HOME

Slagen

Nomenclatuur Gastbijdragen

De herdenking van de Eerste Wereldoorlog te Ieper

 

Hieronder vind je de scriptie "Oorlog zonder einde - De herdenking van de Eerste Wereldoorlog te Ieper" die door Menno Claes werd gemaakt in het academiejaar 2000-2001, aan de Faculteit Letteren en Wijsbegeerte van de Universiteit Gent, voor het behalen van de graad van Licentiaat in de Geschiedenis (Promotor: Prof. Dr. Bruno de Wever). De tekst van de scriptie werd aangevuld met fotomateriaal van de website www.wo1.be.

INHOUD

DEEL I. HET INTERBELLUM: STIJGENDE TEGENSTELLINGEN ONDERMIJNEN DE DEMOCRATIE

1 DE POLITIEK-MAATSCHAPPELIJKE SITUATIE IN BELGIE

Teneinde een goed inzicht te verkrijgen in de politiek-maatschappelijke verhoudingen van de behandelde periodes, is het nodig telkens een algemeen kader te schetsen waarbinnen deze verhoudingen tot stand kwamen. Het Interbellum was voor heel Europa een woelige periode. Na het einde van de oorlog waren de machtsverhoudingen grondig dor elkaar geschud. België werd in deze periode getekend door zware polarisering. De politieke en vanaf de Wallstreet crash ook economische malaise, leidde mee tot de groei van de extremistische partijen. Liefst 18 regeringen kende België in het Interbellum, te rekenen vanaf de eerste regering Delacroix (de zogenaamde regering van Loppem) in 1918 tot de regering Pierlot III in september 1939, de laatste voor de Duitse inval. De instabiliteit van het Belgisch politiek bestel tijdens het Interbellum kent zijn weerga niet in de Belgische geschiedenis.

1.1 De opkomst en geleidelijke institutionalisering van een sterk verdeelde Vlaamse Beweging: de jaren 1920

In dit deel dienen we ons met name toe te spitsen op het groeiende conflict tussen Vlaamsgezinden en de voorstanders van een op dat moment nog sterk unitair en francofoon België. Over de materie van massamanifestaties, het politieke- en verenigingsleven tijdens het interbellum zijn boekenkasten volgeschreven. Op basis van de belangrijkste standaardwerken omtrent deze materie is het mogelijk de nodige informatie in dit werk in te passen. Ook voor de politieke en maatschappelijke geschiedenis van België bestaan enkele standaardwerken die soelaas kunnen bieden. Het is hier dus niet de bedoeling een uitgebreide weergave te bieden van de situatie van België en Vlaanderen doorheen de twintigste eeuw, die bovendien nagenoeg volledig op reeds bestaande literatuur gebaseerd zou zijn. Wel is het nodig om de belangrijkste contouren te schetsen, teneinde een breder sociaal, economisch, politiek en cultureel kader te kunnen creëren. Het hieronder geschetste overzicht is voor een belangrijk deel geïnspireerd op het werk van Dewever [1], aangezien zijn werk beschouwd mag worden als één van de standaardwerken omtrent het Vlaams-nationalisme. Hij biedt hierin een glashelder overzicht van de belangrijkste historiografie omtrent de Vlaamse Beweging tot aan de periode van de oprichting van het VNV. Daarnaast noteren we hier een standaardartikel over de geschiedenis van de Vlaamse Beweging [2] en het werk van Witte [3] als belangrijkste overzichtwerken met betrekking tot de Vlaamse en Belgische (politieke) geschiedenis van de twintigste eeuw.

Het België van in het interbellum was ambivalent, misschien zelfs ambigu. Het einde van de oorlog had het nationalisme in de hand gewerkt, Albert was de “held van de IJzer”, “Brave Little Belgium” was niet geplooid voor de Duitse agressor, die nu sterk gediaboliseerd werd. Het Belgisch nationalisme zou echter in botsing komen met een ideologische tegenhanger: het Vlaams-nationalisme. Dit Vlaams-nationalisme werd onmiddellijk na de Eerste Wereldoorlog en de eerste jaren erna sterk overschaduwd door een vrij fanatiek en triomfalistisch Belgicisme. Na de Eerste Wereldoorlog kregen de activisten en de collaborateurs de rekening gepresenteerd. Waren de activisten een marginaal segment van de bevolking geweest dat niet op al te veel sympathie en begrip dienden te rekenen, ook niet binnen loyalistische flamingantische kringen, de oud-strijders uit Vlaanderen (meer bepaald de zogeheten Fronters) eisten na de oorlog toch meer en meer de aandacht op. Zij die vier jaar hadden gestreden zouden nu gehoord worden. Wat daarbij van belang is, is dat zij, eigenlijk al tijdens de oorlog, een soort van symbiose met de activistische ideeën aangingen [4]. De Vlaamse Beweging bevond zich hierdoor in een crisis. Slaat men de overzichtwerken er op na, dan blijkt niet enkel dat de Vlaamse Beweging an sich uit een veelvoud van groeperingen en verenigingen bestond, en men bijgevolg moeilijk kan spreken van dé Vlaamse beweging, ook constateert men dat belangrijke auteurs als Wils, Willemsen en Elias vaak andere interpretaties en verklaringen geven omtrent het hoe en waarom van het activisme en het Vlaams-nationalisme [5].

