenden
doden. Combineer dit alles met een sterk gevoel van heimwee en het is duidelijk
dat de Europese ervaring voor vele arbeiders zijn tijd had gehad. De burgers die
terugkeerden van hun kant troffen een verwoeste en desolate streek. De jarenlange
vijand was wel verdwenen, maar heel de streek liep vol vreemd volk: losgelaten
Duitse krijgsgevangenen, stropende burgers en "rare snuiters, opvallend gekleed,
raar in eetgewoonten en raar in taal". Er ontstond achterdocht, waardoor
onopgeloste moorden en andere misdaden al snel in de schoenen van vreemd volk
werd geschoven. Dat de arbeiders na de oorlog hielpen bij het opruimen van de
streek, is een realiteit die in de meeste getuigenissen ontbreekt. Affiche
van de propagandafilm "On the way to the front with the Chinese Labour Corps"
(Paramount Pictures) 
De
tentoonstelling Na dead.lines (2002), Vluchten voor de oorlog (2004),
De Laatste Getuige (2006) en Mens-Cultuur-Oorlog (2008) is Sjouwers voor de Oorlog
de vijfde van de tweejaarlijkse grote zomertentoonstellingen van het In Flanders
Fields Museum, en tevens de laatste die zal plaatsvinden in het museum "oude
stijl". Het thema komt eigenlijk voort uit de vorige tentoonstelling Mens-Cultuur-Oorlog
waarin de multiculturele aspecten van de Eerste Wereldoorlog centraal stonden.
Immers, terwijl er vanaf 1916 niet minder dan ruim 140.000 Chinese arbeiders naar
West-Europa werden verscheept, is dat gegeven toch maar bitter weinig bekend bij
het grote publiek, en dat terwijl er wel voldoende tentoonstellingsmateriaal en
bronnen voorhanden zijn. Het werd dus hoog tijd dat de belangrijke bijdrage van
de Chinese arbeiders aan de geallieerde oorlogsinspanning en de bijzondere positie
van de Chinezen aan het westelijk front in een aparte tentoonstelling werd belicht.
Voor de inhoudelijke uitwerking van de tentoonstelling konden we nauw samenwerken
met het stadsarchief van Weihai dat eerder een tentoonstelling en een conferentie
hierover organiseerde. Onmisbaar is ook de bijdrage van dr. Philip Vanhaelemeersch,
een sinoloog verbonden aan het Ferdinand Verbiestinstituut van de Katholieke Universiteit
van Leuven. De affiche van de tentoonstelling met Chinese arbeiders
in een munitieopslagplaats in Proven, 1917 
"Sjouwers
voor de oorlog" is een onderdeel van het Europese Interregproject 'De Grote
Oorlog herdacht', dat van 2008 tot 2012 langsheen het Westelijke Front, van West-Vlaanderen
tot op de Chemin des Dames, initiatieven en projecten omtrent de Eerste Wereldoorlog
samenbrengt. Vier prestigieuze musea brengen zo een gemeenschappelijk verhaal
van migraties in de Eerste Wereldoorlog. Na het In Flanders Fields Museum volgen
nog tentoonstellingen over de migratie van burgers (Caverne du Dragon, Chemin
des Dames), van militairen (Musée de Flandre, Cassel) en migraties gezien
door kunstenaars (Historial de la Grande Guerre, Péronne). De tentoonstelling
heeft dus ook een inleidend deel die dit benadrukt. Voor het ontwerp staat
het Nederlands-Duitse bureau Totems in dat al eerder zijn sporen verdiende met
onder meer ontwerpen voor het Hermitage Amsterdam en voor verschillende paviljoens
op de jongste wereldtentoonstellingen. Totems bedacht voor Sjouwers voor de Oorlog
een vijftal grote "poorten" die ons enigszins doen denken aan Chinese
bouwwerken. De tentoonstelling wordt consequent viertalig: Nederlands,
Engels, Frans en Chinees. Naar aanleiding van de tentoonstelling zal ook een publicatie
verschijnen. Dominiek Dendooven Gepubliceerd 06/04/2010. |