Hieronder vind je de scriptie "Oorlog zonder einde - De herdenking
van de Eerste Wereldoorlog te Ieper" die door Menno Claes werd
gemaakt in het academiejaar 2000-2001, aan de Faculteit Letteren
en Wijsbegeerte van de Universiteit Gent, voor het behalen van de
graad van Licentiaat in de Geschiedenis (Promotor: Prof. Dr. Bruno
de Wever). De tekst van de scriptie werd aangevuld met fotomateriaal
van de website www.wo1.be.
2.2 De Ieperse Furie (27 juni 1926)
Zondag 27 juni 1926 diende een speciale dag te worden voor Ieper
en zijn inwoners. Die dag werd immers een monument onthuld in
de Hallestraat ter ere van zijn oorlogsslachtoffers, burgers en
soldaten. Op het monument stonden de namen gegraveerd van 155
soldaten en van een omgekomen kloosterzuster [36].

Rond de onthulling was een hele plechtigheid georganiseerd met
een mis, een optocht, zangfeesten en toespraken van lokale, nationale
en internationale sprekers. Om 22 uur werd de plechtigheid afgesloten
met een vuurwerk. Als men het programma analyseert, blijkt duidelijk
dat het de intentie was om alle lagen en bevolkingsgroepen van
Ieper bij de herdenking te betrekken. Er was geen organisatie,
instelling, vereniging of club uit Ieper die niet meeliep in de
stoet: alle scholen, de lokale voetbalclub en haar supportersclub,
de biljartmaatschappijen, de toneelvereniging, de Post, de harmonie
en de muziekschool,
tot en met de Kaartersfederatie, allen
liepen mee in de stoet (cfr. infra). Tijdens en tussen de redevoeringen
was er muziek, gebracht door de harmonie en de muziekschool. Wat
een feestdag van herdenking en bezinning diende te
worden, draaide uit op een memorabele gebeurtenis, maar dan ten
gevolge van de rellen en schermutselingen die plaatsvonden tussen
leden van de Vlaamse Oudstrijdersbond (V.O.S.) en flaminganten
enerzijds en de ordetroepen anderzijds [37].
Twee keer chargeerde de rijkswacht op de V.O.S.-aanhangers. Een
eerste keer tijdens de optocht naar het monument, wanneer de V.O.S.sen
afgezonderd geraakten van de optocht. Een tweede keer toen ze,
na de officiële plechtigheden aan het monument op eigen houtje
een toespraak trachtten te houden. De reden? Wederzijdse provocaties.
De V.O.S. beweerde onheus bejegend te zijn, doordat het Vlaamse
aspect tijdens de plechtigheid miskend werd. Te elfder ure werden,
aldus de V.O.S., Vlaamse symbolen als het hijsen van
de Vlaamse vlag en het zingen van de Vlaamse Leeuw van het programma
geschrapt, ondanks het feit dat de V.O.S. vertegenwoordigd was
in de feestcommissie. Logischerwijs ontstemde dit de leden van
de V.O.S. en haar sympathisanten. Dit schrappen of niet inlassen
van Vlaamse symbolen vormde langs Vlaamse zijde de aanleiding
tot het uit de hand lopen van de plechtigheden. V.O.S. vond bedrogen
te zijn door de burgemeester, maar een andere bron [38]
voert dan weer aan dat er nooit sprake was van het opnemen van
Vlaamse symbolen in het programma. De V.O.S. schetste in grote
lijnen het volgende scenario. De leden van de V.O.S., die de staart
van de optocht naar het gedenkteken vormden, zongen op een gegeven
moment De Vlaamse Leeuw. Dit gegeven vormde de aanleiding
tot de eerste rellen: zij werden tegengehouden door de ordetroepen,
waarna er een charge plaatsgreep. Na het beëindigen van de
officiële plechtigheden vormden de leden van de V.O.S. opnieuw
een stoet om op hun beurt alsnog het monument te groeten en er
kransen neer te leggen. Zover kwam het niet, want een nieuwe charge
van de rijkswacht deed de menigte uiteenstuiven en een twintigtal
mensen werd gearresteerd.
