|
Auteur: Katrien
François
Titel : Marie Elisabeth Belpaire en Koningin Elisabeth : een briefwisseling
(1917-1919)
Boek: Aline Dereere en Helga Van Beeck (red.), Marie Elisabeth Belpaire
(1853-1948). Facetten van een levenswerk.
Jaar: 2002
Plaats: Antwerpen (Stichting Marie Elisabeth Belpaire vzw)
Pagina-aanduiding: pp. 137-162
Statuut: gepubliceerd
Marie Elisabeth Belpaire en Koningin Elisabeth: een briefwisseling
(1917-1919)
Dit artikel belicht in eerste instantie de inhoud van de eenzijdige
correspondentie tussen Marie
Belpaire en Koningin
Elisabeth, die plaats had vanaf eind december 1917 tot eind
december 1919, met enkele uitlopers tussen november 1932 en juli
1935. Tevens wordt gepoogd een summier beeld op te hangen van de
omstandigheden waarin deze briefwisseling tot stand kwam, alsook
van de relatie tussen beide vrouwen. Deze bijdrage onthoudt zich
van kritische commentaar op gebeurtenissen en derden waarover sprake
in de briefwisseling.
,,Mais il n'y a plus aucun contact entre nos personnalités
si différentes et mon cur en souffre. Que faire ? Je
ne puis demander à Votre Majesté, comme à une
simple particulière, un commerce épistolaire, mais
il me semble qu'Elle trouvera bien dans les ressources de Son cur
de quoi satisfaire ma satisfaction et ma sollicitude.'' Het
is 13 december 1918, de oorlog is voorbij en Marie
Elisabeth Belpaire schrijft haar 129ste brief naar Koningin
Elisabeth. Uit de woorden vloeit een onmiskenbare tristesse, verzoet
door een dun laagje hoop: sinds haar audiëntie bij de Koningin,
dag op dag een jaar geleden, voert Belpaire een intensieve correspondentie
met de vorstin. Die ontmoeting ,,fut le début de ces relations
où Votre majesté a mis toute son exquise délicatesse
et m'a permis d'entrevoir tous les trésors de sa sensibilité
et les ressorts de son énergie - jour vraiment béni
pour moi.'' Na het vertrek van koningin Elisabeth uit De Panne,
op 24 oktober 1918, slaagt Belpaire er nauwelijks in haar emoties
te temperen. Tijdens de afgelopen maanden groeide Elisabeth uit
tot veel meer dan een invloedrijke relatie, een bondgenote in de
strijd tegen menselijk leed en een baken van troost: voor Belpaire
werd de koningin een vriendin. Een lichtpunt waarvan een melancholische
ziel als 'Mamieke' maar met moeite afscheid kon nemen.
Op 9 oktober 1914 ontvlucht Belpaire op advies van haar neef-aalmoezenier
Jules Belpaire het bezette Antwerpen. Ze doet dat in het gezelschap
van haar nicht Elisabeth Mansion, haar neef-kapelaan Jan Belpaire,
haar trouwe medewerkster Louisa Duyckers en twee dienstmeiden. Het
is de bedoeling in Gent bij Mansions ouders te verblijven, maar
omdat ook daar de toestand onveilig is, zet de tocht zich verder
naar De Panne. Belpaire is eenenzestig en de vlucht valt haar zwaar.
Na een reis van vijf dagen betrekken de vrouwen - Jan Belpaire zijn
ze inmiddels uit het oog verloren - de Villa Joliette aan
de zeedijk, die toebehoort aan een van Belpaires broers. Belpaire
denkt er maar vier dagen te blijven,maar de oorlog beslist daar
anders over: de bejaarde dame met de wijde zwarte mantel, grijze
vlechten en blauwe ogen zal vier jaar lang deel uitmaken van het
leven in de kuststad. Reeds kort na haar aankomst verhuist Belpaire
met haar gevolg naar de Swiss Cottage, eigendom van de familie
Collon, die in november 1914 naar Engeland vertrekt. De Swiss
Cottage ligt aan de Koninginnelaan, een zijstraat van de
Boulevard van Duinkerken die parallel loopt met de zeedijk. De sympathieke
villa zal de thuishaven worden voor ,,talrijke bezoekers, simpele
piotten, brankardiers, officieren, priesters, kunstenaars /
/
die, half ontredderd soms, bij het 'Swiss Cottage' aanlandden, het
hekje open, het trapje op en in 't gezellig kamerken met z'n breede
vensterruiten /
/ zich seffens een weinig thuis gevoelden?
" (priester-aalmoezenier August Nobels: Juffrouw Belpaire
in de Yzerstreek, in Ons Volk Ontwaakt, 6 augustus 1922).
Hoewel ze niet ongevoelig blijft voor de sociale ellende waarmee
ze plots geconfronteerd wordt, zegt Belpaire zelf dat ze bij haar
aankomst in De Panne niet meteen in actie schiet. Aanvankelijk verveelt
ze zich stierlijk en wordt de tijd gedood met godsdienst en lange
strandwandelingen.
Dezelfde herfst resideert ook het vorstenpaar in De Panne. Samen
met hun drie kinderen, Leopold, Karel en Marie-José bewonen
Albert en Elisabeth sinds medio oktober 1914 de meest westelijke
villa aan de zeedijk, de Villa Maskens. Een ietwat afgelegen,
eenvoudig huis dichtbij de plaats waar Leopold I in 1831 vanuit
Engeland voet aan wal had gezet. De aanwezigheid van de vorsten
verandert het eens zo rustige zomerverblijf in een ontmoetingsplaats
van personaliteiten en staatshoofden. Maar in De Panne leven Albert
en Elisabeth meer dan ooit ook tussen hun volk, en krijgt ook Belpaire
mensen van vlees en bloed te zien.
Op Allerheiligen 1914 bijvoorbeeld bemerkt ze de koning met zijn
,,aide-de-camp". Hoe dicht Albert haar nadert, weten we niet
maar ,,Zijne gestalte was licht te herkennen, afgetekend op het
wijde van strand, zee en hemel." Op Paasdag 1915 deelt
Koningin Elisabeth chocolade en bloemen uit aan de gekwetsten van
het legerhospitaal l'Océan, en op de eerste zondag
na Pasen ontwaart Belpaire de prinsenkinderen in een bootje op de
kleine vijver achter de koninklijke villa. Eind augustus van dat
jaar wordt de nieuwe kapel van l'Océan ingewijd. Ze draagt
de naam van de koningin, die de viering bijwoont. Toen al moeten
Belpaire en de vorstin elkaar gesproken hebben want in haar mémoires
'Gestalten in 't Verleden' vertelt Belpaire hoe Elisabeth haar verdrietig
inlicht over de ongelukkige dood van haar conciërge tijdens
Engelse vliegraids. Ook Allerheiligen 1915 viert Belpaire in het
gezelschap van de koningin, in dezelfde kapel. En in december van
dat jaar slaagt ze erin een geschenk van Francis de Croisset, zoon
van een rijke helper van Leopold II, aan de koningin te laten bezorgen.
Naarmate de tijd verstrijkt, lijken almaar plechtstatiger gebeurtenissen
het pad te effenen voor de audiëntie bij Koning Albert op 15
augustus 1917. Op 31 mei 1916 decoreert de koning aalmoezenier Rooses
in l'Océan, en informeert bij die gelegenheid naar
het welzijn van Belpaire en haar familie. De koning moet haar zeker
gekend hebben omwille van haar 'Open Brieven' in De Belgische Standaard
- waarop Albert volgens Belpaire geabonneerd was - en waarin ze
later de lof van het vorstenpaar zal zingen (cfr De Koning te Oostende.
Een sprookjesverhaal, in De Belgische Standaard, 22 oktober
1918). Dat sterk ontwikkeld royalisme zit Belpaire trouwens in het
bloed: haar vader Alphonse Belpaire componeerde het gelegenheidslied
'Vaderland' voor het bezoek van koning Leopold I aan Antwerpen in
1848. Koningin Louise-Marie wordt zo mogelijk nog geestdriftiger
bejubeld door Betsy Teichman, Belpaires moeder. Zijzelf verbloemt
al evenmin haar bijna puberale adoratie voor koning Albert.
Wanneer Belpaire op 22 juli 1917 van de Franse Minister Raymond
Poincaré, in het bijzijn van de vorsten, een decoratie ontvangt
in het salon van de koninklijke villa, herinnert de 42-jarige Albert
haar onmiskenbaar aan haar oudere broer ,,met zijn hooge gestalte,
zijn open gelaat, die onschuld /
/ ". In 'Onze Dynastie',
een artikel van mei 1937, beschrijft ze de onvergetelijke indruk
die Albert nalaat op die bewuste 15de augustus van het derde oorlogsjaar,
om 10 uur 's ochtends: ,,Hoe het ook zij, ik stond op den voormiddag
van mijn feestdag, plots in bijzijn van den Vorst die ik zoo dikwijls
langs het strand had zien stappen. Wat een indruk! De uiterste eenvoud,
ja, een zekere schuchterheid, de langzame, soms bijna aarzelende
spraak, maar vooral de volkomene rechtschapenheid van een eerlijk
man - hoe trof dat reeds bij 't eerste zicht. Onvergetelijk oogenblik!
