HOME

Slagen

Nomenclatuur Gastbijdragen

De herdenking van de Eerste Wereldoorlog te Ieper

 

Hieronder vind je de scriptie "Oorlog zonder einde - De herdenking van de Eerste Wereldoorlog te Ieper" die door Menno Claes werd gemaakt in het academiejaar 2000-2001, aan de Faculteit Letteren en Wijsbegeerte van de Universiteit Gent, voor het behalen van de graad van Licentiaat in de Geschiedenis (Promotor: Prof. Dr. Bruno de Wever). De tekst van de scriptie werd aangevuld met fotomateriaal van de website www.wo1.be.

INHOUD

2.5 De Engelse bedevaart naar de Menenpoort, 8 augustus 1928

Op 8 augustus 1928 zou een enorm aantal Engelse bedevaarders Ieper aandoen [65]. Liefst 11’000 mensen werden verwacht. Daarmee werd de aandacht voor de opening van de Menenpoort, iets meer dan een jaar eerder, ruimschoots overtroffen. Het bezoek kaderde in een internationale bedevaart, waarbij de belangrijke plaatsen aan het westelijk front werden bezocht, naar aanleiding van de 10de verjaardag van de wapenstilstand. De bedevaarders waren vertrokken vanuit Londen, op 4 augustus, omstreeks middernacht, bijna uur op uur veertien jaar nadat Groot-Brittannië in de Eerste Wereldoorlog werd meegesleurd. Uiteraard kon Ieper, sinds die Eerste Wereldoorlog voor altijd een beetje Brits grondgebied, daarbij niet ontbreken. Het bezoek van de bedevaarders kon van alle kanten op grote belangstelling rekenen: van de stad zelf uiteraard, maar ook van in Brussel en in het buitenland. Dit had alles te maken met het groot aantal hoogwaardigheidsbekleders dat aan het bezoek deelnam. Prins Karel van België, de prins van Wales, de aartsbisschop van Canterbury, de maarschalken Pétain en Foch waren allicht de belangrijkste aanwezigen op de plechtigheid. In de week voor de komst van de bedevaarders werd er te Ieper alles aan gedaan om de gasten goed te ontvangen.

“Yperlingen! Bevlagt uwe huizen ter eere van de Koninklijke Prinsen, van het “British Legion”, van de Engelsche Bedevaarders en der Maarschalken Foch en Pétain!” [66]

Teneinde alles vlekkeloos te laten verlopen, werd er een verkeersverbod in de straten rond de Menenpoort afgekondigd.

“[…] en het te verwachten is dat dien dag nog talrijke vreemdelingen en nieuwsgierigen deze grootsche plechtigheid zullen komen zien […] (wordt) dien dag de toegang der Maarschalk Frenchlaan, Meenenstraat, Groote Markt, Dixmudestraat, Boterstraat en nog andere belangrijke straten der stad verboden […] van 9 u. tot 17 uur aan alle gerij dat niet zal voorzien zijn van een bijzonder toelatingsbewijs.” [67]

De bijeenkomst aan de Menenpoort was voorzien om 11 uur, en

“alleen de bedevaarders van het “British Legion” worden er toegelaten evenals de personen aan wie een bijzonder bewijs werd afgeleverd […] Vanaf 10 uur zullen de officieele groepen en muzieken zich op de Vanden Peereboomplaats vereenigen. Te 10 u. 45 zullen ze een bloemengarve leggen aan het Gedenkteeken der Ypersche Gesneuvelden en van daar zullen ze zich naar de Meenenpoort begeven […]te 11.30 stipt zal de Kerkelijke Dienst aan het Britsch Gedenkteeken beginnen en voorgezeten worden door den Aartsbisschop van Canterbury, opperkerkhoofd van Engeland. De dienst zal te 12 u. eindigen. Luidsprekers, aan de Meenenpoort, op de vestingen en op de Groote markt opgesteld, zullen aan het publiek toelaten dien dienst te volgen.

Onmiddellijk daarna zal de officieele groep (de prins van Wales, prins Karel van België, de generalen, en hun gevolg) zich naar de Groote Markt op de estrade begeven en de optocht zal beginnen.” [68]

Het voortouw bij die optocht werd genomen door de vroegere verpleegsters, soldatenweduwen, etc., waarna de andere delegaties volgen. Naast de bedevaarders zijn er nog vier officiële optochten naar het gedenkteken. De optocht eindigt te 13.30. In de namiddag beschikken de bedevaarders zelf over hoe de tijd vol te maken, autobussen zullen de hele middag af en aan rijden naar de kerkhoven in een straal van 8 kilometer rond de stad. Een eerste stoet vertrekt om 10.35, en

“zal een groot aantal kenteekens en vaandels van engelsche regimenten bevatten, belgische en engelsche vaandels, de leden van de F.I.D.A.C., de schepenen en de gemeenteraad van Yper en de belgische, engelsche en fransche uitgenoodigden (burgers, militairen en oud strijders), de burgemeesters van Poperinghe en andere steden, enz.