Dat de Ieperse V.O.S. net op diezelfde dag besloten had een gewestdag
te organiseren, naar aanleiding van de onthulling, zal belgicisten
allicht hebben dwarsgezeten. Zij vertellen dan ook een heel ander
verhaal. De leden van V.O.S. werden niet afgesloten van de rest
van de optocht, zij kozen daar zelf voor. Een van hun leiders,
meester Emile Butaye, liet een gat met de rest van
de optocht. Wanneer zij aanvoeren zonder reden uiteengejaagd te
worden tijdens de tweede charge aan het monument zelf, verliezen
ze echter het politiebevel uit het oog, dat naar aanleiding van
de plechtigheden was uitgevaardigd. Artikel twee van dat politiebevel
stelt uitdrukkelijk: buiten hetgeen op het officieel programma
gemeld staat, zijn alle stoeten en voordrachten in openbare plaatsen
of in opene lucht verboden. [39]
Het is immers zo dat eens het monument bereikt, Jeroom Leuridan,
prominent flamingant, de Vlaamsgezinden wilde toespreken.

Strikt genomen was het de plicht van de rijkswacht om daar paal
en perk aan te stellen, aangezien deze toespraak niet in het officiële
programma voorzien was [40]. Vraag is evenwel
of de ordetroepen zo driest en gewelddadig te werk moesten gaan.
Daarnaast is er het niet onbelangrijk gegeven dat elk muzikaal
intermezzo en/of concert werd afgesloten door de Brabançonne.
Uiteraard is ook dit geen toeval, zulks had duidelijk propagandistische
doeleinden. Op deze manier kreeg de plechtigheid een uitgesproken
Belgicistisch karakter. De lokale overheid, als belangrijke (mede)organisator,
liet zo duidelijk blijken in welk kamp ze wenste te worden geplaatst,
wellicht ook omwille van de internationale genodigden en sprekers.
Het is de bedoeling om in dit deel na te gaan hoe het zo ver
is kunnen komen. Waarom chargeerde de rijkswacht op zon
agressieve manier? Hadden zij orders gekregen om elke Vlaamse
inbreng in het feest te vermijden, of was er een zodanige provocatie
van de kant van de V.O.S. dat het gebruikte geweld te rechtvaardigen
valt? Welke rol speelde burgemeester Colaert, hoe was de reactie
en de opinie van ooggetuigen,
Kortom, er zal hier getracht
worden het gebeuren te reconstrueren. Dit moet grotendeels mogelijk
zijn door de weergave van het geheel in de lokale en nationale
pers te behandelen, pamfletten van beide zijden te bekijken en
dergelijke meer. Geenszins is het de bedoeling partij te kiezen
voor deze of gene zijde. De betrachting is klaarheid in een kluwen
te scheppen waarin vele vragen vooralsnog onbeantwoord bleven.
Het moge in ieder geval duidelijk zijn dat er geen sprake kon
zijn van een neutrale plechtigheid. De situatie in Ieper (en België)
was tijdens het Interbellum zodanig gepolitiseerd dat zelfs bij
de onthulling van een lokaal monument, al is het dan in een stad
met zo een enorme symboolwaarde, beide kanten hun slag trachten
thuis te halen. Het is op zijn minst fascinerend en misschien
zelfs schrijnend te noemen dat de onthulling van een monument,
met als doel duidelijk het versterken van de lokale eenheid, in
een stad als Ieper, zowel een plaatselijk als een nationaal en
internationaal icoon, voorbeeld voor de oorlogsgruwel, zodanig
uit de hand kon lopen.
Verder is het nuttig te vermelden dat de Ieperse Furie geen unicum
is. Wel is het zo dat bij dit onderzoek nergens aanwijzingen gevonden
waren van een dermate gewelddadig verloop van de plechtigheden,
als bij de onthulling van het Ieperse monument. Ook elders liepen
onthullingen van lokale monumenten al eens uit de hand ten gevolge
van de twist tussen V.O.S. en N.S.B. Zo diende de onthulling van
het oorlogsmonument te Boezinge in 1938 te worden uitgesteld,
omdat ook daar de V.O.S. geen vrede nam met het niet erkennen
van Vlaamse symbolen en ook na de Tweede Wereldoorlog (in de jaren
60) kwamen nog zulke brandjes voor, onder meer te Mortsel
en te Brussel. Te Mortsel werd de V.O.S. min of meer verplicht
om de nationale driekleur aan haar vlaggen te bevestigen, wilde
ze mee opstappen in de optocht. Te Brussel mocht de V.O.S. wel
deelnemen aan de kerkelijke plechtigheid, op voorwaarde dat ze
haar vlaggen buiten zou laten. Onnodig te zeggen dat de V.O.S.
in beide gevallen niet inging op de gestelde voorwaarden.