" Maar niet alleen Belpaires vooraanstaande afkomst, aangeboren
patriottisme en uitgebreide waaier aan activiteiten naar burgers
en soldaten toe, lagen aan de basis van de audiëntie. Het is
bijna zeker dat Belpaire dit memorabele bezoek mede te danken heeft
aan Jules Ingenbleek, sinds 1912 secretaris van het vorstenpaar,
Vlaamsgezind en geïnteresseerd in haar werk.
Het is ook Ingenbleek die de eerste ontmoeting tussen Belpaire
en koningin
Elisabeth bewerkstelligde. Ingenbleeks interventie belette haar
echter niet om zelf het heft in handen te nemen: enkele dagen voor
de audiëntie bij de koningin schrijft ze een brief aan Gravin
de Caraman de Chimay, hofdame en vriendin van Elisabeth, met de
vraag enige exemplaren van Aujourd'hui et Demain én
diens Nederlandstalige tegenhanger Omhoog - het orgaan van
de 'Vrouwenbond Constance Teichmann' dat vrouwen voorlichtte omtrent
de verzorging en opvoeding van hun kinderen - aan de vorstin over
te maken. Koningin Elisabeth had zich inmiddels een filantropische
reputatie opgebouwd door hospitalen, tehuizen voor herstellenden
en opvanghuizen voor weeskinderen te patroneren. Ze droeg ook het
erevoozitterschap van het Engels-Belgisch Comité ten voordele
van het Rode Kruis dat instond voor ravitaillering, kledij en sigaretten.
Bovendien was onder haar impuls het voormalige hotel l'Océan
vanaf februari 1915 omgebouwd tot hospitaal voor gekwetsten.
Het is inmiddels bekend dat de koningin er een verpleegopleiding
volgde, en er een of twee keer assisteerde bij operaties. Nog later
zou l'Océan zich trouwens pal naast de Swiss Cottage
uitbreiden: in de Villa des Dunes, rechts van de Swiss
Cottage, konden de troepen die op rust kwamen, zich baden.
In de villa links van Belpaires verblijfplaats werd een atelier
ondergebracht om de gewassen en gestreken uniformen te repareren.
Rechtover de Swiss Cottage stond de Quatre Vents,
de woning van mevrouw Rolin, die de hele organisatie leidde.
Toeval of niet: op 13 december 1917, bijna één maand
nadat Elisabeth de Bretoense schrijfster Colette Yver (alias Antoinette
de Bergevin) had ontvangen, is het de beurt aan Belpaire. Om 10
uur 's morgens haalt een koninklijke auto haar op voor een bezoek
aan de koningin. Niet in De Panne zelf zoals dat bij de koning het
geval was maar in de Moeren, waar het vorstenpaar tussen 20 juli
1917 en 1 augustus 1918 in de kasteelhoeve Sinte-Flora verbleef.
De reden van dit tijdelijke onderkomen lag in het bombardementsgevaar
voor de Villa Maskens. Dit belette niet dat de vorsten af
en toe een dag doorbrachten in de koninklijke villa. Merkwaardig:
vertelt Belpaire in haar mémoires uitgebreid over haar onderhoud
met Albert, dat ze vrij minutieus kan reconstrueren aan de hand
van Louisa Duyckers' aantekeningen, dan houdt ze de lippen op elkaar
over het gesprek met Elisabeth. Ze lost niets meer dan de volgende
lijnen: ,,Iedereen zal begrijpen dat zwijgen mij opgelegd is
én door de vriendschap én door de vereering, maar
ik mag toch zeggen wat al goed uit deze benadering vloeide, daar
ik voortaan die Moeder aller Belgen rechtstreeks op de hoogte kon
stellen van vele toestanden. Dat haar hart altijd gereed stond om
hulp te verlenen, recht te laten wedervaren, kunst en liefdadigheid
te bevorderen, is ten algemeen gekend om er den nadruk op te leggen".
Ook in 'De Vier Wondere Jaren', haar oorlogsboekje bij uitstek,
rept ze met geen woord over haar relatie met de drieëntwintig
jaar jongere vorstin. Uit oprechte discretie? Uit voorzichtigheid
? Verschillende motieven kunnen spelen maar vast staat dat koningin
Elisabeth, ondanks haar onconventionele imago, erg op protocol gesteld
was. En tot op vandaag apprecieert het protocol niet dat contacten
met leden van de koninklijke familie en public uit de doeken
gedaan worden.
Meteen na de koninklijke ontmoeting kruipt Belpaire
in de pen. Tussen 24 december 1917 en 23 december 1919 schrijft
ze honderd negenentachtig brieven naar de koningin. Zonder uitzondering
in het Frans, hoewel Belpaire beweert in De Panne vlot Nederlands
te hebben geleerd en ze ervan overtuigd is dat ook de koningin die
taal goed beheerst. Het overgrote deel van die correspondentie wordt
geproduceerd in De Panne, één exemplaar schrijft ze
vanuit Cannes (op 18 Januari 1918), en vanaf 11 november 1918 correspondeert
Belpaire opnieuw vanuit haar huis aan de Markgravelei. Op drie exemplaren
na zijn alle brieven door haar gedateerd en ondertekend. Aangezien
de Swiss Cottage en de Villa Maskens op wandelafstand
van elkaar lagen, worden de brieven niet met de post verstuurd.
Belpaire geeft elke brief mee met een dienstbode - zelf spreekt
ze van een ,,facteur" (dd 28 oktober 1918) - die de
correspondentie doorspeelt aan Gravin de Caraman maar vermoedelijk
frequenter aan Jules Ingenbleek.
Koningin Elisabeth heeft Belpaire tijdens hun persoonlijk onderhoud
klaarblijkelijk aangemoedigd zich voortaan vrij tot haar te richten.
Ze laat dan ook van meet af aan geen kans onbenut om militairen
en burgers in nood een dienst te bewijzen. In het algemeen kunnen
we stellen dat Belpaire zich de rol toe-eigent van voorspreekster
voor de Vlamingen, bemiddelaarster en informante over kwesties die
de koningin volgens haar te weinig of helemaal niet kent, maar waar
ze haar invloed kan laten gelden. Belpaire weet het wel zeker: koningin
Elisabeth heeft ,,une mission de protectrice des humbles et des
artistes" (dd 17 maart 1918) en zij zal haar daarin graag
bijstaan. Reeds na zes maanden corresponderen verbaast het Belpaire
welke legendarische proporties de faam van de koningin als hulpverleenster
aanneemt: ,,C'est comme s'il n'existait pas un ministre."
(dd 19 juni 1918) De tandem krijgt voor haar zelfs een romantisch-heroïsch
tintje wanneer ze alludeert op de band tussen Florence Nightingale
en Queen Victoria: ,,Je fais aussi un retour sur moi-même,
en ce sens que Miss Nightingale était soutenue par la Reine
Victoria, comme Votre Majesté veut bien appuyer mon action.''
(dd 16-8-1918)
Belpaire had voldoende contacten om haar te informeren over het
reilen en zeilen aan het front en in de ziekenhuizen: onder meer
legeraalmoezeniers August Nobels en Jan Bernaerts, en brancardiers
Dirk Vansina en Stefan Strijmans. Elisabeth Mansion werkte als verpleegster
in l'Océan en een andere nicht, Hedwige Belpaire-Rieth
bestuurde het verpleegstershome 'Club Royal Elisabeth' in Cannes,
waarvoor de koningin de Villa Henri IV aan de Promenade de
la Croisette ter beschikking had gesteld. In de briefwisseling van
1917 en 1918 tekenen zich grosso modo drie hoofdthema's af: militaire
aangelegenheden waaronder de wantoestanden in de Noord-Franse strafkampen
Anvours en Fresnes (respectievelijk 2-2-1918 en 16-9-1918) en de
onderzoekscommissie die erheen trekt (dd 4-8-1918), alsook de mistoestanden
in hospitalen van het Belgische leger in Frankrijk zoals het Col
de Caire in Cap-Ferrat, waarover Belpaire vertrouwelijke info
probeert in te winnen (dd 17-5-1918 en 30-8-1918). Sommige berichten
belichten de zedeloosheid aan het front (dd 1-3-1918), een van de
redenen waarom Belpaire Omhoog naar de koningin doorstuurt:
het bevat artikels over de acties van de Engelse Mrs Butler, die
in Engeland een verwante strijd tegen de immoraliteit voert. Andere
militaire kwesties zijn het spionagesysteem aan het front (16-8-1918)
en de mentale toestand bij de soldaten (dd 11-6-1918 ). Onder Belpaires
politieke reflecties ressorteren de Vlaamse kwestie (zie verder),
evenals haar afkeuring ten opzichte van het algemeen stemrecht en
het socialisme (dd 22-10-1918). Een uitgebreide lading brieven informeert
ons over allerlei nieuwe initiatieven die Belpaire met behulp van
de koningin wil opstarten, zoals de 'Cercle Elisabeth', een vrije
groepering voor verpleegsters (dd 17-7-1918) die hun materiële
en morele belangen moet behartigen en waarvoor ze ook een beroep
doet op Hedwige Belpaire. Binnen die organisatie ambieerde Belpaire
trouwens ook een mutualiteit op te richten. Een gelijkaardig maar
bescheidener project dan de 'Club Royal Elisabeth' was het home
in Entretat (dd 30-8-1918). Tenslotte moeten allerhande culturele
initiatieven zoals exposities, toneelvoorstellingen en een vereniging
van artiesten het moreel van de soldaten opkrikken (respectievelijk
dd 15-5-1918, 22-4-1918 en 24-7-1918). De aangehaalde brieven zijn
slechts exemplarisch.