De eisen van de Vlaamse oud-strijders waren niet mis te verstaan. Er moest in Vlaanderen eindelijk werk gemaakt worden van de eentaligheid, de Gentse universiteit diende officieel vernederlandst te worden (iets waar de Duitsers met hun Flamenpolitik al werk van hadden gemaakt), kortom, er diende een einde te komen aan de verknechting van Vlaanderen.“Vlamingen, gedenkt de Guldensporenslag” had Albert in 1914 gezegd, akkoord, maar die oproep werd reeds een paar jaar later, tijdens de oorlog, gecounterd met de vraag “Hier ons bloed, wanneer ons recht?”. De Frontbeweging werd al snel na de oorlog een politiek actieve beweging en groeide uit tot de Frontpartij. De stichting van de partij impliceerde binnen de Vlaamse Beweging overigens een breuk met de katholieke zuil, waartoe bijvoorbeeld Van Cauwelaert, de voorvechter van het Minimumprogramma, behoorde. De breuk kwam er volgens Elias [6] vooral ten gevolge van de eis van zelfbestuur als één van de programmapunten, die voor de katholieken onaanvaardbaar was [7]. Wils [8] haalt ook het feit aan dat de Frontpartij meer en meer de ‘activistische erfenis’ overnam, als bijdrage tot de breuk. De Frontpartij kan men overigens geen sterk uitgebouwde partij noemen, het was veeleer een amalgaam van lokale partijen en bewegingen. Deze bewegingen streefden ernaar de Vlaamse eisen te realiseren. Het probleem daarbij was dat ze vaak mekaar het licht in de ogen niet gunden. Met name de te varen koers vormde aanleiding tot veel twistpunten. Het grootste twistpunt was de kwestie rond de organisatie van de staat Vlaanderen. Dat het met het unitaire België in zijn huidige vorm en discrepantie in de machtsverhoudingen niet verder kon, daarover was vrijwel elke Vlaams-nationalist het eens. Maar moest Vlaanderen gewoon dezelfde rechten zien te verwerven als het Franssprekend gedeelte van België (zoals de minimalisten wensten), of moest men streven naar een Vlaamse staat binnen de staat België, met andere woorden, moest het land gefederaliseerd worden, zodat de verschillende landsdelen onafhankelijk van elkaar konden verder gaan binnen een overkoepelend België, en er op die manier een einde kon komen aan de verknechting en de achterstelling van Vlaanderen? Of diende men een nog radicalere koers te varen, de Belgische staat ontbinden en de separatistische weg inslaan? Los van deze “opties”, was er het eeuwige probleem Brussel, al sedert de Franse aanhechting op het einde van de 18de eeuw sterk verfranst, ondanks latere pogingen tot vernederlandsing van Willem I tijdens de periode van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. Daarnaast was er een ander belangrijk twistpunt: de manier, de tactiek die gevolgd diende te worden om het belangrijkste doel, de ontvoogding van Vlaanderen, te bereiken. Langs een democratische, parlementaire weg, zou die stap voor stap en dus langzaam verlopen. Deze manier, zoals die onder meer door de belangrijke gematigde flamingant Van Cauwelaert in het zogeheten minimumprogramma bepleit werd, ging voor radicale nationalisten als Reimond Tollenaere en Joris Van Severen niet ver genoeg. Zij verkozen “de weg van de straat”, met agitatie en indien nodig middels revolutie. Opvallend daarbij is dat er ook regionale verschillen vast te stellen zijn. Het idee van de zogeheten Godsvrede [9] werd eigenlijk alleen bewaard in het Waasland, waar een alliantie ontstond tussen de Daensisten en de Frontpartij, en in Antwerpen. Met name in West-Vlaanderen radicaliseerde de Vlaamse Beweging zeer sterk met antidemocratische en integristisch-katholieke trekjes. In Antwerpen was Van Cauwelaert na de gemeenteraadsverkiezingen van 1921 burgemeester geworden, en voerde zo samen met de flamingantistische socialist Camille Huysmans een Vlaamsgezind bestuur. De Antwerpse tak van de Frontpartij schaarde zich achter dit gematigd Vlaamsgezind beleid, terwijl vooral de West-Vlaamse afdeling van de partij, Van Severen en Tollenaere op kop, erg radicale ideeën liep te verkondigen. De invloed van de verschillende kopstukken binnen de Vlaamse Beweging op regionaal niveau lijkt hier dus een belangrijke, zoniet doorslaggevende rol van betekenis te spelen, te meer daar Tollenaere later een sterke invloed zou hebben op Staf De Clercq, en dus op het beleid en de koers van het VNV. Het is een indicatie dat persoonlijke ideologische stellingname van de kopstukken sterk bepalend was voor de oriëntering van de partij op lokaal en regionaal vlak. Dit was mee mogelijk omdat men er vooralsnog niet in slaagde om tot een sterk overkoepelende structuur te komen. Provincialisme was dan niet meer dan een logisch gevolg. Dat het Vlaams-nationalisme in West-Vlaanderen diep geworteld was en zich op een radicale manier manifesteerde, maakt onze Ieperse casus er alleen maar interessanter op [10].