Ter afsluiting wordt dan ingegaan op de verzoening tussen Vlaamse
en nationale oud-strijders bij de recentste 11-novemberherdenkingen
(te Ieper). In de media werd het beeld opgehangen dat het een
verzoening betrof tussen twee kampen die elkaar na de Tweede Wereldoorlog
de rug hadden toegekeerd. Uiteraard zijn de themata van na de
Tweede Wereldoorlog, zoals bijvoorbeeld de amnestiekwestie, altijd
actueel gebleven, zeker in vergelijking met de themas voortkomende
uit de Eerste Wereldoorlog. Maar heeft men niet uit het oog verloren
dat deze oudere themas de voedingsbodem vormden voor de
kwesties van na 1945?
Eerst komt de afwerking van het officiële programma aan
bod: er wordt aandacht besteed aan de gevoerde toespraken, de
gezongen liederen en zo meer, teneinde hiervan een analyse te
kunnen maken. Dit zal illustreren dat de klemtoon alvast niet
ligt op Vlaamse punten en zeker niet op de ontvoogding van Vlaanderen.
2.2.1 Het officiële programma
In dit deel wordt het programma overlopen [41]
en krijgen de gehouden redevoeringen de nodige aandacht. Op zich
heeft de afwerking van het officiële programma weinig of
niets te maken met de rellen, aangezien die elders plaatsvonden.
De redevoeringen en de gezongen liederen zijn echter wel een illustratie
van de ogenschijnlijke neutraliteit van de huldiging.
Neutraliteit impliceert hier wel dat men uitging van een Belgische
herdenking. Het blijkt nodig te zijn een overzicht te geven van
het programma, teneinde de nodige achtergrondinformatie te leveren
bij het gebeuren. Dat de Brabançonne meermaals gespeeld
werd, kan wel gedeeltelijk een politieke inkleuring krijgen, wetende
dat het zingen van de Vlaamse Leeuw, zoals uit de feiten blijkt,
strikt taboe was.
- 10.30 u: plechtige hoogmis in de Sint-Pieterskerk. Vaderlands
sermoen, gehouden door Bouteca, gewezen krijgsaalmoezenier.
- 11.30u: concert op de Grote Markt door de Koninklijke
Philharmonie van Poperinge, onder leiding van Eugène
van Elslande. Het concert omvatte:
- Airs Populaire Yprois (E. Van Elslande)
- Ouverture uit de Maritana (Wallace)
- Spa Aubade (J.E.Strauwen)
- Liefdeslied van Siegmund uit de Walkure (R. Wagner)
- Cortège Fleuri (J.E. Strauwen)
- Ouverture d'Egmont (Beethoven)
- Suites de Valses (E. Van Elslande)
- Brabançonne (Van Campenhout)
- 14.30u: vertrek van de stoet van het Statieplein en opstappen
door de belangrijkste straten van Ieper [42]
naar de Hallestraat, waarin tal van lokale verenigingen mee
liepen. De Rijkswacht opende de stoet, de V.O.S. sloot de stoet.
Ook de oudstrijdersbonden en invalidenbonden van de naburige
gemeenten waren vertegenwoordigd. Borden met de namen der gesneuvelden
werden door schoolkinderen gedragen.
- 15.30: onthulling van het monument, ontworpen door ingenieur
J. Coomans en door beeldhouwer Debeul. Op de ereplaats voor
het gedenkteken verzamelden zich de ouders en naaste familie
van de overledenen/gesneuvelden. Rond het monument stonden de
Ieperse oud-strijders behorende tot de Nationale Invalidenbond
en de Nationale Oudstrijdersbond [43]. De
hoge genodigden hadden, samen met de leden van de lokale overheid,
op een verhoog plaatsgenomen.
De redevoeringen: de volgende mensen hielden redevoeringen (in
volgorde van spreken):
- Isaï Gruwez, voorzitter van de Nationale Invalidenbond
Afdeling Ieper;
- René Colaert, burgemeester van de stad Ieper;
- Generaal-majoor Chenot, vertegenwoordiger van de minister
van landsverdediging;
- Generaal Clive, militair attaché van de Britse ambassade
te Parijs;
- generaal Mangeot, gouverneur van Duinkerke.
Het is niet de bedoeling de integrale redevoeringen over te nemen.