Minimum vijftien brieven bevatten verzoeken voor familieleden
van Belpaire. Dat lijkt weinig maar is uiteindelijk vrij veel omdat
ze initieel géén gunsten voor zichzelf wou bekomen:
,,Je m'étais bien promis de ne jamais ennuyer Votre Majesté
de mes affaires personnelles ou de famille /
/''. (dd 4-4-1918)
Maar in april 1918 is de ongerustheid over haar veertienjarige petekind
Alphonse Belpaire te groot om er koningin Elisabeth niet over aan
te spreken (dd 4-4-1918). Marie wil dat hij naar Cannes gaat om
er te herstellen van een bronchitis. Dat gebeurt ook en op 16 juni
1918 sluit Belpaire een brief in, eigenhandig door Alphonse geschreven
vanuit Frankrijk. Andere brieven breken een lans voor de inzet van
Hedwige Belpaire (dd 16-6-1918) of bepleiten het lot van een nicht
in Folkstone, een weduwe met acht kinderen (dd 5-9-1918). In de
brief van 5 november 1918 lezen we het verzoek dat Elisabeth Mansion
en haar ouders na vier jaar scheiding zouden herenigd worden.
Gaandeweg valt de schroom weg om over familiale aangelegenheden
te spreken. In een brief van 13 juli 1918 bijvoorbeeld vraagt Belpaire
om een onderscheiding voor de 16-jarige Maurice Belpaire, broer
van haar petekind; in een schrijven van 30 juli 1918 lezen we hoe
Jan Belpaire over onvoldoende fondsen beschikt om zijn goede werken
voort te zetten - de inkomsten van de buskruitfabrieken in Wetteren
en Kaulille waren sedert de Duitse inval sterk gedaald. Belpaire
voelt zich duidelijk aangemoedigd door de talrijke goede daden van
de koningin. Meer nog, in die koninklijke interventies ziet ze tekenen
van persoonlijke sympathie, het zijn voor haar ,,des exquises
attentions /
/ Vous (= koningin Elisabeth) n'avez pas d'idées
combien cela est doux, /
/" (dd 20-7-1918) Toch duurt
het nog tot 31 mei 1918 - de briefwisseling duurt dan al een half
jaar - vooraleer Belpaire voor zichzelf iets vraagt. Omdat het niet
anders kan: ,,On ne cesse de me tourmenter pour que je quitte
La Panne''. (dd 31-5-1918) Jules Belpaire, die haar destijds
Antwerpen deed ontvluchten, oefent opnieuw druk uit om dit keer
de kust te verlaten. Uit deze brief blijkt hoezeer Belpaire zich
aan haar nieuwe woonplaats gehecht heeft. Ze geeft toe dat de ontmoeting
met de koningin en hun samenwerking daar niet vreemd aan zijn. Het
wordt nu al duidelijk dat Belpaire het contact met de vorstin niet
wil verliezen, wat er ook gebeurt. ,,Je n'ai donc aucun envie
de m'éloigner, mais si la situation devenait tout à
fait intenable, ne pourrais-je attendre de Votre Majesté
un conseil quant à la direction à prendre, de préférence
là où je ne perdrais pas le contact avec les troupes
et avec les Souverains qui ont uni leur sort à celui de Leur
peuple ?''
In haar correspondentie met de koningin
sluit Belpaire permanent verzoekschriften van militairen en burgers
bij. Elisabeth, die kort voor de oorlog de studie van het Nederlands
had hervat, kon die brieven vermoedelijk ook lezen, al weten we
niet of haar passieve kennis van het Nederlands dermate ontwikkeld
was als Belpaire veronderstelde. Het ging zowel om eenvoudige mensen
die Belpaire hoogstwaarschijnlijk niet persoonlijk kende, als om
kennissen uit betere kringen zoals Samuel De Vriendt, zoon van de
directeur van de Antwerpse Academie (dd 4-5-1918) en de pianisten
Jan Chiapusso en Frederic Lamoral (dd 27-8-18). Marie Belpaire stuurt
ook heel wat brieven door van Juffrouw De Grave , die zich inzet
voor de bevolking van Veurne. Juffrouw De Grave komt regelmatig
in de Swiss Cottage over de vloer, beladen met aanvragen van ouders
om hun kinderen een plaats te geven in de school van Koningin Elisabeth
in Vinkhem (in de brief van 7 mei 1918 komt een lot aanbevelingsbrieven
ter sprake). Belpaire aanziet Juffrouw De Grave als een heldin,
en die bewondering vertaalt zich in een vingervlugge actie: na ieder
bezoek van de Juffrouw laat Belpaire er geen gras over groeien om
de koningin aan te schrijven.Voorts maakt Belpaire verzoekbrieven
over van kennissen die actief zijn aan het front zoals Théo
Doric, van wie we enkele brieven terugvinden in het secretariaat
(dd 5 januari en 21 juni 1918), en brengt ze boodschappen over van
Mrs Innes Taylor (dd 2-6-1918). Zij vertegenwoordigde een Canadees
Fonds, 'The Belgian Soldiers Fund', dat de Belgische bevolking hulp
wou bieden. Tot slot pleegt Belpaire een aanzienlijk aantal brieven
met verzoeken en mededelingen van zowel praktische als humanitaire
aard zoals de drukproblemen in verband met 'Omhoog' omdat de werklui
onder de wapens geroepen worden (dd 18-4-1918), of de mededeling
dat in de 'Repos Elisabeth' al maanden driehonderd oudjes op evacuatie
wachten (dd 23-3-1918). Opvallend is wel dat de meerderheid van
die brieven door derden uit het privé-secretariaat van koningin
Elisabeth verdwenen is. Die afwezigheid kan op verschillende manieren
verklaard worden: de brieven naar koning Elisabeth werden naar de
desbetreffende bevoegde overheidsdiensten doorgestuurd (in het geval
van bijvoorbeeld militaire aangelegenheden), ze werden geklasseerd
volgens afzender en niet volgens bestemmeling, of ze zijn elders
ondergebracht dan in het Koninklijk Archief. Tot slot is het ook
niet ondenkbaar dat de brieven simpelweg nooit bewaard werden -
tot voor vijfentwintig jaar beschikte het Koninklijk Paleis niet
over een archiefdienst - of dat ze verloren raakten aangezien het
archief van koningin Elisabeth driemaal verhuisde.
Het zou ons te ver leiden om hier alle brieven meticuleus per subject
te groeperen omdat het overgrote deel meerdere thema's tegelijk
behandelt, en Belpaire vaak op vroeger aangehaalde onderwerpen terugkomt.
Dat teruggrijpen heeft verschillende redenen: ofwel vernam ze via
de betrokkenen dat koningin Elisabeth nog niet tussengekomen was
(dd 17-7-1918 over het plan rond de groepering van de verpleegsters
), ofwel haalde de interventie niets uit (dd 1-6-1918 over de opvangbarakken
voor Juffrouw De Graeve), maar in het gunstigste geval - en dat
gebeurde niet weinig - bracht Belpaire een dankbetuiging over. Uit
de brief van 2 juni 1918 bijvoorbeeld blijkt hoezeer de koningin
zich als ,,een moeder'' heeft gedragen over de gewonden. De resultaten
van de koninklijke interventies bereikten Belpaire langs diverse
bronnen om: via haar 'informanten' maar ook of via de betrokkenen
zelf. In haar begeestering om goed te doen slaat Belpaire ook wel
eens de bal mis: wanneer een zekere luitenant Jongen vijfentwintigduizend
frank 'verliest', wordt het haar duidelijk dat haar speciale band
met koningin Elisabeth ook aanleiding geeft tot bedrog en profijt
(dd 15-10-1918 en 18-10-1918). Belpaire zelf deelt haar brieven
in twee luiken in: ,,le chapitre officiel" en ,,le
chapitre des réclamations". Een brief van 16 september
1918 over het voedselregime in het Noord-Franse strafkamp Fresnes
illustreert wat ze met dat laatste hoofdstuk bedoelt.
