Hieronder vind je de scriptie "Oorlog zonder einde - De herdenking
van de Eerste Wereldoorlog te Ieper" die door Menno Claes werd
gemaakt in het academiejaar 2000-2001, aan de Faculteit Letteren
en Wijsbegeerte van de Universiteit Gent, voor het behalen van de
graad van Licentiaat in de Geschiedenis (Promotor: Prof. Dr. Bruno
de Wever). De tekst van de scriptie werd aangevuld met fotomateriaal
van de website www.wo1.be.
2.4 Besluit
Uit het overzicht van verschillende tijdschriften die over de
Ieperse Furie berichtten wordt vooral één ding duidelijk:
men berichtte niet over de feiten zonder een standpunt in te nemen.
Dit helpt wel de tijdschriften in Vlaamse of belgicistische hoek
te plaatsen, maar het maakt het er niet gemakkelijker op om, op
basis van deze verschillende artikels, tot een goede reconstructie
van het gebeuren te komen. We kunnen dus - met grote omzichtigheid
slechts - een aantal conclusies trekken.
De overheid had bij politiebevel elke andere dan de officiële
plechtigheden verboden. Wanneer de V.O.S. dan toch op eigen houtje
een stoet naar het monument inlaste en Jeroom Leuridan er een
toespraak hield, is het niet onlogisch te noemen dat hieraan een
einde werd gemaakt.
Wanneer men echter bekijkt op welke manier de rijkswacht hierbij
te werk ging, dienen toch enkele vragen gesteld worden. Wat verantwoordde
hun uitermate gewelddadig gedrag tijdens de twee charges en was
bovendien die eerste charge wel noodzakelijk geweest? Het zingen
van de Vlaamse Leeuw en de weigering om nog mee te lopen in de
stoet was eigenlijk niet meer dan een reactie op het feit dat
de V.O.S. achter de militaire muziek diende op te lopen, ondanks
hun uitdrukkelijk verzoek om alle militaire aspecten achterwege
te laten.
Toch lijkt het er weer op dat dit uitdrukkelijk verzoek om af
te zien van een militaire inslag, a priori voor dovemansoren bestemd
zou zijn. Het België van na de Eerste Wereldoorlog leefde
in een sterk patriottische sfeer. Ondanks, of juist omwille van
de politieke instabiliteit waaraan het land onderhevig was, waren
plechtigheden als die van de onthulling van het Iepers gedenkteken
voor de gesneuvelden, zeer vaak het toneel van een uitgesproken
Belgisch-nationalisme. Wanneer het hele gebeuren met de aanwezigheid
van Belgische, Britse en Franse vertegenwoordigers en gastsprekers
dan nog een internationaal aspect meekrijgt, behoeft het niet
veel bewondering te wekken dat de plechtigheden van die 27ste
juni 1926, baadden in een uitermate pro Belgische sfeer, waarbij
de V.O.S. of enige andere Vlaamsgezinde organisatie als een vreemde
eend in de bijt werd beschouwd. Elke kik die ze gaf, werd dan
ook nauwlettend in het oog gehouden, en zoals gebleken, onmiddellijk
gefnuikt.
Over het punt van de Vlaamse Vlag bestaat weinig duidelijkheid.
Vlaamse stemmen beweren dat het ophangen van de Vlaamse Vlag aan
het stadhuis een belofte was die de overheid had verbroken, terwijl
Belgische stemmen dan weer melden dat hiervan geen sprake kon
zijn. Het punt van de aan- dan wel afwezigheid van Vlaamse symbolen,
is kentekenend. Wanneer Missiaen stelt dat het de V.O.S. was die
de plechtigheid trachtte te politiseren, met de eis om de Vlaamse-Leeuwenvlag
te hijsen, gaat hij immers uit van het idee dat de plechtigheid
een a-politieke gebeurtenis zou zijn. Er is echter hopelijk voldoende
aangetoond dat het hele gebeuren uitermate politiek gekleurd was.