Wel zal de inhoud, de boodschap geanalyseerd worden en zal ter
illustratie her en der een citaat worden overgenomen [44].
a) Gruwez
Gruwez had het in zijn redevoering vooral over de heldenmoed
en de opoffering van de soldaten (allemaal, niet enkel de Ieperse),
waardoor ze er uiteindelijk in slaagden de overwinning te halen
toen onze onzijdigheid zoo eerloos geschonden werd en de
vijand onze grenzen overschreed
Daarnaast vroeg hij
om de 925 burgerslachtoffers niet te vergeten, tevens gevallen
voor hunne plicht. Het gedenkteken moest er ten slotte de
burgers van de nieuwe generatie aan herinneren hoe het leger in
1914 zijn plicht begreep en aantonen dat zij, indien nodig, op
hun beurt bloed en leven moesten veil hebben ter verdediging
van Koning en ons dierbaar Vaderland. De nabestaanden zouden
troost kunnen vinden in het monument te weten dat het vereenend
aandenken diep in aller harten gegroefd is en onuitwisbaar erin
bewaard zal blijven. Na de toespraak werd de nationale vlag
van het monument gehaald, en blazen klaroenspelers Te Velde
en de Brabançonne.
b) Colaert
Colaert legde de klemtoon op de plaats van het monument, een
symbolische plaats voor de stad Ieper. In 1302 was het van hier
dat de troepen naar Groeninghe vertrokken, in 1202 legde Boudewijn
van Konstantinopel er de eerste steen van de Lakenhallen,
en
in 1914 vertrokken de Ieperse jongens hier vandaan naar het front.
Na de redevoering van de burgemeester werd de cantate ingelast.
Het betreft enkele liederen geschreven door Albert van Egroo,
directeur van de muziekschool, op teksten van schepen (en toekomstig
burgemeester) Sobry. In de cantate wordt de heldenmoed van het
kleine België en haar vorstenpaar en inwoners bejubeld, alsook
die van bondgenoten Frankrijk en Engeland [45]
en de agressor, Duitsland, uitgespuwd. De teksten getuigen van
een uitgesproken Belgisch nationalisme en van anti-Duitse gevoelens
[46]. Dit is belangrijk, gezien de gebeurtenissen
van die dag, te meer daar alle Vlaamse elementen op
het allerlaatste moment van het programma werden geschrapt, zoals
een pamflet (cfr. infra) aanvoerde. Daartegenover dient gezegd
dat Belgisch-nationalisme [47] en rancune tegenover
Duitsland sterk aanwezig waren in het België van na Wereldoorlog
I, zodat men toch moeilijk kan aanvoeren dat zulke liederen een
provocatie waren aan het adres van de V.O.S. en/of de Vlaams-nationalisten.
c) Chenot
Chenot betoont, uit naam van het leger, een innige uiting van
bewondering voor de heldhaftige zonen van Yper, aan de glorierijke
dooden van den grooten oorlog. Ook roemt hij de Ieperse
bevolking die door de jarenlange beschieting en bombardementen,
talrijke mensenlevens te betreuren hadden en hun huizen in puin
geschoten wisten:
De wereld zag U pal staan!
De wereld zag U overwinnen!
Door U allen, O Helden, die gevallen zijt voor de verdediging
van ons land, werd België groot gemaakt.
d) Clive
Clive benadrukte de unieke plaats die Ieper geworden is voor
het Britse Rijk, gezien die plaats in het 600 kilometer lange
front gekenmerkt wordt door het extreme geweld en bloedvergieten
dat er vaak plaats had, de hele vier jaar lang. Hij sprak over
het strategische en symbolische belang van de Ypres
salient, waar de geallieerden de krachten verscheidene keren
bundelden tegen de Duitsers. De 200 graven in de buurt van de
stad zijn de getuigen van het Britse offer, waardoor Ieper voor
Groot-Brittannië is wat Verdun voor de Fransen is. Het is
in de salient dat uiteindelijk de patstelling begon die, vier
jaar lang duurde, en waar de vijand uiteindelijk werd teruggedreven:
loffensive ennemie fut enrayée, arrêtée
et trois mois plus tard on vit commencer loffensive alliée
qui ne sarrêta quaux bords du Rhin. Vier
jaar lang heeft Ieper al het kwaad en de gruwel van een oorlog
moeten doorstaan, waardoor er voor altijd een onlosmakelijk verbond
zal blijven bestaan tussen Ieper, zijn inwoners en de Britten.
e) Mangeot
Mangeot maakt een uitgebreide vergelijking tussen de Franse overwinning
aan de Marne en de zwaarbevochten Brits-Belgische overwinning
aan de IJzer en de stad Ieper. Daarbij heeft hij het vooral over
het belang van die overwinningen voor het verloop van de hele
oorlog. Hij citeerde daarbij Foch: La victoire que nous
venons de remporter est peut-être plus importante par ses
effets que la victoire de la Marne.