Belpaire klaagt meermaals over de wantoestanden aan het Belgische
front en de Noord-Franse strafkampen. Ze haalt daarbij scherp uit
naar het spionagesysteem van de veiligheidsdienst om Vlamingen in
het leger op hun vaderlandsgevoel te betrappen, met als resultaat
dat respectabele soldaten opgesloten werden, het vertrouwen in de
chefs zoek raakte en de geest aan het front verslechterde. In een
brief van 16 augustus 1918 vraagt Belpaire
aan Elisabeth er bij haar man op aan te dringen dat een ,,andere
politiek'' gehandhaafd wordt. Belpaire neemt meer dan eens de kans
te baat om de koningin over de acuutheid van de Vlaamse kwestie
te informeren. Ze rekent in deze sterk op Elisabeth, die ze in een
ongedateerde brief uitvoerig over de zaak informeert (dd maart of
april 1918 ?). Op 12 maart is ze ervan overtuigd met de koningin
haar zorgen te kunnen delen omtrent een ,,vitale" kwestie zoals
de Vlaamse Beweging. En wie weet, ,,cela m'aidera peut-être
à voir clair moi-même dans ce problème."
Op 23 mei 1918 snijdt ze het thema opnieuw aan naar aanleiding
van het wegsturen van de jonge artsen Gravez en Guldentops (respectievelijk
naar Fresnes en Soligny-La-Trappe), want ,,ces mesures font plus
de mal que du bien.'' In een sentimentele brief van 1 augustus
1918 noemt Belpaire de koningin vol enthousiasme ,,de Moeder van
het Vlaamse volk''. Ze ziet in Elisabeth dan ook een uitstekende
opvolgster: ,,Pour moi, je touche à la fin de ma carrière.
Quelle douce pensée à songer que la Providence a ménagé
une telle Protectrice à la cause qui m'est si chère.
Et qui, étant celle des petits, a besoin du tact, de la délicatesse
d'une femme." Op 16 september 1918, met de overwinning
in zicht, licht ze de koningin in over de mooie rol die ze tegenover
de Vlamingen kan vervullen. Belpaires schrijven van 6 oktober 1918
eindigt met de bijna stellige zekerheid dat ,,Sa Majesté
veillera sur les justes revendications flamandes, comme elle veillait
sur les intérêts matériels de son peuple.''
Al meteen nà de oorlog pleit Belpaire bij de koningin
voor een zachtere behandeling van de Duitse krijgsgevangen, hoewel
ze niet Duits-gezind is. Op 24 oktober meldt ze aan Elisabeth hoe
in Avecapelle duizenden Duitse krijgsgevangenen moeten overleven:
hun rantsoen beperkt zich tot vijf koekjes per dag, water uit de
grachten en de mannen slapen in open lucht. ,, /
/ ne faut-il
pas laisser ces procédés à l'ennemi ?''
Doorheen de hele briefwisseling van 1918 kronkelt een bijna mateloze
adoratie voor de koningin. Van meet af aan steekt Belpaire haar
erkentelijkheid en bewondering voor Elisabeth
niet onder stoelen of banken. Reeds in een brief van 12 maart 1918
onthult ze haar houding tegenover het vorstenpaar: ,,Vraiment
il faut approcher Vos Majestés de près pour apprécier
toutes les ingéniosités de leur bonté. Le public
admire de loin l'héroïsme, le dévouement du Roi
et de la Reine, mais c'est un sentiment plus profond qu'on épreuve
lorsqu'on a le bonheur de s'entretenir avec eux. C'est là
une des plus douces consolations /
/ et j'en bénis Dieu,
comme je le bénis d'avoir accordé à la Belgique
de si exceptionnels Souverains.'' Die verering resulteert in
een bijna blind vertrouwen in de koningin. ,,Je sais que confier
ces difficultés à Votre Majesté, c'est les
résoudre /
/'', verzucht Belpaire in een schrijven
van 18 april 1918. Toch is ze als de dood om van vleierij en misbruik
beschuldigd te worden. Op 25 maart 1918 schrijft ze : ,,Croyez-le
bien, Madame, ce n'est pas là la langage de la flatterie
- à mon âge, on a appris la vanité des choses
humaines - mais le besoin d'un cur reconnaissant.'' Het
valt trouwens op hoe Belpaire er constant op beducht is de koningin
niet te vervelen of te shockeren. ,,Je ne me serais jamais pardonnée
d'être pour Elle une source d'ennui ou d'inconvénients",
noteert ze op 24 augustus 1918.
Belpaire vertoont bijwijlen een vrij hybride gedrag: enerzijds wil
ze niet zo intensief een beroep doen op Elisabeth maar wordt ze
daartoe 'gedwongen' door de vele briefschrijvers (dd 30-7-1918),
anderzijds groeit haar eigen invloed door de band met de vorstin:
,,Depuis qu'on sait que Votre Majesté daigne à
me favoriser, j'ai beaucoup plus d'influence." (dd 20-7-1918)
Belpaire maakt gretig gebruik van haar bondgenootschap met de koningin,
maar vreest haar anderzijds te veel te belasten. Ze blijft echter
verzoeken indienen, en drukt hiervoor wel duizendmaal haar schuldgevoelens
uit. Op een bepaald ogenblik voelt ze zich zelfs bij de koningin
in het krijt staan: ,,Je m'efforce, moi, à payer ma dette
en priant avec ferveur pour la famille royale, spécialement
dans ma communion quotidienne." (dd 24-8-1918)
Van verlegenheid heeft Belpaire nooit last gehad, maar geleidelijk
aan etaleert ze een grotere openhartigheid en familiariteit. Getuige
daarvan de brief van 18 april 1918 die ze begint met het geestdriftige
,,Madame, c'est encore moi !''. Nog later stellen we zelfs
een onmiskenbare vorm van vrijpostigheid vast, die misschien niet
altijd in goede aarde viel. Om initiatieven te bespoedigen stelt
Belpaire in de brief van 23 september 1918 voor een samenvatting
te maken van belangrijke brieven. De koningin hoeft alleen maar
te paraferen voor akkoord , of kortweg ,,non" in te
vullen. Ook in een voorstel van 23 september 1918 vereenvoudigt
Belpaire zonder schroom het werk van Elisabeth.
In de brieven naar het jaareinde toe verkondigt Belpaire vrij en
vrank haar mening over het algemeen enkelvoudig stemrecht en het
socialisme: ,,Il ne faut pas confondre le socialisme et la démocratie:
l'un n'est que la parodie de l'autre. Le socialisme est basée
sur la haine, l'envie, le désir de tout rabaisser à
son niveau, la saine démocratie émane de la charité
fraternelle; elle tend à élever. /
/ Le bolchévisme
fera-t-il le tour de l'Europe? " (dd 22-12-1918) Op dat moment
weet ze al lang dat ze het hart op de tong draagt, ook in koninklijk
gezelschap: /
/ j'ai souvent l'appréhension de déplaire
à Votre Majesté en lui parlant avec la franchise extrême,
inhérente à ma nature, de toutes sortes d'affaires''.
(dd 23-9-1918)
Het mag gezegd: Belpaires
taalgebruik klinkt oubollig en stroperig, maar ze verlaagt er zich
nooit toe om gunsten af te dwingen. Ze doopt haar vinnige pen in
de inkt van het zachte gebod, en bewandelt andere wegen dan die
van de smeekbede: Belpaire praat handig in op het rechtvaardigheidsgevoel
en het goede hart van de koningin, haar liefde voor muziek en kunst.
In verband met Samuel De Vriendt en zijn verloofde bijvoorbeeld
stelt Belpaire duidelijk: ,,Votre Majesté jugera si Elle
peut faire deux heureux." (dd 4-5-1918) Of ze zegt zelf na
een zoveelste verzoek: ,,Inutile donc d'insisiter auprès
d'Elle." (dd 30-8-1918) Voorts is Belpaire niet te beroerd
te laten merken hoezeer ze zich laaft aan de 'attenties' van de
koningin. Op 2 februari 1918 bijvoorbeeld, wanneer ze van Cannes
terugkeert, krijgt ze een auto ter beschikking van de Service du
Roi. En de schriftelijke reactie van Elisabeth van 25 maart 1918
(zie verder) betekent voor Belpaire een regelrechte morele opkikker.
Op 30 september 1918 geeft ze toe maar één decoratie
te dragen, die van de koningin.
Vanuit haar positie als informante gedraagt Belpaire zich zo mogelijk
nog attentvoller: ze stuurt de koningin niet alleen een selectie
aan tijdschriften en krantenartikels op, maar ook een keur aan zelf
uitgezochte boeken. Op 29 juni 1918, wanneer ze Elisabeth haar boek
over Constance Teichmann toezendt, vraagt ze de koningin zich aan
te sluiten bij het eerbetoon aan haar tante. Op 31 januari 1919
verstuurt ze ter gelegenheid van haar 66ste verjaardag twee boeken
uit haar persoonlijke bibliotheek: een origineel, niet nader omschreven
exemplaar en een bloemlezing uit Lacordaire, ,,un de mes dieux."
Op 5 maart 1919 zendt ze het eerste nummer van Dietsche Warande
en Belfort op, dat de bewondering voor het vorstenpaar moet
verwoorden. En in de eerste helft van 1933 trakteert ze Elisabeth
op haar Beethovenstudie, maar of de koningin die ook gelezen heeft?