Men ging uit van een Belgisch-nationalisme, België als overwinnaar
van de Eerste Wereldoorlog. Er waren een militaire kapel en militaire
vertegenwoordigers aanwezig. Men nodigde sprekers uit van de bondgenoten
Frankrijk en Engeland, en verguisde de Duitsers, waardoor duidelijk
blijkt dat antiGermaanse gevoelens nog sterk in het achterhoofd
hingen. Wanneer Missiaen dan wil spreken van een apolitieke
gebeurtenis, wil dat toch zeggen dat al de zonet opgesomde
kenmerken als de norm beschouwd werden, en zo derhalve niet beschouwd
werden als politiek geladen. Het toont tevens aan hoe problematisch
het thema Vlaanderen wel was. Een Vlaamse-Leeuwenvlag
was een zeer duidelijk ideologisch, politiek en cultureel signaal.
Het was het symbool voor de Vlaamse Beweging in haar ontvoogdingsstrijd
en voor al haar tegenstanders was het in diezelfde context een
verwerpelijk symbool van collaborateurs, landverraders en separatisten.
Zulk een symbool kon niet, mocht niet wapperen op een dag die
niet enkel in het teken stond van de doden van de Eerste Wereldoorlog,
maar ook in het teken van de Belgische overwinning.
Het lijkt er ook sterk op dat de overheid op verschillende manieren
de V.O.S. geprovoceerd heeft, of althans de intentie had dat te
doen. Wanneer de V.O.S.-sen dan inderdaad dom genoeg waren om
ook maar enigszins dwars te liggen en hun ongenoegen uitten, zat
het spel al heel snel op de wagen. De rijkswacht ging er met de
grove borstel door, de overheid waste haar handen in onschuld.
Zij had zich niets te verwijten, aangezien het de flaminganten
geweest waren die de opstootjes en de rellen veroorzaakt hadden.
De rol van burgemeester Colaert lijkt tevens vrij belangrijk.
In welke mate had hij een invloed op het gedrag van de rijkswacht?
Het is een piste die onderzocht moet worden, aangezien het niet
onmogelijk lijkt dat hij van de gelegenheid gebruik wilde maken
om af te rekenen met politieke tegenstanders als Butaye en Leuridan.
Vooral Butaye was in de Westhoek een politiek zwaargewicht. Als
lokaal politicus was hij actief in Watou, maar net als Colaert
was hij ook parlementslid, en hield hij zich volop bezig met parlementair
dienstbetoon voor de lokale, ook Ieperse bevolking, hetgeen hij
verzilverd zag in meerdere opeenvolgende electorale successen.
Hoewel de parlementsverkiezingen van 1921 voor de frontpartij
eerder een teleurstelling betekenden, wist de partij onder leiding
van Butaye in het arrondissement Ieper 22,6 % van de stemmen te
halen; in 1925 zelfs 29 %. Opvallend is toch dat Butaye, die zijn
populariteit zoals gezegd grotendeels aan zijn parlementair dienstbetoon
dankte, op ideologisch vlak een vrij kleurloze figuur was, in
die zin dat van hem geen krasse uitspraken of radicale standpuntinnamen
verwacht moesten worden, in tegenstelling tot bijvoorbeeld Joris
Van Severen.
Op gemeentelijk vlak lijkt het er dan weer op dat de Vlaams-nationalisten
hun voordeel wisten te doen met de Ieperse Furie. Bij de gemeenteraadsverkiezingen
die in het najaar van 1926 gehouden werden, kwamen ze als tweede
partij uit de stembus, na de eeuwige katholieken. Leuridan bleek
na burgemeester Colaert de populairste politicus te zijn. Bij
de verkiezingen van 1932 echter verloren de nationalisten de helft
van hun zetels, terwijl de andere partijen er wel absoluut (het
aantal effectief behaalde stemmen), maar niet relatief (het aantal
gewonnen zetels; met uitzondering van de katholieken) op vooruitgingen.