Na de toespraken werden de nationale hymnen gespeeld van België,
Groot-Brittannië en Frankrijk, alsook het plaatselijke Tuindaglied,
waarna talrijke kransen aan het monument werden neergelegd.
- 16.30: concert door het muziekkorps van het derde linieregiment
op de Grote Markt, onder leiding van de onderbestuurder Deridder.
- Marche Jubilaire (A. De Boeck)
- Ouverture uit Oberon (C. von Weber)
- Les Contes d Hoffman (Offenbach)
- Mascarade, Airs de Ballet (Lacome)
- Polonaise (J. Blangenois)
- Brabançonne (Van Campenhout)

Het Ypersche maakt gewag van sterke vaderlandsliefde,
aangezien de Brabançonne op algemeen verzoek herhaald werd
en door de massa volk met eerbied en stijgende geestdrift
was meegezongen [
]aan het muziek een ovatie gebracht (werd)
die klaar en duidelijk te kennen gaf welke vaderlandsche gevoelens
de overgroote meerderheid der Yperlingen bezielen [48].
Wat kan men besluiten op basis van dit programma? Grosso modo
mag men concluderen dat de redevoeringen verstoken bleven van
politiek geladen uitspraken. In de optocht naar het monument stapten
militaire delegaties mee, en de aanwezigheid van een aantal buitenlandse
sprekers zal zonder twijfel een invloed gehad hebben op de sfeer
waarin de herdenking plaats vond. Als we het programma bekijken,
en we bekijken de toespraken, lijkt het alleszins duidelijk dat
de herdenking sterk internationaal gericht was. De klemtoon lag
mee op de goede internationale betrekkingen tussen de geallieerde
landen. Door de gezamenlijke strijd tegen de Duitse agressor werden
banden gesmeed die niet gauw verbroken zouden worden. Dat in deze
sfeer geen plaats was voor binnenlandse en lokale politieke problemen,
lijkt evident. Verder waren er niets dan lofwoorden voor de gevallen
Ieperlingen, wier opoffering de redding van het vaderland, of
zelfs van de hele mensheid betekende.
2.2.2 De rellen en opstootjes
In dit deel wordt vooral aandacht besteed aan de weergave van
de rellen in de lokale en nationale pers. Naast Het Ypersche vinden
we ook uitgebreide reacties in De Poperinghenaar. Opvallend is
de sterk uiteenlopende opinie van beide lokale kranten. Wat de
nationale kranten betreft, vinden we reacties in onder meer De
Standaard en De Tijd, alsook in het uiterst Vlaams-nationalistische
weekblad Vlaanderen.
De lokale pers
Het Ypersche [49] betreurt het feit dat er
eenige opstootjes hebben plaats gehad. Ze verwijten
de extremisten de betoging in het teken van de frontistische
politiek te willen plaatsen, terwijl, aldus Het Ypersche, de huldebetuiging
volstrekt niets met politiek te maken had. Het staat de
extremisten volkomen vrij meetingen, landdagen en wapenschouwingen
in te richten, maar dat moesten zij, in alle geval, Zondag laatst
niet gedaan hebben. Zij deden het toch. Vandaar de opstootjes.
Het artikel besluit: t is erg jammer. Het zou zoo
heerlijk geweest zijn had men de Helden eendrachtig kunnen huldigen.
Over de houding van Het Ypersche valt wel een en ander te zeggen.
Dat het de flaminganten van de V.O.S. verwijt een landdag te houden,
speciaal naar aanleiding van de onthulling van het monument, is
op zich niet opzienbarend. Het is inderdaad zeer goed mogelijk
dat van zulk een actie een provocerende houding uitging. Toch
lijkt het erop dat de aanleiding tot de rellen niet zozeer de
fameuze landdag was, dan wel het schrappen van de Vlaamse symbolen
van het officiële programma. Provoceerde de V.O.S. door haar
landdag, de V.O.S. en de flaminganten werden minstens even zeer
geprovoceerd door het niet erkennen van de Vlaamse aspecten van
de hele zaak (de huldiging en eigenlijk de hele Eerste Wereldoorlog).
Een heel andere inkleuring kregen de rellen in De Poperinghenaar
[50]. De krant telde onder haar redactieleden
dan ook aanhangers en leden van de V.O.S. In een artikel, getiteld
De slag van Ieper, wordt een (duidelijk gekleurde)
weergave gegeven van de gebeurtenissen op zondag 27 juni 1926.
In het artikel wordt juist aangeklaagd dat de V.O.S. geen algemeen
congres mocht organiseren. Het feest moest een militaristisch
en fascistisch karakter hebben, mocht niet Vlaamsch zijn.