Uit een antwoord van haar secretariaat blijkt alleszins dat het
boek een plaats kreeg in de privé-bibliotheek van Elisabeth.
Vanuit haar sterke gevoel van royalisme laat Belpaire ook niet na
de verjaardagen van de vorsten of verjaringen van ontmoetingen in
de verf te zetten. Al heeft dat laatste waarschijnlijk ook van doen
met de weemoed waarop ze ongetwijfeld op die gesprekken terugblikt.
Op 24 juli 1918 bijvoorbeeld feliciteert ze de koningin met haar
42ste verjaardag de dag erop, en op 14 augustus mijmert ze sentimenteel
na over haar audiëntie bij koning Albert. Een jaar na datum
omschrijft Belpaire dat bezoek als ,,une de plus douces fêtes
qu'il m'ait été donné de goûter".
Op 30 september feliciteert ze Elisabeth met de schitterende successen
van het Belgische leger. Op 11 november, wanneer ze opnieuw aan
de Markgravelei in Antwerpen woont, schrijft ze een vreugdevolle
brief waarin ze de koningin gelukwenst met de wapenstilstand en
wederom haar dank uitdrukt want ,,Jamais la Nation ne pourra
leur rendre ce qu'Ils ont fait pour nous.'' Nog later, op 13
december 1918, reflecteert ze over haar allereerste ontmoeting met
de koningin en de relatie die daaruit voortvloeide. En in een begeesterd
schrijven van 16 december brengt Belpaire het relaas van de optocht
die daags tevoren in Antwerpen plaatsvond ter ere van het vorstenpaar
en het leger. Ze doet dat met volle goesting want ,,N'est-il
pas bon qu'Elle reste en contacte le plus intime possible avec son
peuple, comme à La Panne ?'' Een lichte nostalgie maakt
zich nu al meester van Belpaire, maar deze karaktertrek die ze van
haar vader erfde, zal pas in 1919 volop losbarsten.
Belpaire voelt niet alleen melancholie om een correspondentie
die dreigt te verwateren, maar ook omwille van de afwezigheid van
de koningin. De briefwisseling in 1918 mondde immers uit in meerdere
ontmoetingen met Elisabeth, zoals blijkt uit Belpaires brieven én
uit de oorlogsaantekeningen van koning Albert. Naar het exacte aantal
kunnen we alleen maar gissen. Misschien dat het oorlogsdagboek van
koningin Elisabeth, dat zich tot op vandaag in Mexico bij een dochter
van prinses Marie-José bevindt, hierin ooit klaarheid schept.
Duidelijke indicaties van die gesprekken volgend op de allereerste
audiëntie op 13 december 1917, worden door Belpaire niet altijd
verschaft. Soms vermeldt ze de tijdsaanduiding ,,hier", in
andere brieven hebben we er het raden naar wanneer en of beide vrouwen
elkaar zagen. In haar brief van 12 maart verwijst Belpaire zonder
omwegen naar een ontmoeting de dag tevoren: ,,Votre Majesté
me permettra de la remercier de la délicatesse attention
qu'Elle a eu de me recevoir hier". Een tweede duidelijke
referentie vinden we terug op 13 april: de ontmoeting vond alweer
de vorige avond plaats ("en quittant votre Majesté
hier /
/"). Meer details krijgt de lezer niet. Belpaire
nodigt Elisabeth ook uit naar exposities van 'Kunst aan de Yzer'
en op toneelvoorstellingen. Zo had Oscar De Gruyter in 1918 een
gezelschap gesticht onder het patronaat van de koningin. Uit de
brief van 12 mei blijkt opnieuw dat koningin Elisabeth en Belpaire
de avond tevoren een gesprek voerden: ,,J'ai encore réfléchi
à ce que Votre Majesté m'a dit hier /
/ ."
Vond die ontmoeting plaats op de vierde tentoonstelling van
'Kunst aan de Yzer', die reeds op 27 april geopend was en nog liep
tot 20 mei? Uit Belpaires brief blijkt alleszins dat ook koning
Albert de expositie zou bezocht hebben, zonder een exacte datum
te melden. Uit een door Emile Vandewoude bewerkte agenda van Koning
Albert, niet te verwarren met de partieel gepubliceerde Carnets
de guerre d'Albert I door generaal Raoul Van Overstraten, blijkt
dat deze tentoonstelling inderdaad mogelijks koninklijk bezoek kreeg,
maar dan wel op 27 april. Bezochten de koning en koningin deze expositie
ieder apart, of sprak Belpaire met de koningin die bewuste 11de
mei ergens anders dan op de tentoonstelling? Op 6 juni lezen we
alweer dat ze een onderhoud heeft gehad met de koningin: ,,/
/
après l'entretien que j'eus l'honneur d'avoir avec Elle hier".
In verband met dit gesprek halen we iets meer randinformatie uit
Belpaires mémoires, waarin ze trouwens verkeerdelijk de datum
van 4 juni vermeldt. Belpaire vertelt er hoe Gravin de Caraman haar
komt oppikken om naar de koninklijke villa te gaan. Terwijl ze voor
het huis wachten, wordt Belpaire aan Prins Leopold voorgesteld.
Ook in de brief van 29 juni zien we dat de vorstin en Belpaire elkaar
de vorige avond gezien hebben, zonder verdere details: ,,/
/
Mle De Graeve est venue me voir hier, après que j'avais eu
l'honneur et le bonheur de voir Votre Majesté /
/."
In de brief van 1 augustus is het niet erg duidelijk of ze Elisabeth
recent ontmoet heeft. In de eerste alinea van de brief van 24 augustus
stelt Belpaire dat ze de avond tevoren te weinig tijd had om de
koningin over vanalles te spreken. Maar op 23 september schrijft
ze ineens dat het lang geleden is dat ze de koningin nog eens zag.
,,Ceci n'est ni une plainte, ni une reproche", voegt
ze er voorzichtig aan toe. Uit een brief van 27 september blijkt
dat Belpaire Elisabeth dan toch weer eens zou gesproken hebben,
maar ,,notre entrevue a été si rapide l'autre soir
/
/.'' Om welke avond het gaat, staat niet nader omschreven.
En wat precies met het onderhoud dat plaatsvond rond 8 oktober ?
Belpaire schrijft die dag naar aanleiding van de dood van Commandant
van den Steen: ,,J'ai appris hier soir, par M. Helleputte, l'issue
fatale de l'accident de Cte van den Steen. Je n'avais pas osé
m'informer de son état, devant l'injonction de Votre Majesté.''
Op 26 oktober dankt ze Elisabeth haar te hebben ontvangen net
voor de koningin uit De Panne vertrok: ,, /
/ (vous) qui
avez mis le comble à vos bontés par cette attention
de me recevoir au moment de Votre départ." Volgens
de agenda van koning Albert vond dat afscheid plaats op 24 oktober.
Wanneer we Belpaires data vergelijken met de nota's van Koning Albert,
zien we dat hij enkele ontmoetingen om een of andere reden niet
optekende. Koning Albert vermeldt alleen de volgende data in verband
met de audiënties van Belpaire bij zijn echtgenote: 13 december
1917, 12 april 1918 om 15 uur, 27 april 1918. Op 5 juni 1918 schrijft
hij onder haar naam: ,,Elle est reçue par la Reine."
Het valt op hoe bitter weinig Belpaire vertelt over haar gesprekken
met de koningin. Op enkele uitzonderingen na, zoals in de brief
van 25 april, verneemt de lezer dat ze Elisabeth sprak over de evacuatie
van twintig dorpen naar Frankrijk. Aangezien die brutaal plaatsvinden
vraagt Belpaire een niet-officiële ombudsman aan te stellen
om klachten door te spelen.
De briefwisseling van 1919 vat aan op 26 januari 1919 en stopt
reeds na zevenenvijftig brieven. Dit jaar beperkt Belpaire zich
tot de volgende thema's: cultuur (Belpaire vraagt bijvoorbeeld aan
Elisabeth
om de heropflakkering van 'Kunst aan de Yzer' in handen te nemen,
dd 10-3-1919), verzoeken voor burgers, militairen en familie, de
Vlaamse kwestie en een zachtere aanpak van de Vlaamse activisten.
Vooral de twee laatste items blijken haar in het eerste jaar na
de oorlog bijzonder nauw aan het hart te liggen. Belpaire is vastbesloten
de koningin voor de kar van de Vlaamse eisen te spannen: in de brief
van 27 maart 1919 bijvoorbeeld kroont ze Elisabeth met de titel
,,Patronne des Flamands". En op 8 april, wanneer Belpaire
Koning Albert uitzonderlijk op een brief trakteert naar aanleiding
van zijn verjaardag, hoopt ze dat de koningin een toenadering tussen
Walen en Vlamingen zal bewerkstelligen. Belpaire laat haar hart
voor de Vlamingen spreken. In de loop van 1919 verneemt ze immers
over hun situatie allerlei details die haar doen ,,beven".