1.1.1 Geleidelijke institutionalisering leidt tot radicalisering: het minimumprogramma, amnestie, de oud-strijders; en August Borms

Na de wet van 31 juli 1921, die de ééntaligheid van de gewesten poneerde, met de mogelijkheid van tweetaligheid, plaatste Van Cauwelaert in december van dat jaar de vernederlandsing van de Gentse universiteit opnieuw op de politieke agenda. Het zou een felbevochten strijdpunt worden. Het voorstel werd met een nipte meerderheid goedgekeurd in de Kamer van Volksvertegenwoordigers, maar door de Senaat verworpen [11]. Uiteindelijk kwam de katholiek-liberale regering Theunis zelf met een voorstel, en verbond er meteen een vertrouwenskwestie aan. Minister van Kunsten en Wetenschappen Nolf diende het ontwerp, dat in zijn essentie neerkomt op tweetalig onderwijs aan de Gentse universiteit, in bij de Senaat, die dit voorstel nu wel goedkeurde. Het grote probleem was echter dat noch de Vlaamsgezinde, noch de Franstalige achterban vrede nam met de zogeheten Nolf–barak. De daaropvolgende verkiezingen van 1925 betekenden een zware nederlaag voor de liberalen, en zij belandden in de oppositie ten voordele van de socialisten. Huysmans werd de nieuwe minister van Kunsten en Wetenschappen, en voerde een aantal hervormingen door op Vlaamse gebied. In 1926 kwam de regering alweer ten val, en een driepartijenregering onder leiding van Jaspar, vanaf 1927 zonder de socialisten, stemde eind 1928 de amnestiewet, die in januari 1929 van kracht zou worden, waardoor de laatste opgesloten activist, August Borms, vrij kwam. De amnestiekwestie gaf aanleiding tot heel wat commotie. Hoewel het één van de belangrijkste eisen was langs Vlaams–nationalistische zijde, waren het voornamelijk Belgisch–nationalisten die tegen de amnestieregeling actie voerden. Zij konden niet aanvaarden dat de Belgische staat gratie zou verlenen aan wie zij beschouwden als landverraders. Zij zouden vooral in de jaren 1930, en dan meer in het bijzonder na de dood van Albert I in 1934 en na de verkiezingen van 1936, toen het thema van volledige amnestie terug op het voortouw kwam, meermaals voor straatagitatie zorgen, veel meer en veel agressiever dan dat de Vlaams-nationalisten er een strijdpunt van maakten. Deneckere toonde daarenboven aan dat de Belgicistische anti-amnestiebetogingen van die aard waren dat ze een rechtstreekse bedreiging vormden voor het voortbestaan van de regeringen [12]. Het waren vooral de extreem–rechtse en ultra-nationalistische bewegingen als de Fraternellen en de Vuurkruisen die het hele amnestiedebat meermaals in het gedrang brachten door hun ‘eisenpakket’ luid en niet zelden met geweld kracht bij te zetten (aftreden van de ‘verraders’ van de regering Van Zeeland, de ontbinding van de Kamer, een referendum over amnestie, weg met Borms, en zelfs terechtwijzingen en afwijzingen van Leopold III, die zich na de dood van zijn vader in 1934 amper uit diens schaduw wist te werken). Het hoogtepunt vormde ongetwijfeld de anti–amnestiebetoging te Brussel op 23 juni 1937, één maand na de grootste amnestiebetoging van het Interbellum, door de V.O.S. georganiseerd. De betoging impliceerde een terechtwijzing aan het adres van de koning, omdat die niets ondernomen had om de amnestiewet te verhinderen. De betoging liep compleet uit de hand, mede ten gevolge van de ronduit lakse houding die burgemeester Max aannam ten opzichte van de betogers: als radicaal anti–flamingant was hij niet snel geneigd de belgicistisch–nationalistische groeperingen met een indrukwekkende ordemacht in toom te houden. Het gevolg was dan ook dat de neutrale zone van de stad vrij eenvoudig geschonden werd. Een groep van 300 à 400 betogers slaagde erin door te dringen tot op het Paleizenplein, waar ze op de grond gingen liggen, als teken van protest en teneinde de gendarmerie te paard op afstand te houden. De vaak gehoorde kreet Vive le Roi Albert! was een niet mis te verstane belediging aan het adres van Leopold [13]. Deze chaotische betoging stond in schril contrast met de V.O.S.–betoging van 23 mei 1937. Ondanks het feit dat na de betoging kleine incidenten plaats grepen aan het Rogierplein, verliep de betoging zelf vlekkeloos [14].