Bij deze introductie is meteen de toon voor het artikel gezet.
Het optreden en handelen van de rijkswacht en van de organisatoren
wordt sterk aan de kaak gesteld. Op de 27ste juni 1926 was het
prachtig weer. Wat een schitterend kleurengewimpel op het
stadhuis. De Vlaamsche vlag, van vier miljoenen Vlamingen, alleen
ontbrak. De V.O.S. sen hoopten nog op een onvrijwillige vergetelheid.
Om 9.30 uur interpelleerden ze burgemeester Colaert hierover.
Deze zou, volgens het artikel, beloven dat de vlag om 12 uur op
zijn plaats zou hangen, op de ereplaats, vlak boven de Belgische
driekleur. Toen om 12 uur de vlag niet gehesen was, verontschuldigde
Colaert zich: hij kon er niets aan doen, hij was het komiteit
niet meester en diende zijn woord terug te nemen.
Ook over de plaats die de V.O.S. toegewezen kreeg in de optocht
naar het monument, is De Poperinghenaar niet te spreken. Door
de V.O.S. achteraan de stoet te laten plaatsnemen, zou de stoet
daardoor niet gestoord zijn. t Was immers hun (id
est: het comité) manoeuvre om ze te ontwijken. En de verontwaardigde
V.O.S.sen met hun vlaggen en muziek bleven staan. En voor hen
werd de straat met sterke kabels afgespannen en als bij toeval
was de bereden rijkswacht daar [
] Het militair muziek was
spelend tot voor het gedenkmaal gekomen. Op dat ogenblik werd
dieper in de Boterstraat een Vlaamsch lied gezongen. Dit was het
signaal voor de ruwe pandoeren
Waar De Poperinghenaar
zich bijzonder druk over maakte, is de charge tegen het vaandeldrager
van de V.O.S. van Poperinge, waarbij de vaandel dreigde aan flarden
gescheurd te worden. Toen een oud-strijder, Willie Devos, dit
trachtte te beletten, werd hij, nog volgens de krant, door een
vijftal gendarmen neergeknuppeld, mishandeld en afgevoerd naar
de gevangenis. Vervolgens chargeerde de rijkswacht te paard in
de massa als echte kozakken, hun peerden int volk
En
terwijl de rijkswacht de Vlaamsche Oud-Strijders, het weerloze
volk onder de hoeven hunner peerden vertrappelde, zong men in
koor voor het gedenkmaal, voor de gepanacheerde officieele heeren:
t Is Vrede, t Is Vrede . Het artikel
besluit: Zal er dan geen stem opgaan in het Parlement om
die schanddaden aan de kaak te stellen en de Yperse overheid,
die ze uitlokte, ter verantwoording te roepen
Het is duidelijk dat de krant verbolgen was over de gebeurtenissen
en de schuld bij de organisatoren en de ordetroepen legde. Hierbij
geeft ze een heel andere verklaring voor de rellen dan het Yperse.
Op zich niet zo opzienbarend, maar het illustreert wel mooi de
problematiek rond het thema. Tevens maakt het grote verschil in
nieuwsweergave duidelijk dat het onmogelijk en nutteloos is een
schuldige aan te duiden. De situatie was zodanig gepolitiseerd
dat stellingname en generalisaties best vermeden worden. Wie provoceerde
wie blijft met andere woorden een open vraag. Het kan dan ook
niet de bedoeling zijn deze te beantwoorden, aangezien beide versies
van het verhaal wel hun gelijk en hun ongelijk hebben, en het
niet de betrachting kan zijn van een wetenschappelijk werk om
te culpabiliseren. Het lijkt beter te trachten de omstandigheden
van de gebeurtenissen zo nauwkeurig mogelijk te reconstrueren,
teneinde te weten te komen waarom en hoe de dingen gebeurd zijn,
in plaats van een beschuldigende vinger te richten naar deze of
gene zijde.
Andere tijdschriften
Om het beeld verder te vervolledigen wordt nog gekeken naar enkele
andere dag- en weekbladen, lokaal en nationaal.
Een interessante invalshoek wordt geleverd door Edgard Missiaen,
socialistische volksvertegenwoordiger, in diens artikel in de
De Werkman van zondag 4 juli 1926. Hij verwijt de V.O.S. de huldiging
aan te grijpen om een a-politieke gebeurtenis een politieke inkleuring
te geven en aldus op de rellen aangestuurd te hebben. De V.O.S.
had namelijk al in de commissie getracht de hele zaak te politiseren.