Belpaire kan niet anders dan reageren. Ze ziet het als haar missie
om de verschillende stromingen in de publieke opinie aan de koningin
te verhelderen. Op 8 juli uit ze voor het eerst een lichte kritiek
op het vorstenpaar: Albert en Elisabeth staan niet dicht genoeg
bij het volk, zoals dat in De Panne wel het geval was. Belpaire
doet haar best niet verwijtend te klinken, maar over de Vlamingen
zegt ze nog: ,,Il serait bien malheureux que leur attente fut
trompée et leur confiance ébranchée."
Volgens Belpaire is het vorstenpaar niet goed geïnformeerd
over de toestand in het land, en onderschatten de koning en de koningin
het belang van de Vlaamse kwestie. Ze vermoedt dat het koningspaar
de situatie door de bril van zijn entourage bekijkt, en beseft dat
ze daarvoor in haar eentje onvoldoende tegenwicht kan bieden. Hoe
dan ook: ,,les (= les flamands) indisposer n'est pas une
bonne politique." Ook de brieven van 29 juli en 1 augustus
kaarten de Vlaamse kwestie aan: Belpaire signaleert aan de koningin
het groeiende ongenoegen van de Vlamingen, en haat het te moeten
constateren dat er misverstanden rijzen tussen de ,,brave Vlamingen
en zulke goede vorsten''. Belpaire gelooft rotsvast in een ,,politiek
van rechtvaardigheid''. Nog een half jaar langer blijft ze een lans
breken voor de Vlamingen, die volgens haar de trouw aan het Hof
in het bloed hebben.
In 1919 bepleit Belpaire tevens op manifeste wijze een zachtere
aanpak van de Vlaamse activisten. Op 23 maart slaat ze bij de koningin
groot alarm: tot Belpaires spijt worden alle Vlamingen door de militaire
overheid vervolgd. Ze is van oordeel dat het activisme de Vlaamse
zaak wil ruïneren. Op 29 maart 1919 schrijft ze een verzoekbrief
voor de pas ontslagen Emmanuel De Bom. Niet zonder een reactie mee
te geven: ,,Entre nous, je crois qu'il est surtout une victime
de la peur. Ses gens qui ne sentent pas tout à fait blancs,
se hâtent de jeter une proie en pâture à ceux
qui pourraient les atteindre eux-mêmes. C'est, je pense, le
cas de beaucoup de zèle anti-activiste du moment.'' Amper
twee dagen voordien had ze de koningin op de hoogte gebracht van
de penibele situatie waarin Jules Persyn verkeerde. In een brief
van 4 april klaagt ze de misbruiken van de militaire rechtbank aan,
en stelt ze Elisabeth de vraag of de activistische zaken niet voor
een gewone magistratuur moeten behandeld worden, om zo de toestand
in het land te ,,normaliseren''. Bijna een maand later vindt ze
het nogmaals nodig de koningin in te lichten, want die heeft volgens
Belpaire geen idee van ,,de revolte, de haat en de verontwaardiging
die zich in de Vlaamse harten opstapelt ten gevolge van de willekeur
en tirannie van de militairen'': ,,Les sujets belges, après
avoir été soumis à l'oppression allemande avec
toutes ses horreurs - déportations, etc - se trouvent livrées
maintenant à la tyrannie de leurs propres compatriotes, languissent
dans les prisons, sans enquête, sur de légers soupçons.
C'est /
/ l'arbitraire du haut en bas, et cela à cause
du régime militaire. /
/ Cela m'effraie réellemment".
(dd 1-5-1919) Op 1 mei 1919 lezen we hoe Belpaire opgelucht is dat
de Vlaamse componist Jef Van Hoof niet voor de krijgsraad hoeft
te verschijnen. Ze schrijft aan de koningin: ,,Je suis autant
plus encouragée à m'adresser à Votre Majesté
que pour le compositeur Jef van Hoof, Elle semble être intervenue.
/
/ J'en remercie mille fois Votre Majesté, mais c'est
à tous que la mesure aurait être étendue''.
Andere verzoeken hebben betrekking tot Belpaires ,,zielezoon"
August Van Cauwelaert, die de functie van vrederechter in Kontich
ambieert, en op priester-dichter August Cuppens, voor wie Belpaire
reeds tijdens de oorlog via Ingenbleek een brief aan de koningin
had doorgespeeld. Cuppens, patriot en flamingant, wil dat het vorstenpaar
enkele van zijn gedichten verspreidt onder de soldaten. Over het
conflict met Kardinaal Mercier vinden we amper één
brief terug. Op 21 maart schrijft Belpaire hoe ze in Mechelen de
kardinaal heeft bezocht om hun meningsverschillen over de Vlaamse
kwestie te bespreken. Die stap is voor haar ,,une démarche
conciliante". Voorts heeft ze vernomen dat de koningin,
reeds voor dat bezoek, over haar een gesprek had gevoerd met de
Kardinaal. Belpaire noemt die zet ,,un trait de génie"
waarin ze Elisabeths gevoel voor humor en tact herkent. Ze besluit:
,,Voilà le bon Cardinal forcé de ménager
les flamands et leur protectrice, que je suis, en l'honneur de Votre
Majesté. Je la connais assez pour savoir qu'Elle appréciera
le piquant de la situation /
/''.
Het frappeert te lezen hoezeer Belpaire gebrand zit op een ontmoeting
met de koningin. De hele briefwisseling van 1919 door hengelt ze
naar een bezoek. Ze doet dat voor het eerst in een brief die ze
schrijft op haar 66ste verjaardag, op 31 januari 1919: Belpaire
nodigt de koningin uit naar haar scholen in Antwerpen te komen kijken,
zodat ze gerust kan zijn over hun lot. Op 15 februari herinnert
Belpaire de koningin er voor de tweede keer aan dat het lang geleden
is dat ze mekaar ontmoetten - op dat moment ruim 4 maanden: ,,Cette
douce plainte m'est-elle permise ? ", polst ze behoedzaam.
Misschien niet, maar ze komt er toch op terug in een brief van 23
maart. Op 30 april geeft ze te kennen op een teken van de koningin
te wachten, en haar later op het jaar in Antwerpen te willen verwelkomen.
Belpaire herhaalt die vraag op 26 mei, en uit tegelijkertijd haar
teleurstelling omdat de stad Antwerpen een terrein aangekocht heeft
waarop zij haar Instituut - dat haar al meer dan één
miljoen had gekost - wou uitbreiden. In de brief van 10 juni is
het hek helemaal van de dam wanneer Belpaire verneemt dat haar Deense
vriend en schrijver-correspondent Johannes Joergenson op audiëntie
mag bij de koningin.
Ze geeft zonder blozen toe zo'n onderhoud ook voor zichzelf te willen
,,depuis que je suis complètement séparée
de Votre Majesté ". Belpaire beseft dat ze door
die extreme openhartigheid tegen het protocol zondigt, maar ze vindt
dat de band tussen haar en de koningin inmiddels zo familiair geworden
is, dat ze op die manier mag spreken. Belpaire vraagt of ze Joergenson
mag vergezellen, en nodigt bij deze zichzelf uit. Koningin Elisabeth
willigt dat verzoek in, zoals blijkt uit Belpaires brief van 15
juni 1919. De ontmoeting met de koningin vond de dag tevoren plaats,
en het moet voor Belpaire een schok geweest zijn om 'haar' koningin
in heel andere omstandigheden dan in De Panne te zien. Elisabeth
zit volgens Belpaire in een gouden kooi, maar dat accentueert des
te sterker haar heldhaftige gedrag van in de oorlog. Het beeld van
een opgesloten vorstin laat Belpaire blijkbaar niet los want enkele
dagen later schrijft ze in een verrassend opgewekte brief : ,,Désirant
faire pénétrer un peu d'air de l'extérieur
dans "la cage dorée" de Votre Majesté, je
me permets de lui envoyer le portrait d'une petite vieille de La
Panne, en cap flamande, pour laquelle Elle a eu d'infinies bontés
/
/''. Dat 'beetje buitenlucht' bestaat uit een bijna kinderlijke
foto van een glimlachende Belpaire met de zon in de haren. Dit portret
bleef in het archief bewaard. Tegelijkertijd maakt zich van Belpaire
een zekere verlegenheid meester, want het kleine souvenir is alleen
voor de koningin bestemd: ,,J'ai assez confiance en Son tact
pour être assurée que cette photographie ne sera pas
mise sous les yeux de Ses dames d'honneur''. Op 29 juni 1919
heeft Belpaire het geluk het vorstenpaar in levende lijve te zien.
Dit keer ter gelegenheid van een blijkbaar massaal bijgewoonde ceremonie
die haar herinnert aan de kapel van l'Océan in De
Panne, dixit een brief van de volgende dag. Het evenement waarnaar
verwezen wordt is de Basiliek-plechtigheid in Koekelberg (cfr Het
Laatste Nieuws en De Standaard van 30 juni 1919, en Het
Volk van 1 juli 1919). Belpaire is door het dolle heen.
De toch al sentimentele en melancholische inborst van Belpaire
bereikt een climax in haar brieven van 1919. Het feit dat ze de
koningin amper nog te zien kreeg, zit daar zeker voor iets tussen.