De oudstrijdersverenigingen

Uit het bovenstaande blijkt sterk dat oudstrijdersverenigingen tijdens het Interbellum een belangrijke rol hebben gespeeld op politiek vlak. Ook bij de Ieperse Furie in 1926 was de hoofdrol weggelegd voor de Vlaamse Oudstrijders (=V.O.S) [15]. Daarnaast waren er ook nog de tegenstellingen tussen de verscheidene oudstrijdersverenigingen. Al vrij snel na de Eerste Wereldoorlog rezen er tal van verschillende oudstrijdersverenigingen uit de grond, en hun grote aantal getuigt van de grote onderlinge differentiatie en vaak ook tegenstellingen. De strijd tussen de Vlaamse Oudstrijdersbond en haar Belgische, patriottische tegenhanger, nam bij wijlen grote proporties aan. Men mag evenwel de zaken niet voordoen alsof enkel de Vlaamse bond tegenover de Belgische bond onder elkaar een robbertje uitvochten. Het is niet zo dat langs de ene zijde de Vlaamse Beweging de Vaderlandslievende bewegingen stond te beschimpen en zwart te maken en vice versa. Ook in Wallonië trad er een breuk op tussen de Wallinganten en de vaderlandslievenden [16]. Toch leefde (en leeft) vooral de “strijd” tussen de aanhangers van de Vlaamse Beweging en de Belgicisten voort in het collectief geheugen, misschien zelfs meer dan dat ze daadwerkelijk plaats greep. Lagrou heeft in zijn artikel over de vaderlandslievende bewegingen getracht om dit stereotype beeld van de Vlaamse Beweging versus de Belgicisten te ontkrachten [17]. Het gaat hier weliswaar over de periode na de Tweede Wereldoorlog, waardoor we op de feiten vooruitlopen, maar dat betekent niet dat zijn onderzoek en analyse van de situatie niet van belang zou zijn in het kader van dit onderzoek. Zijn conclusies met betrekking tot de verhoudingen tussen de verschillende verenigingen zijn uitermate interessant in het kader van dit onderzoek.

Lagrou haalt vier karikaturale punten aan die hij wenst te ontkrachten. Ten eerste de houding van de vaderlandslievende kringen tegenover de Vlaamse Beweging. Ten tweede onderzoekt hij de samenstelling van de Vlaamse Beweging en legt daarbij de nadruk op de systematische onderschatting van het Vlaamse en katholieke element erin. Een derde punt wordt gevormd door de chronologie van het uiteengroeien van de Vlaamse en de Belgische herinnering aan de Tweede Wereldoorlog. Ten slotte behandelt hij het natiebeeld van de vaderlandslievenden, een beeld dat ouder is dan het natiebeeld van de Vlaamse Beweging, maar dat moderner zou zijn, zeker vanuit het perspectief van de jaren 1990.

Wat de houding van de vaderlandslievende kringen ten opzichte van de Vlaamse Beweging betreft, stelt Lagrou de bereidheid tot openheid en verzoening van de Belgicisten, voortkomende uit hun bewustzijn van de nationale problematiek, tegenover het rabiate en onverzoenlijke anti-belgicisme van de radicale vleugel van de Vlaamse Beweging. Deze radicalen waren er in de loop van het Interbellum meer en meer in geslaagd het laken naar zich toe te trekken. Dit resulteerde uiteindelijk in de verregaande verrechtsing die het VNV doormaakte, zodat het in de Tweede Wereldoorlog volledig in de collaboratie terecht zou komen. Na de Tweede Wereldoorlog zaten de Flaminganten en de Vlaamse Beweging in hetzelfde schuitje als na de Eerste Wereldoorlog: zij waren het die de zwarte piet toegeschoven kregen, zij hadden het vaderland en het eigen volk verraden. Gevoel voor nuancering was ver te zoeken. Of men was ‘goed’, of men was ‘fout’. Deze culpabilisering maakte dat onderling de rangen gesloten werden, waardoor de Vlaamse Beweging alleszins binnen de eigen rangen aan legitimiteit kon winnen. Het Vlaams-nationalisme bleef ijveren voor amnestie, en de anti-Belgische gevoelens werden door de repressie en de epuratie enkel nog versterkt. Lagrou haalt zijn informatie over de openheid en vergevingsgezindheid van de vaderlandslievende verenigingen bij de centrale rol die de Nationale Confederatie van Politieke Gevangenen speelde als meest representatieve en actieve organisatie [18]. Toch lijkt het te gemakkelijk om de vaderlandslievende verenigingen voor te stellen als de vergevingsgezinden, en de Vlaamse kringen als onverzoenlijk. Velen onder hen voelden zich daadwerkelijk verraden door de Belgische staat, vooral zij die na de Eerste Wereldoorlog alle Vlaamse eisen en verzuchtingen gekelderd zagen, activist, fronter of flamingant, voelden zich beet genomen, in de steek gelaten. Doordat de Vlaamse (taal)eisen niet ingewilligd werden (de vernederlandsing van de Gentse Universiteit bijvoorbeeld liet immers tot 1930 op zich wachten), door de oprichting van het Verdinaso, dat de bespoediging van de oprichting van het VNV mee bewerkstelligde, door de groeiende agitatie die rond 1930 naar een hoogtepunt groeide, waren veel Vlaamsgezinden vrij snel bereid tot collaboratie over te gaan. Het lijkt meer aan de onwil van beide partijen te liggen, dan aan de halsstarrigheid van één van beide, in dit geval de Vlaamse kant, dat de situatie escaleerde. Bovendien werden de vaderlandslievende bewegingen, door de anti-Belgische gevoelens langs Vlaams-nationalistische groepen, gezien als het symbool van Belgisch-nationalisme , en er bijgevolg mee vereenzelvigd. Hun afkeer a priori voor deze bewegingen is dan misschien kortzichtig te noemen, maar gezien hun standpunten niet onlogisch.