Op het laatste oogenblik komen zij aandraven met een
eisch, een zaak te berde brengende die reeds beslist was. Men
eischte namelijk dat de leeuwenvlag aan het stadhuis zou geheschen
worden. Wanneer men echter vroeg waarom, en wat die vlag in
die plechtigheid te betekenen had dan kon hun afgevaardigde
niet, of miste hij den moed te antwoorden. Dit gaf het recht
te veronderstellen, dat men eischte de strijdvlag der fronters,
dus eene politieke vlag, aan het stadhuis te hangen. Onder geen
voorwendsel kon men dergelijke eisch inwilligen zonder gevaar
te loopen, onmiddellijk alle andere politieke partijen met soortelijken
eischen te zien aankomen!. [51]
Wel besluit hij: Wij houden er echter sterk aan, die gendarmen
af te keuren die uit louteren zucht om brutaal te zijn, incidenten
hebben helpen verwekken in plaats van de orde te bewaren. Langs
beide zijden verdienen de onruststokers eene strenge blaam.
[52]
Het extreem Vlaamsnationalistische weekblad Vlaanderen
[53] nam in zijn editie van 10 juli
1926 een artikel over dat in De Tijd (Amsterdam) gepubliceerd
werd. Het artikel vermeld dat de rellen te Ieper zeker geen unicum
vormden, aangezien overal in het Vlaamse land dergelijke plechtigheden
steeds in het teeken worden geplaatst van de Belgische patriotisme
en de militaristische propaganda
Ook wordt de Federation
dAnciens Combattants fascistisch gezind genoemd,
tegenover de Vlaamsgezinde en antimilitaristische V.O.S. Volgens
het artikel verbrak burgemeester Colaert zijn woord, door het
niet heffen van de Leeuwenvlag aan het stadhuis en door het afsnijden
van de Vlaamse oud-strijders van het officiële gedeelte van
de feestoptocht waarna ze door een sterke afdeling gendarmen in
bedwang gehouden werden. Verder maakt het artikel gewag van het
spreekverbod voor Jeroom Leuridan [54] een
der heerlijkste figuren
onder de katholieke Vlaamsche Nationalisten
Toen een gendarm hem verbood verder te spreken, protesteerde
de menigte hevig, hetgeen de aanleiding zou gevormd hebben voor
de eigenlijke Ieperse Furie. Het artikel voorspelt dat het wangedrag
van de Leliaertsvanheden ertoe zal leiden
dat het Vlaamse volk zal komen tot een nationaal bewustzijn
en het besef van eigen waarde.
Ook de Standaard, als belangrijkste Vlaamskatholieke krant,
berichtte uitgebreid over de gebeurtenissen. Maandag 28 juni,
daags na de incidenten, verscheen op de fontpagina een verslag
[55] onder de titel Eene onthulling. Het Gedenkteeken
van Yper. In dit artikel werd enkel gewag gemaakt van hevige
incidenten uitgelokt door tegenstrevers. In allerijl werden de
winkelhuizen rondom het gedenkteken gesloten. De gendarmerie heeft
de omgeving van het gedenkteken moeten schoonvegen. Verscheidene
vlaggen werden aan flarden gescheurd gedurende de opstootjes.
Een vrij sterke groep mannen en vrouwen werd door de politie opgeleid.
Op 29 juni werd veel dieper op de incidenten ingegaan, onder
de titel het Gedenkteeken te Yper. Hevige incidenten. Hierin komt
men terug op de oorzaak van de incidenten. De (anonieme) bron
haalt de veronderstelde woordbreuk van de feestcommissie aan.
Er werd besloten dat naast de Belgische vlag ook de Leeuwenvlag
te dier gelegenheid op het stadhuis zou wapperen en dat de Vlaamsche
Leeuw na de Brabançonne zou gespeeld worden. Naast
deze woordbreuk meende de bron dat de V.O.S.-sen verder sterk
geprovoceerd werden door hen achter het militaire muziek op te
stellen in de optocht, terwijl al de andere groepeeringen,
als F.N.C., F.N.I. en Amities Française voorop gingen.
Als teken van protest bleven de V.O.S.-sen staan in plaats van
mee op te stappen. Ordetroepen stelden zich inmiddels op om te
beletten dat de V.O.S.-sen plaats konden nemen bij het gedenkteken.
Dezen uitten hun protest door de Vlaamse Leeuw te zingen, waarop
de rijkswacht een charge uitvoerde en het plein schoonveegde.