De tweede stoet zal te 11 uur vertrekken. Hij zal eveneens standaarden en kenteekens der engelsche divisies en der Dominions bevatten, de oversten (heeren en dames) van de verscheidene diensten van de British League en belgische, fransche en engelsche militaire attaché’s.

Te 11.10 u zal van de Hallen de bijzonderste stoet vertrekken, insgelijks voorafgegaan door kenteekens der divisien. Hij zal vooreerst de drie onder-voorzitters van het British legion bevatten (generaal Hamilton, de heer Lister en de Generaal-Majoor Frederic Maurice). Zullen volgen: de Kolonels Crosfield en Brown, chairman en vice chairman, de majoor Burnel Cohen, schatbewaarder van het British Legion; de burgemeester van Yper, kolonel Maton, de generaal bevelhebber der Provincie West Vlaanderen, de maarschalken Foch en Pétain, graaf Jellicoe, hoofd admiraal der Britsche vloot, de heer Lippens, minister der Belgische Spoorwegen, baron Janssens de Bisthoven, gouverneur van onze provincie, graaf Granville, Britsche ambassadeur te Brussel, en, ten slotte de prins van Wales en prins Karel van België. Die prachtige stoet zal onmiddellijk gevolgd worden te 11u.15 door dezen der Anglikaanse Geestelijkheid, geleid door den Aartsbisschop van Canterbury […] De trommelaars van de Grenadiers der Garde zullen dan ten slotte het “rappel” slaan, de prins van Wales zal onder het Gedenkteeken de bloemengarve van het British Legion neerleggen en de klaroenen van de Grenadiers der Garde zullen eerst het “appel” der Dooden blazen en vervolgens het “Reveil”. Dan zal men de “Brabançonne” hooren, de “Marseillaise” en het “God Save the King”. De Aartsbisschop zal aan de bedevaarders den zegen geven en de godsdienstige plechtigheid zal hiermee een einde nemen.” [69]

Daarna keert de stoet, geleid door de twee kroonprinsen, terug naar de Grote Markt. Er wordt opgeroepen om dezelfde sereniteit en orde te houden die vorig jaar, bij de inhuldiging van het Brits Gedenkteken, de onthulling zoveel waardigheid meegaf, ofschoon het aantal bedevaarders dit jaar meer dan het dubbel zal bedragen dan toen. In de namiddag zullen de bezoekers geleidelijk aan de stad terug verlaten.

In de Ieperse gemeenteraad werd, onder voorzitterschap van burgemeester Sobry, eveneens druk vergaderd over hoe de plechtigheid in goede banen te leiden en hoe bovendien een goede indruk op de hooggeplaatste gasten na te laten. Tijdens de gemeenteraadszitting van 30 juli 1928 stond de organisatie van de ontvangst van de bedevaarders centraal. Naast het probleem dat de plechtigheid op een weekdag valt, waardoor de afgesloten wegen voor veel mensen hinder zullen opleveren, werd gesproken over het opstellen van praalbogen in de stad, om zo de oud-strijders en andere bedevaarders van harte welkom te heten. Het liberaal gemeenteraadslid Glorie vroeg zich af de stad er niet goed aan deed om “minstens eenige praalbogen te plaatsen om die talrijke en hooge bezoekers te verwelkomen?” Het idee vond wel enige navolging, zij het dat er zeer interessante bedenkingen werden gemaakt:

“M. Sobry: Het gedacht is goed, maar wij mogen de beteekenis niet vergeten van die bedevaart die uitsluitend een grootsche doodenhulde is in plaats van een zegepraal. Daarbij ’t is de stad niet die dat feest inricht en ons wordt eenvoudig gevraagd de bedevaarders met de meeste gevoelens van eerbied en genegenheid te ontvangen. Het doel dezer plechtigheid is dus alleen de duizenden Engelsche gesneuvelden te huldigen en te vereeren, en de vriendschapsbanden tijdens den oorlog gesmeed onder de bondgenooten nog te versterken. Volgens mij ware het dus ongepast dien dag triomfpoorten op te richten en victorie te kraaien.

M. Glorie: Mijn gedacht is geenszins dat er moet worden geroepen of die plechtigheid luidruchtig gevierd worden, maar vermits de stad officieel uitgenoodigd is vind ik het zeker weinig van onzentwege enkel mede te gaan tot aan de Dixmudestraat.

M.Sobry: Ik denk niet meer te mogen doen dan hetgeen ons gevraagd wordt. Moest ik echter overtuigd zij dat de Engelschen dat begeeren, zou ik de eerste zijn om het te doen. […]

M. Sobry: Al wat ik zou willen ’t is dat er eensgezindheid zou bestaan om de Engelsche bezoekers met allen eerbied te ontvangen.

M.Glorie: Als de Engelschen zullen zien dat gansch de stad bevlagd is, dat er ter hunner eer praalpoorten zijn opgericht, weest maar overtuigd dat dit op hen den besten indruk zal nalaten.