Kan men, op basis van Lagrou’s artikel, spreken van vergevingsgezindheid langs de zijde van belgicistische oudstrijdersverenigingen na de Tweede Wereldoorlog, tijdens het Interbellum was van zulks geen sprake. De agitatie rond de amnestiekwestie kwam voor een groot stuk van de zijde van de patriottische groeperingen, veel meer dan dat de Vlaams-nationalisten er een strijdpunt van maakten.

Langs Vlaamse zijde was de V.O.S. de belangrijkste oudstrijdersvereniging. De rol die de V.O.S. binnen de Vlaamse Beweging heeft gespeeld tijdens het Interbellum valt moeilijk te overschatten. Haar belangrijkste thema’s Vlaamsgezindheid en Pacifisme indachtig, stelde de vereniging zich boven alle partijpolitiek. Dit wil evenwel niet zeggen dat ze op politiek vlak geen of weinig rol van betekenis gespeeld zou hebben, integendeel. De V.O.S. was misschien één van de weinige, of zelfs de enige, Vlaamsgezinde groepering die een overkoepelende en overbruggende functie kon vervullen binnen de intern zo sterk verdeelde Vlaamse Beweging. De grootste Vlaamsgezinde betogingen en/of acties tijdens het Interbellum, de amnestiebetoging van 1937 en de acties tegen het Frans–Belgisch militair akkoord, werden door de V.O.S. georganiseerd. Haar sterkste punt was zonder twijfel het feit dat ze zo weid verspreid was over heel Vlaanderen. Nagenoeg elke Vlaamse gemeente had wel haar eigen afdeling van de V.O.S., en sommige afdelingen hebben een sterke invloed gehad op de lokale politiek. Het probleem bij de situering van de V.O.S. is het gebrek aan voldoende literatuur. Er bestaan weliswaar enkele overzichtswerken, daterende van 1979 en 1989, respectievelijk van Provoost [19] en Lemmens [20]. Als onderdeel van de Vlaamse Beweging is de V.O.S. met andere woorden onderbelicht gebleven in de historiografie van en over die Vlaamse Beweging. Toch is het mogelijk om via onder meer het tijdschrift van de V.O.S., en de overzichtswerken een beeld op te hangen van de invloed die de vereniging gespeeld heeft, met dien verstande dat zowel het tijdschrift als Provoost duidelijk een ‘gekleurde’ kijk op de zaken bieden.

De V.O.S. heeft zwaar gefulmineerd tegen al wat na de Eerste Wereldoorlog met militarisme te maken had. Ze verwierp de manier waarop Duitsland na het Verdrag van Versailles bijna letterlijk de nek werd omgewrongen, en waardoor de prille Weimarrepubliek, die nog weinig uitstaans had met de megalomanie van Wilhelm II, opgezadeld werd met herstelbetalingen die het nooit zou kunnen opbrengen. Verder was de V.O.S., zoals hoger vermeld, ook fel gekant tegen het Frans–Belgisch militair akkoord van 1920, waarin ze, misschien niet ten onrechte, een manœuver zag van de staatselite om de eisen van de opkomende Vlaamse Beweging, die ook eisen had inzake de organisatie van het leger, te fnuiken. De V.O.S. heeft zich steeds geëngageerd in thema’s die draaiden rond haar twee grote idealen Vlaamsgezindheid en antimilitarisme. Dat deze twee punten niet steeds met elkaar vielen te verzoenen, zou met name in de jaren 1930 duidelijk worden, wanneer de hele Vlaamse Beweging een sterke radicalisering doormaakte en de anti-democratische ideeën niet van de lucht waren. Het verdeelde ook de V.O.S., want tijdens de Tweede Wereldoorlog zou de V.O.S. collaboreren met de Duitsers, zoals ook zal blijken uit de fragmenten die hieronder uit de artikels van hun tijdschrift worden geplukt. Zeer specifiek met betrekking tot de 11-novemberherdenkingen heeft de V.O.S. te Kaaskerke en Diksmuide een belangrijke rol gespeeld. Uit het tijdschrift van de V.O.S. [21] blijkt immers dat niet Ieper, maar wel Kaaskerke en Diksmuide de belangrijkste plaatsen waren om ‘hun’ gesneuvelden te herdenken, terwijl te Brussel, als hoofdstad, de 11-novemberherdenkingen een sterk Belgisch–nationalistische en patriottische toon kregen. Wanneer de Duitse bezetter de 11-novembervieringen tijdens de Tweede Wereldoorlog afschafte, reageerde de V.O.S.dan ook gelaten. In een artikel van Frans Van Waeg, onder de titel ‘Wij en 11 november’, lezen we [22]:

“Ons goed. De Vlamingen, de leden van V.O.S. hebben steeds dien dag gevierd in gesloten gezelschap, zonder ruchtbaarheid en zeker zonder vaderlandsche opwinding. Op 11 november herdachten zij enkel hun gevallen makkers, het einde van de nutteloze slachterij en de blijde terugkomst in hun haardsteden na vier jaar afwezigheid […] Maar geen oogenblik peinsden zij op de militaire overwinning, noch op de victorie met wapengeweld. Het was overigens geen zege voor hen. 11 november ‘18 heeft hun neerlaag als volk bevestigd en voor 22 jaar bestendigd. Voor zoo iets hoeft ge niet te juichen noch te vlaggen.”

Verder wordt in het artikel de nadruk gelegd op de totaal verschillende inhouden die aan de 11-novemberherdenkingen gegeven werden. Voor officieel België was 11 november HET feest bij uitstek,

“den apotheose van den militairen roes en de patriotardischen waanzin. Een groot spektakelstuk voor de goedgeloovige massa en meteen een handig geënsceneerde oorlogspropaganda met soldatenrevues, fakkelgezwaai en estafettenloop. En spijts hun “minute de silence”, hun rouwfloers, hun wagenwielkransen en hun akelig – macaberen hooge – hoed – ernst, om de oude kwenen en den voldaenen bourgeois eens aangenaam te doen rillen, klonk dat alles hol, valsch en gevoelloos. Het was discreet en ingetogen als een feestkanon. Fooratmosfeer en Barnumregie […] die nationale feestdag (was) de triomf van den haat, van den onverzoenlijken, nooit afgelegden, steeds zichzelf voldoenden haat met het n’oublions – jamais – slagwoord als hoofdmotief […] En dat is onze glorie en onze eer, dat wij, Nationalistische Vlamingen en leden van V.O.S., daar steeds misprijzend zijn aan voorbij gegaan.”

Uit dit artikel blijkt niet alleen zeer duidelijk het diepgeworteld anti–Belgicisme, een Belgicisme dat volgens de V.O.S. met veel militaristische en bombastische bravoure de 11 novemberfeesten opvatte; onderhuids is ook de verantwoording en de goedkeuring van de collaboratie door de V.O.S. erin terug te vinden. Door te stellen dat 11 november 1918 de nederlaag van het Vlaamse volk betekende en voor tweeëntwintig jaar heeft bestendigd, impliceert men immers niets meer of niets minder dat de nieuwe bezetting door de Duitsers een einde heeft gemaakt aan die verknechting. Er heerste duidelijk diepe teleurstelling over het uitblijven en/of mislukken van de Vlaamse ontvoogdingsstrijd. Het niet vervullen van de koninklijke belofte van gelijkheid in rechte en in feite had in Vlaamsgezinde middens voor veel verbittering gezorgd.

Tegenover deze aanpak van de 11 novemberfeesten, plaatste de V.O.S en het IJzerbedevaartcomité, wat ze zelf dus omschrijven als kleine en ingetogen plechtigheden op dé symbolische plaats van het Vlaams-nationalisme: de IJzervlakte te Diksmuide. Deze plechtigheden waren sereen, in die zin dat er hoogstens een paar honderd aanwezigen aan deelnam, in tegenstelling tot het massaspektakel dat de IJzerbedevaarten vaak waren. De herdenkingen verliepen volgens een vast stramien. Rond tien uur werd een mis opgedragen in de kerk van Kaaskerke. Dat het eerste deel van de plechtigheid in deze kleine kerk doorging en -gaat, maakt dat een groots opgezette plechtigheid al uitgesloten is. Vervolgens ging het naar de IJzervlakte, waar aan de voet van de IJzertoren enkele toespraken volgden. Hoewel deze plechtigheid rechtstreeks niets van doen heeft met de herdenkingen te Ieper, is ze toch relevant, aangezien vaak de voorzitter of een andere hooggeplaatste binnen de V.O.S. er toespraken hielden. Deze toespraken, of de belangrijkste punten ervan, werden steevast afgedrukt in het tijdschrift van de V.O.S. Op deze manier wordt duidelijk welke boodschap de Vlaamse oud-strijders naar de buitenwereld uitdragen en is het mogelijk om de plaats van de V.O.S. binnen de Vlaamse Beweging te omlijnen. Als we een analyse maken van deze toespraken, wordt onmiddellijk duidelijk dat een aantal themata regelmatig terugkeert [23].

De twee belangrijkste punten van de V.O.S., antimilitarisme en Vlaamsgezindheid, komen zoals gezegd uitvoerig aan bod. Het is hier niet de bedoeling om een overzicht te geven van de gehouden toespraken, maar toch kan men enkele frappante voorbeelden aanhalen.