Reeds op 1 januari 1919 blijkt hoezeer Belpaire door heimwee overmand
wordt. En wanneer ze van Gravin De Caraman hoort dat de koningin
uitgerekend De Panne heeft verkozen om te gaan uitrusten, reageert
ze ontroerd: ,, /
/ Votre majesté est toujours dans
cette chère Panne, où mon souvenir va si volontiers
La chercher''. (dd 26-1-1919) Als een bezorgde moeder maant
ze de koningin aan zich te verzorgen. Later zal ze Elisabeth zelfs
lichtjes op de vingers tikken omdat ze een vliegreis ondernam naar
de Duitse kantons. ,,A ce propos, je voudrais gronder doucement
Votre majesté. Elle n'a pas le droit d'exposer ainsi sa personne
si précieuse''. (dd 1-5-1919) Op 15 augustus 1919, wanneer
Belpaire voor het eerst in vijf jaar haar naamfeest viert tussen
familie en vrienden, herinnert ze Elisabeth aan haar audiëntie
bij de koning, inmiddels twee jaar geleden. Wat een gezegende dag,
,,puisqu'il marquait le début de mes relations /
/
avec notre douce Reine''.
Haar gevoelens voor de koningin verwoordt ze in de loop van 1919
zo mogelijk met nog meer zin voor pathos. Op 9 januari 1919 bijvoorbeeld
vraagt Belpaire: ,, /
/ mais l'affection n'a t-elle-pas
ses droits et ne pourrais je rappeler à Votre Majesté
qu'il m'est pénible d'ignorer tout d'Elle /
/ ".
Enkele maanden later stelt ze dat de koningin dermate goed en intelligent
is, dat ze het verdient om op de hoogte gehouden te worden van blije
én slechte gebeurtenissen. Meer nog, Belpaire zou het zich
verwijten mocht ze verontrustend nieuws achterhouden (dd 22-4-1919).
En dus schrikt ze er niet voor terug om over weinig verkwikkende
details uit te weiden. Zoals bijvoorbeeld over de situatie van Albert
Van de Poel, die er - onder meer - van beschuldigd wordt de Gentse
universiteit te hebben bezocht tijdens de bezetting. Belpaire verbloemt
geen enkel detail van de ,,misdadige" manier waarop deze man
aangepakt wordt (dd 6-5-1919). Die vrijpostigheid betekent een voor
haar bijna verworven recht dat ze maar met moeite kan opgeven, in
het bijzonder wanneer socialisme, onderwijs en religie ter sprake
komen. In een brief van 17 augustus bijvoorbeeld kaart Belpaire
het Collège Marie-José aan, dat volgens haar
het religieus onderwijs wil tegenwerken. Dat precies een dergelijke
instelling de naam van de prinses draagt, stemt haar bedroefd: ,,Votre
Majesté sait que je n'ai jamais cherché à monopoliser
Ses faveurs, que j'ai simplement voulu élargir Son horizon
en lui faisant connaître l'action catholique, mais quand il
s'agit d'enseignement, la neutralité est impossible et connaissant
Votre majesté comme je le fais, je suis persuadée
que Sa bonne foi e été surprise, si Elle a accordé
Son patronage à cette nouvelle entreprise''.
In de brief van 22 september, een van de laatste in 1919, wordt
ze wel erg intiem en emotioneel. Belpaire, die de koningin gewoontegetrouw
aanspreekt met ,,Madame", opent onverwachts haar zin
met ,,Ma petite reine bien-aimée /.../ May I drop the
majesty for once?" Een vertrouwelijke opener die nog versterkt
wordt door een voorlopig laatste maar ardente ode aan Elisabeth:
,,J'ai pour Vous une si profonde affection, mêlée
d'une estime et d'une admiration presque passionnée. Vous
êtes la douceur requise du soir de ma vie, un dernier sourire
de la Providence, une attention suprême et délicate
de sa liberalité''. Haar laatste brief, op 22 december
1919, bevat een verzoek tot koninklijke tussenkomst voor een reeds
veroordeelde gevangene.
Of deze brief werkelijk de allerlaatste was die Belpaire rond
deze periode schreef, lijdt sterke twijfel. Op geen enkele manier
valt eruit af te leiden dat het om een afscheidsbrief gaat, of dat
Belpaire overweegt om de correspondentie ook maar tijdelijk een
halt toe te roepen. Het is erg onwaarschijnlijk dat Belpaire plots
zou gestopt zijn met corresponderen. Gezien de frequente verhuis
van het archief van koningin Elisabeth is het plausibeler dat brieven
van een latere datum verloren geraakt zijn. Feit is dat de brief
van 22 december 1919 in het privé-secretariaat van Koning
Elisabeth een hiaat inluidt van liefst dertien jaar. De eerste brief
door Belpaire die we hierna terugvinden dateert van 19 november
1932, waarin ze zich bij de koningin excuseert voor het vergeten
van haar naamdag (het antwoord van het secretariaat van de koningin
steekt overigens bij deze brief). In een document van 26 november
1932, opgesteld in het licht van het jaareinde, betuigt Belpaire
aan ,,ma petite Reine" nog eens haar dank en respect
omwille van de hulp aan het Vlaamse volk. Ook hier is het antwoord
van het secretariaat bijgevoegd.
De eerstvolgende brief is er een van 18 februari 1934, daags na
het dodelijk ongeval van koning Albert in Marche-les-Dames. Het
betreft een uiterst emotioneel en in een warrig handschrift opgesteld
rouwbeklag van een inmiddels eenentachtig jaar oude Belpaire aan
een voortijdige weduwe. ,,Ma pauvre Reine", begint Belpaire
tot twee keer toe deze brief, waarin ze vrijuit jammert over de
ongelukkige dood van Albert (,,un ami") en het droeve
lot dat Elisabeth treft. Tegenover de koningin werpt Belpaire zich
op als een troostende vriendin:
,, Ah! Si j'étais plus jeune! J'accrocherai près
de Votre majesté, je La prendrais dans mes bras, Elle pourrait
sangloter sur mon épaule.''
Naar aanleiding van de dood van koning Albert vinden we nog vier
brieven in het privé-secretariaat van de koningin. Stuk voor
stuk opgesteld in een intieme sfeer - het ,,Madame"
van vroeger wijkt voor het veel vrijere ,,Ma Reine bien-aimée".
Een van de markantste brieven is die van 18 februari 1935, de derde
op rij en geschreven naar aanleiding van het eenjarig overlijden
van Albert. Belpaire profileert zich als een vriendin die in alle
hevigheid meelijdt, een troostende hand reikt maar tegelijkertijd
de koningin ook een duwtje in de rug geeft. In wat ze zelf als een
,,egoïstische'' brief bestempelt, roept ze Elisabeth op waakzaam
en krachtig te zijn voor de zware taak die haar te wachten staat.
Maar misschien is er nog een reden waarom ze dit schrijven zo bestempelt:
Belpaire kan het niet laten een koninklijke interventie te vragen
voor Johannes Joergenson, die in moeilijkheden verkeert. Enkele
maanden later, op 5 juni 1934, hervalt Belpaire in haar oude gewoonte:
ze schrijft op haar inmiddels bekende manier hoe erg ze het vindt
om lange tijd geen nieuws van Elisabeth te krijgen, zwaait de vertrouwde
loftrompet over de koningin en komt nog eens terug op de affaire
Joergenson.
Opmerkelijk is wel dat Belpaire aan het begin van deze brief Gravin
de Caraman dankt voor het doorspelen van het adres van de koningin.
Dit wijst erop dat Belpaire mogelijks rechtstreeks met Elisabeth
schreef, en niet via haar secretariaat. De reden waarom Belpaire
blijkbaar het adres niet kende, ligt in het feit dat de koningin
rond deze tijd van het jaar vermoedelijk niet op het Kasteel van
Laken verbleef, maar met vakantie was in de koninklijke Villa Haslihorn
in Zwitserland of bij haar familie in Beieren.
De brief van 5 juni heeft ook een achterliggende bedoeling: de koningin-weduwe
aansporen om het publieke leven te hervatten, want ook zij laat
een leegte na. Belpaire wil Elisabeth opnieuw haar plaats zien bekleden
in de wereld van kunst en liefdadigheid, want is het al niet genoeg
om een graag geziene koning te verliezen? ,,Nous avons des droits
sur notre bien-aimée Reine!". Op 21 juli, de nationale
feestdag, schrijft Belpaire een nieuw en laatste pleidooi voor het
hervatten van het openbare leven. Het volk huilt nog altijd om zijn
afwezige vorstin: ,,C'est un grand vide, surtout pour moi".
Maar dit keer bedekt ze haar aansporingen met de mantel der berusting
: als de afzondering Elisabeth goed doet, kan ook Belpaire zich
erin stellen. Met betrekking tot deze brieven vinden we in het privé-secretariaat
slechts één reactie terug. Op 16 februari 1935 antwoordt
Graaf de Grünne, Grootmeester van het Huis van Hare
Majesteit Koningin Elisabeth, hoezeer de koningin ,,ontroerd"
is door de woorden van Belpaire.