M. Sobry: Het verwondert mij dat dergelijk voorstel niet gedaan werd, zelfs niet door den heer Glorie, tijdens de inhuldiging van het gedenkteeken der Meenenpoort, alswanneer die plechtigheid eerder een feestelijk karakter had mogen ontvangen.

M. Van Nieuwenhove: Puisque les differents groupes nous arrivent par train, serait-ce maladroit de placer, par exemple a l’entree de la rue de la Gare, un calicot portant cette inscription: “La ville d’Ypres souhaite la bienvenue aux pelerins Anglais”?

M. Leuridan: Het voorstel van den heer Glorie, waarvoor ik ook wel iets voel, is niet slecht en met een opschrift in den zin aangeduid door den heer Van Nieuwenhove zult gij de Engelsche bezoekers plezier doen. Gij zoudt alleen een gepasten tekst moeten vinden waar alle gedacht aan feest is uitgesloten.

M. Sobry: Wij kunnen aan dit verlangen voldoening geven.

M. Van Nieuwenhoven: Avant de realiser cette proposition rien n’empeche de prendre l’avis du comité organisateur.

Iedereen verklaart zich hiermede ’t akkoord en de vooropgestelde politieverordening wordt algemeen goedgekeurd.” [70]

Het belang van deze besprekingen ligt uiteraard niet in het feit of de praalbogen al dan niet opgesteld werden, wel in de argumenten die werden aangehaald om ze niet op te stellen. Wanneer burgemeester Sobry stelt dat praalbogen bij deze plechtigheden niet gepast zijn, gezien de plechtigheden, ondanks hun enorme omvang, toch sereen dienen te verlopen, en alleen een eerbetoon dienen te zijn aan de gesneuvelde strijdmakkers, geeft hij, zonder het allicht zelf te weten, de kritiek van met name de V.O.S. lik op stuk. We hebben immers gezien dat de V.O.S. steeds hamerde op het miltaristisch aspect van de herdenkingen te Brussel. En hoewel deze plechtigheden niet te Brussel, maar te Ieper doorgingen, en er tal van militaire vertegenwoordigers aanwezig waren, stond de eerbied voor de gesneuvelden centraal. De komst van de bedevaarders stond volgens burgemeester Sobry immers helemaal in het teken van de huldiging en de verering van de duizenden Engelse gesneuvelden. Het plaatsen van praalbogen zou aldus ongepast zijn, vermits het hier niet ging om een feest of een overwinningsroes, maar om een indrukwekkende dodenhulde.

Bij de eerste Engelse bedevaarders, die reeds enkele dagen voor de grootse plechtigheden te Ieper aankwamen, voegden zich op 6 augustus ook de Ieperse afdelingen van het Nationaal Verbond der Invaliden, de Nationale Strijdersbond en het Verbond der Burgerlijke Oorlogsslachtoffers.

Het Ypersche was, zoals het een goede Belgisch gezinde krant betaamt, vol geestdrift over het gebeuren, en stak de loftrompet over de uitstekende organisatie: “Volstrekt niets kwam het bewonderenswaardige welgelukken dezer roerende betooging storen. Al degenen die aan haar inrichting medewerkten verdienen lofbetuigingen waarop niets af te dwingen valt. Maar de palm komt ontegensprekelijk toe aan kolonel E. C. Heath. D. S. O. die het bestuur van al de diensten der bedevaart op zich nam. Eere aan hem en aan het “British Legion”! […] Leve Groot Brittanje, Frankrijk en België!!”

De plechtigheid was zonder meer indrukwekkend te noemen. Ook de hooggeplaatste gasten als maarschalk Pétain en generaal Maurice waren onder de indruk. Pétain verklaarde aan Maurice: “Ceci est une de plus grandes impressions de ma vie, la Porte de Menin est le plus beau Memorial du guerre qui’l m’ a été donné de contempler.” [71]

De bedevaart was dus op alle vlakken een succes dat op alle aanwezigen een sterke indruk heeft nagelaten. De plechtigheden overschreden het lokale karakter in elk opzicht, dat blijkt al uit de gemeenteraadszitting van 30 juli [72]. De bedevaart is een prototype van de drieledigheid van de stad met betrekking tot haar oorlogsverleden. De aanwezigheid van de lokale, nationale, Franse en Britse politieke, militaire en adellijke elite gaf het hele gebeuren een zelden gezien elan. Hun aanwezigheid doet denken aan de 11-novemberherdenkingen van 1998 toen, ter gelegenheid van de 80ste verjaardag van de wapenstilstand, de Britse en Belgische vorsten ook aanwezig waren op de plechtigheden.

----------------

[65] Cfr. bijlage 2.

[66] in : Het Ypersche…, 9de jaargang, nr. 17, 4 augustus 1928.

[67] IBIDEM.

[68] IBIDEM.

[69] IBIDEM.

[70] IBIDEM.

[71] Het Ypersche…, 9de jaar, nr. 19, 18 augustus 1928.