In 1939 [24], onder de titel ‘De weg naar den vrede’, wordt een pleidooi gehouden voor de oprichting van een nieuw soort volkerenbond. De neutralen hebben, volgens het artikel, de taak om de weg naar de vrede uit te stippelen en te effenen, waarin de “Vereenigde Volkeren van Europa”, als kleinste politieke eenheid, het voortouw zou moeten nemen van een ‘Wereldvolkerenbond’ die de soevereiniteit van de deelstaten sterk zou moeten beknotten, mede door een sterk en machtig “hoogste burgerlijk gezag over de wereld aan te stellen.” Op economisch vlak moet er vrij verkeer van goederen, transport en personen gerealiseerd worden, en op sociaal vlak moet de levensstandaard van het proletariaat op een hoger peil gebracht worden.

Wat het eisenpakket van de Vlaamse Beweging betreft, dat wordt doorgetrokken naar een internationaal cultureel niveau: elk volk dient een gepaste bescherming van de eigen cultuur te krijgen, er dient een gepaste uitwisseling van intellectuelen te komen, “zoodat de culturele rijkdom van eenieder, de rijkdom van allen kan worden.”

Verder wordt bitter gereageerd op het schijnbaar nutteloze offer dat zo velen gebracht hebben in de vorige oorlog: 11 november 1918 heeft niet tot vrede, maar tot het verdrag van Versailles geleid. Op 11 november 1939 is het weer oorlog. De oorlogvoerende partijen “willen alleen de overwinning, die heet: levensruimte, opheffing van het Hitlerisme, of zelfs: verbrokkeling van het Duitsche Volk. Langs dien weg zal de wereld nooit den vrede ontmoeten […].”

Dat men het heeft over de tegenkanting tegen Duitsland en tegen Hitler, als waren zij niet de agressors maar de slachtoffers, is toch significant, gezien de weg die V.O.S. in de Tweede Wereldoorlog zou inslaan.

De ondervoorzitter van V.O.S., J. Dekeyser, riep in zijn toespraak van 1939 [25] op tot tucht en neutraliteit en deed een beroep op de oud-strijders van de oorlogvoerende naties. Tot de landgenoten riep de V.O.S. op om, nu in Oost-Europa de oorlog woedde, neutraal en nuchter te blijven en niet in te gaan op demagogie:

“Wie hier te lande vrede wil, moet neutraliteit willen, en wie neutraliteit wil, moet zijn persoonlijke voorkeur het zwijgen weten op te leggen. De tucht die voor een land geldt, geldt ook voor ieder verantwoordelijk burger van dit land [...].”

Oud-strijders elders in Europa worden opgeroepen. Tijdens de Eerste Wereldoorlog brachten zij een offer opdat nadien elk volk vrij zou zijn en een eigen nationale cultuur zich zou kunnen ontplooien, terwijl overal vrede en zelfbeschikking zou heersen. Dit doel werd echter al snel geschrapt door diegenen die na de oorlog de touwtjes in handen hadden. Daarom werd een oproep gericht aan alle oud-strijders van de oorlogvoerende landen.

“Gij wenscht evenmin den oorlog als wij; ook uw volk wenscht den oorlog niet. Dit wordt elken dag verklaard in elk van de oorlogvoerende landen […] Kameraden oudstrijders, verheft uw stem. Herinnert U hoe gij bedrogen werd tijdens en na den oorlog ’14 – ’18. Geen dag betere dan deze 11 November is geschikt voor gewetensonderzoek. De problemen van 1939 zijn dezelfden als die van 1918. En zij worden door overeenkomst beter, grondiger en duurzamer, dan door het kanon opgelost […] Daarom stelt uwen eisch tot vrede naast den onzen, laat de stem van de rede luider klinken dan het gestook van de oorlogsdrijvers. Nu meer dan ooit is oorlog een misdaad.”

De hierboven aangehaalde artikels zijn verwarrend. Op zichzelf spreken ze duidelijke taal: de afwijzing van de oorlog en van de dreigende oorlogssituatie voor de andere, nog niet betrokken landen. Het lijkt erop alsof de V.O.S. warm en koud blies tegelijk: naar buiten toe wezen ze formeel de oorlog af, ze bestempelden het zelfs aan een misdaad, maar wanneer nog geen jaar later ook België ingelijfd werd, zou het niet lang duren vooraleer de V.O.S. met de militaire bezetting collaboreerde. Op zichzelf is zulks niet geheel verwonderlijk, gezien de verregaande verrechtsing die de hele Vlaamse Beweging doormaakte; een geradicaliseerde Vlaamse Beweging die overigens veel heil verwachtte van de Duitse bezetting. In dat kader dient men dan ook de collaboratie van de V.O.S. tijdens de Tweede Wereldoorlog te zien.

Deze vrij uitgebreide behandeling van de V.O.S. tijdens het Interbellum lijkt gerechtvaardigd gezien de prominente rol die ze speelde, zowel binnen de hele Vlaamse Beweging als binnen de specifieke casus van de Ieperse Furie, die hierna behandeld zal worden. Door de positie van de V.O.S. te verduidelijken, moet het mogelijk zijn tot een beter inzicht komen in het hoe en waarom van de V.O.S., van het Ieper tijdens het Interbellum en van, zeer specifiek, de Ieperse Furie.