Die reactie moet Belpaire ongetwijfeld deugd gedaan hebben, want
veel schriftelijke feed-back kreeg ze niet van Elisabeth. Het aanbod
was nochtans groot: Belpaire schreef bijna dagelijks, uitzonderlijk
zelfs tweemaal op eenzelfde dag (zie bijvoorbeeld 22 juli en 5 september
1918) want ,,une lettre par jour ne suffit pas". Ook
in het begin van 1919 hanteert Belpaire regelmatig de pen, maar
de frequentie daalt gestadig - tussen 31 augustus en 22 december
schrijft ze nog amper twee brieven, telkens met een interval van
een maand. Toch levert de briefwisseling van Belpaire het bewijs
dat Elisabeth occasioneel terugschreef. In de brief van 25 maart
bijvoorbeeld toont Belpaire zich verheugd over ,,Sa lettre si
bienveillante''. Op 30 juli 1918 dankt Belpaire de koningin
voor ,,le charmant petit mot", waarvan we niet weten
of dat schriftelijk of mondeling werd overgebracht. Op 15 oktober
1918 verwijst ze nogmaals expliciet naar een brief van de koningin
in verband met het triomferende België: ,,Et comme Votre
majesté qui apprécie si justement son peuple - Elle
avait la bonté de me l'écrire l'autre jour /.../ ".
Voor het overgrote deel verloopt de correspondentie tussen Belpaire
en de koningin in een enkele richting. Dat hoeft niet te verwonderen.
Het protocol wil dat de koningin geen brieven terugschreef, al onderhield
ze wél een tweezijdig contact met Albert Schweitzer, Albert
Einstein en Camille Huysmans.
De schriftelijke reacties van Elisabeth zijn totnogtoe niet gelokaliseerd.
Belpaire kreeg ze hoogstwaarschijnlijk in handen via Jules Ingenbleek.
Het betreft handgeschreven documenten waarvan om evidente reden
geen dubbels bestaan. De mogelijkheid bestaat dat de koninklijke
familie die brieven heeft achtergehouden, maar ze kunnen zich ook
in het familiearchief van Marie Elisabeth Belpaire bevinden. Pierre
Belpaire, de beheerder van dat archief, sluit die kans niet uit.
Verder onderzoek zal uitsluitsel brengen.
Een sterker bewijs dat de verhouding tussen beide vrouwen niet
zo intiem was als Belpaire en later ook enkele Vlaamse media laten
uitschijnen, is het feit dat de koningin na de oorlog geen spontaan
contact zocht. We vermeldden reeds hoe Belpaire in 1919 tevergeefs
smeekt om een audiëntie bij de koningin, en hoe ze uitkijkt
naar een bezoek van Elisabeth aan de Belpaire-scholen in Antwerpen.
Tussen Belpaire en Elisabeth heerste zeker wel een goede verstandhouding
en wederzijds respect. Per slot van rekening deelden ze enkele interessepunten
zoals hun pacifisme, de liefde voor kunst, muziek en Beethoven,
de verpleegkunde en het liefdadigheidswerk. Bovendien maakte ook
de Belgische gezindheid van Belpaire haar sympathiek bij Elisabeth.
Maar na de oorlog zitten Belpaire en de koningin op twee verschillende
sporen. Ten eerste is het duidelijk dat Elisabeth er na de Grote
Oorlog een heel ander leven op nahoudt. Voor haar is de strijd afgelopen.
Ze participeert aan het publieke leven en deelt in de roem van haar
echtgenoot. Komt daarbij dat Elisabeth meer aan het protocol hecht
dan haar imago aangeeft. De verwijzing van Belpaire naar de ,,gouden
kooi" waarin de koningin leeft, doet al vermoeden dat ze in
1919 een andere vorstin ten zien krijgt dan in De Panne. Voorts
begaat Belpaire de fout de mythe rond het vorstenpaar na de Eerste
Wereldoorlog te generaliseren, terwijl Albert en Elisabeth in werkelijkheid
niet zo geliefd waren bij alle Vlamingen, niet in het minst toen
de toestand van de Vlaamse soldaten bekend raakte. Bovendien had
koningin Elisabeth geen affiniteit met de Vlaamse Beweging, en stuitte
Belpaires inzet in verband met de repressie op enige reserve binnen
het Koninklijk Paleis. Met als resultaat dat het Hof de boot waarschijnlijk
op een zachte en geleidelijke manier afhield. Belpaire overdrijft
ook wanneer ze stelt dat koningin Elisabeth het Nederlands goed
machtig is. Zoals eerder gezegd las Elisabeth vermoedelijk wel Nederlands
maar ze sprak het onvoldoende, ondanks de lessen die ze kreeg van
Jules Ingenbleek en Camille Noterdaeme. Elisabeth was een cultureel
ontwikkelde vrouw maar niet gezegend met een groot taalgevoel: tot
op het einde van haar leven dacht en schreef ze in het Duits, tot
aan het begin van de Eerste Wereldoorlog ook de huistaal van het
Hof.
Het is pas op 30 oktober 1933, ruim vierentwintig jaar na hun laatste
ontmoeting in het Kasteel van Laken, dat de koningin eindelijk naar
Antwerpen afzakt. Volgens een verslag in de Morgenpakt van
31 oktober 1933 was het voor beide vrouwen een ontroerend weerzien.
Deze late hereniging had het koningspaar echter niet belet om Belpaire
reeds vroeger dat jaar een staatstelegram te sturen ter gelegenheid
van haar tachtigste verjaardag: ,,Wij nemen hartelijk deel aan
de viering van uwe tachtig jaren. Onze levendigste wensch is u nog
langen tijd in beste gezondheid en vredig geluk het edele werk te
zien voortzetten, waaraan gij offervaardig uw heele leven hebt gewijd.
Wij zijn gelukkig u bij gelegenheid van uw jubelfeest nogmaals onze
oprechte vriendschap te kunnen betuigen." (zie Secretariaat
Koningin Elisabeth, vindplaats 184, map 1, Koninklijk Archief).
Op Belpaires 95ste verjaardag, op 31 januari 1948, brengt koningin
Elisabeth de feestelinge een onofficieel bezoek ter gelegenheid
van een uitgebreide viering. ,,Rond half elf hield de zwarte
wagen nummer 6726, van hare Majesteit, voor 'Het Witte Huis van
Vlaanderen', aan de Markgravelei, stil ", drukt De Nieuwe
Gids van 2 februari 1948. Het onderhoud, dat op uitdrukkelijke
wens van de koningin door niemand anders werd bijgewoond, duurde
een half uur. Daarna nam Elisabeth deel aan de 'Artiestenmis' in
de Carolus Borromeuskerk aan het Conscienceplein. Die plechtigheid
lag in het verlengde van de 'Artiestenpenning', een initiatief dat
Belpaire vijf jaar voordien in het leven had geroepen en dat, onder
bescherming van de koningin, financiële steun bood aan beproefde
kunstenaars.
In het kader van die informele visite pakken verschillende media
al te graag uit met de zogenaamd oude vriendschapsbanden tussen
Elisabeth en Belpaire (cfr. 'De Nieuwe Gids' van 2 februari
1948 en 'De Zondagsvriend' van 5 februari 1948). De Nieuwe
Gids noemt de koningin zelfs ,,een intieme vriendin van zovele
jaren terug." Het vermoeden dat dit bezoek van Elisabeth,
alsook dat van 31 oktober 1933, pas tot stand kwam na enige druk
vanuit het Antwerpse, zet deze boude uitspraak op de helling. Marie
Elisabeth Belpaire stierf op 9 juni 1948, luttele maanden na het
bezoek van de vrouw die ze zo vereerde. De begrafenisplechtigheid
vond plaats in de Sint-Laurentiuskerk op de Markgravelei. Het Koninklijk
Paleis liet zich vertegenwoordigen door Ridder Max de Neve de Roden,
Grootmeester van het Huis van Hare Majesteit Koningin Elisabeth.
Op de lijkbaar van Belpaire lag een rouwkrans van de koningin.
----------------------------------------
Bibliografie
Bronnen in handschrift
Secretariaat Koning Albert en Koningin Elisabeth: vindplaats
676 B (Koninklijk Archief, Brussel) De brieven waaruit geciteerd
bevinden zich in map 1 (1917-1918), map 2 (1919) en map 3 (1934-1935).
De brieven voor het jaar 1932 zijn terug te vinden in het Secretariaat
Koningin Elisabeth: vindplaats 184 (Koninklijk Archief, Brussel)
Gedrukte bronnen
Marie Elisabeth Belpaire, Gestalten in 't Verleden, Brugge, 1947.
Luc Schepens en Emile Vandewoude, Albert en Elisabeth 1914-1918:
albums van de Koningin, nota's van de Koning, Brussel, 1984.
Met dank aan:
- De Heer en Mevrouw Frans Belpaire
- De Heer en mevrouw Pierre Belpaire
- De Heer Gustaaf Janssens, Afdelingshoofd-Archivaris van het
Koninklijk Paleis
- Cultuurdienst De Panne
|