Nog volgens dit artikel verzamelde de V.O.S. nadien in een vergaderzaal,
samen meer dan 4000 mensen. Er werd besloten na de officiële
plechtigheden alsnog bloemen neer te leggen aan het gedenkteken
om zo op eigen manier hulde te brengen. Deze stoet was, nog steeds
volgens het artikel, driemaal groter dan de officiële. Bij
het monument gekomen hield Leuridan een toespraak over de Vlaamse
gesneuvelden, die velen ontroerde. Dit serene moment werd abrupt
verbroken door een rijkswachter die Leuridan verbood zijn toespraak
verder te zetten, waarop de rijkswacht een nieuwe charge inzette,
nog driester, bruter en gewelddadiger dan de eerste. Verscheidene
omstaanders toonden hun verontwaardiging over dit gewelddadige
ingrijpen: verschillende winkeliers ontsloten hun deuren
om aan vrouwen en kinderen de gelegenheid te bieden om aan de
woeste gendarmen te ontsnappen.
De schuld in dit alles ligt, volgens de auteur van het artikel,
volledig bij de Ieperse overheid, die alles in het werk heeft
gesteld om de incidenten uit te lokken.
---------------
[36] Zuster Juliana (Euphrasia Vanneste). Zij
was novicemeesteres in een ziekenhuis. Bij het uitbreken van de
oorlog werd een burgerlijk hospitaal ingericht naast het Heilig
Hart klooster, waar ze samen werkte met de Quakers. Halfweg 1915
werkte ze te Poperinge samen met de gravinnen dUrsel en
de Jehay in het Kasteeltje van de Juge waar ze vooral
tyfuspatiënten verzorgde. Bij een bombardement in juli 1916
liet ze het leven., in: J. CLAERBOUT, De Ieperse Furie. 27 juni
1926, s.l., 1975.
[37] Cfr. bijlage 1.
[38] E. MISSIAEN, in: De Werkman, 4 juli 1926.
[39] Cfr. artikel twee van het politiebevel
dat op 25 juni 1926 uitgevaardigd werd door burgemeester Colaert.
[40] Cfr. Infra.
[41] Het programma zoals weergegeven in het
lokale weekblad Het Ypersche ..., zevende jaargang, N° 12,
3 juli 1926. Het Ypersche
is een belangrijke bron voor het
onderzoek naar de herinnering en herdenking van de Eerste Wereldoorlog.
Het weekblad is het meest representatieve medium voor wat er in
Ieper leefde. Dit ondanks het feit dat de krant, zoals zal blijken,
sterk Belgisch gezind was, en daarom vooral inzake politiek geladen
artikels met de nodige omzichtigheid benaderd dient te worden.
[42] Door de Statiestraat, Tempelstraat, Boterstraat,
Neermarkt, Rijselstraat, Pateelstraat, Bukkerstraat, Hondstraat,
Grote Markt, Dixmudestraat, Surmont de Volsberghestraat, Boesingestraat,
Vandenpeereboomplaats.
[43] Merk op dat de leden van de V.O.S. hier
niet bij waren.
[44] De redevoeringen werden gepubliceerd in
Het Ypersche
van 3 juli 1926, en werden daaruit overgenomen.
[45] En niet Groot-Brittannië.
Het betreft hier allicht een pars pro toto voor het hele Britse
Rijk.
[46] Titels als De Groet, Het
Verwijt, De Vrede, Het Herstel en
De Vereering illustreren dit.
[47] En daaraan gekoppeld een culpabilisering
van een uitgesproken flamingantistisch of activistisch ideeëngoed.
[48] Het Ypersche
zevende jaargang, nr.
12, 3 juli 1926.
[49] IBIDEM
[50] De Poperinghenaar, in: J. CLAERBOUT, De
Ieperse Furie. 27 juni 1926, s.l., 1975. Alle verdere citaten
uit De Poperinghenaar komen uit hetzelfde artikel, tenzij anders
vermeld.
[51] E. Missiaen, in: De Werkman, 4 juli 1926.
[52] IBIDEM.
[53] Vlaanderen was een uitermate antiBelgisch
getint weekblad, dat niet enkel het federalisme van de hand wees,
maar zelfs een GrootNederlands gedachtegoed predikte, in:
Nieuwe Encyclopedie van de Vlaamse Beweging, p.63.
[54] Merk op dat in de voorafgaande verslagen
over dit spreekverbod niets gemeld werd..
[55] De Standaard. Dagblad voor staatkundige,
maatschappelijke en economische belangen, negende jaargang, nr.
175, maandag 28 juni 1926.