----------------

[1] B. DEWEVER, Greep naar de Macht. Vlaams-nationalisme en Nieuwe Orde. Het VNV 1933-1945, Tielt & Gent, 1994. Deel I. Het Vlaams-nationalisme tot 1932, pp. 19-91.

[2] Geschiedenis van de Vlaamse Beweging, in: R. DE SCHRYVER, B. DEWEVER, G. DURNEZ, e.a., eds, Nieuwe Encyclopedie van de Vlaamse Beweging, Tielt, 1998, pp. 35-86.

[3] E. WITTE, e.a., Politieke Geschiedenis van België. Van 1830 tot heden, Antwerpen, 1990.

[4] Cfr. infra.

[5] Cfr. infra.

[6] H.J. ELIAS, 25 jaar Vlaamse Beweging, 1914-1939, deel1 ,Antwerpen, 1969, pp. 259-267.

[7] Zelfbestuur betekende voor het overgrote deel van de bevolking niets meer of niets minder dan separatisme. Zulke ideeën werden door velen verafschuwd, zeker nadat België als overwinnaar uit de Eerste Wereldoorlog was gekomen. Ook federalisering van de twee landsdelen Vlaanderen en Wallonië, kon voor velen, die België als unitaire staat zagen, niet door de beugel.

[8] L. WILS, Honderd jaar Vlaamse Beweging, deel 2, Leuven, 1989.

[9] De Godsvrede hield het overbruggen in van partijpolitieke tegenstellingen om samen aan de belangrijkste gemeenschappelijke thema’s te kunnen bouwen. Dit was de geest van de regering in ballingschap tijdens de Eerste Wereldoorlog, waardoor de socialisten zichzelf wisten te legitimeren als regeringspartij ten overstaan van de andere twee traditionele partijen.

[10] Cfr. inleiding.

[11] In: Nieuwe encyclopedie van de Vlaamse Beweging, p.62

[12] G. DENECKERE, Oudstrijders op de vuist in Brussel. Het amnestieconflict tijdens het interbellum, in: Belgisch Tijdschrift voor Nieuwste Geschiedenis. Revue Belge d’ Histoire Contemporaine, XXV, 1994-1995, 3 – 4, pp. 273-327.

[13] Het was niet de eerste keer dat patriottische betogers erin slaagden de neutrale zone te betreden onder het burgemeesterschap van Max. In totaal gebeurde het een drietal keren. G. DENECKERE, art. cit., pp. 290-291 en pp. 300-311.

[14] IBIDEM, pp. 292-293.

[15] Cfr. infra.

[16] CHANTAL KESTELOOT, La Résistance: ciment d’une identité en Wallonie ?, in : Acta van het Colloquium Het Verzet en Noord-Europa, Brussel, 1994, pp. 406-418.

[17] PIETER LAGROU, Welk Vaderland voor de vaderlandslievende verenigingen? Oorlogsslachtoffers en verzetsveteranen en de nationale kwestie, 1945-1958, in: Bijdragen tot de Eigentijdse Geschiedenis, 3, november 1997, Brussel, 1996-s.d.d., pp. 143-161.

[18] P. LAGROU, art. cit., p.145.

[19] G. PROVOOST, De Vossen: 60 jaar Verbond der Vlaamse Oudstrijders (1919-1979), Brussel, 1979.

[20] P. LEMMENS, 70 jaar V.O.S. een geschiedkundig overzicht. Brussel, 1989.

[21] DE V.O.S., weekblad van den Vlaamschen oud-strijdersbond. De titel en de frequentie van verschijnen variëren.

[22] In: DE V.O.S…, zondag 10 november 1940. 22ste jaargang, nr. 31, p. 2, 3.

[23] Uiteraard dient men een onderscheid te maken tussen de periode van het interbellum en de naoorlogse periode. De Tweede Wereldoorlog was in elk opzicht een breekpunt geweest voor de V.O.S. (en niet enkel voor hen, ook voor de hele wereld). Na 1945 zat men immers met een heel nieuwe situatie: de ‘Nooit Meer Oorlog’ boodschap die de V.O.S. en het IJzerbedevaartcomité propageerden, was een illusie gebleken. Daarnaast zat de V.O.S. met het probleem van de collaboratie tijdens de Tweede Wereldoorlog. In die mate zelfs, dat het verbond een andere naam diende aan te nemen: het Nieuw Verbond der Vlaamse Oud Strijders, (= N.V.V.O.S). In de eerste editie van het nieuwe tijdschrift, wordt de collaboratie van V.O.S. afgekeurd, en distantieert men zich volledig van de oude V.O.S.; het bestuur van N.V.V.O.S. heeft het oude verbond zelfs door de rechtbank laten ontbinden, in: DE VLAAMSCHE OUDSTRIJDER. Orgaan van het Nieuw Verbond der Vlaamsche Oudstrijders, zondag 7 oktober 1945, jaargang 1, nr. 1.

[24] DE VLAAMSCHE OUDSTRIJDER, zaterdag 11 november 1939, 21ste jaargang, nr. 46.

[25] Zoals weergegeven in de editie van 19 november 1939, 21ste jaargang, nr. 47.