Hieronder vind je de scriptie "Oorlog zonder einde - De herdenking
van de Eerste Wereldoorlog te Ieper" die door Menno Claes werd
gemaakt in het academiejaar 2000-2001, aan de Faculteit Letteren
en Wijsbegeerte van de Universiteit Gent, voor het behalen van de
graad van Licentiaat in de Geschiedenis (Promotor: Prof. Dr. Bruno
de Wever). De tekst van de scriptie werd aangevuld met fotomateriaal
van de website www.wo1.be.
1.1 De opkomst en geleidelijke institutionalisering
van een sterk verdeelde Vlaamse Beweging: de jaren 1920
In dit deel dienen we ons met name toe te spitsen op het groeiende
conflict tussen Vlaamsgezinden en de voorstanders van een op dat
moment nog sterk unitair en francofoon België. Over de materie
van massamanifestaties, het politieke- en verenigingsleven tijdens
het interbellum zijn boekenkasten volgeschreven. Op basis van
de belangrijkste standaardwerken omtrent deze materie is het mogelijk
de nodige informatie in dit werk in te passen. Ook voor de politieke
en maatschappelijke geschiedenis van België bestaan enkele
standaardwerken die soelaas kunnen bieden. Het is hier dus niet
de bedoeling een uitgebreide weergave te bieden van de situatie
van België en Vlaanderen doorheen de twintigste eeuw, die
bovendien nagenoeg volledig op reeds bestaande literatuur gebaseerd
zou zijn. Wel is het nodig om de belangrijkste contouren te schetsen,
teneinde een breder sociaal, economisch, politiek en cultureel
kader te kunnen creëren. Het hieronder geschetste overzicht
is voor een belangrijk deel geïnspireerd op het werk van
Dewever [1], aangezien zijn werk beschouwd
mag worden als één van de standaardwerken omtrent
het Vlaams-nationalisme. Hij biedt hierin een glashelder overzicht
van de belangrijkste historiografie omtrent de Vlaamse Beweging
tot aan de periode van de oprichting van het VNV. Daarnaast noteren
we hier een standaardartikel over de geschiedenis van de Vlaamse
Beweging [2] en het werk van Witte [3]
als belangrijkste overzichtwerken met betrekking tot de Vlaamse
en Belgische (politieke) geschiedenis van de twintigste eeuw.
Het België van in het interbellum was ambivalent, misschien
zelfs ambigu. Het einde van de oorlog had het nationalisme in
de hand gewerkt, Albert was de held van de IJzer,
Brave Little Belgium was niet geplooid voor de Duitse
agressor, die nu sterk gediaboliseerd werd. Het Belgisch nationalisme
zou echter in botsing komen met een ideologische tegenhanger:
het Vlaams-nationalisme. Dit Vlaams-nationalisme werd onmiddellijk
na de Eerste Wereldoorlog en de eerste jaren erna sterk overschaduwd
door een vrij fanatiek en triomfalistisch Belgicisme. Na de Eerste
Wereldoorlog kregen de activisten en de collaborateurs de rekening
gepresenteerd. Waren de activisten een marginaal segment van de
bevolking geweest dat niet op al te veel sympathie en begrip dienden
te rekenen, ook niet binnen loyalistische flamingantische kringen,
de oud-strijders uit Vlaanderen (meer bepaald de zogeheten Fronters)
eisten na de oorlog toch meer en meer de aandacht op. Zij die
vier jaar hadden gestreden zouden nu gehoord worden. Wat daarbij
van belang is, is dat zij, eigenlijk al tijdens de oorlog, een
soort van symbiose met de activistische ideeën aangingen
[4]. De Vlaamse Beweging bevond zich
hierdoor in een crisis. Slaat men de overzichtwerken er op na,
dan blijkt niet enkel dat de Vlaamse Beweging an sich uit een
veelvoud van groeperingen en verenigingen bestond, en men bijgevolg
moeilijk kan spreken van dé Vlaamse beweging, ook constateert
men dat belangrijke auteurs als Wils, Willemsen en Elias vaak
andere interpretaties en verklaringen geven omtrent het hoe en
waarom van het activisme en het Vlaams-nationalisme [5].
De eisen van de Vlaamse oud-strijders waren niet mis te verstaan.
Er moest in Vlaanderen eindelijk werk gemaakt worden van de eentaligheid,
de Gentse universiteit diende officieel vernederlandst te worden
(iets waar de Duitsers met hun Flamenpolitik al werk van hadden
gemaakt), kortom, er diende een einde te komen aan de verknechting
van Vlaanderen.Vlamingen, gedenkt de Guldensporenslag
had Albert in 1914 gezegd, akkoord, maar die oproep werd reeds
een paar jaar later, tijdens de oorlog, gecounterd met de vraag
Hier ons bloed, wanneer ons recht?. De Frontbeweging
werd al snel na de oorlog een politiek actieve beweging en groeide
uit tot de Frontpartij. De stichting van de partij impliceerde
binnen de Vlaamse Beweging overigens een breuk met de katholieke
zuil, waartoe bijvoorbeeld Van Cauwelaert, de voorvechter van
het Minimumprogramma, behoorde. De breuk kwam er volgens Elias
[6] vooral ten gevolge van de eis van
zelfbestuur als één van de programmapunten, die
voor de katholieken onaanvaardbaar was [7].
Wils [8] haalt ook het feit aan dat de
Frontpartij meer en meer de activistische erfenis
overnam, als bijdrage tot de breuk. De Frontpartij kan men overigens
geen sterk uitgebouwde partij noemen, het was veeleer een amalgaam
van lokale partijen en bewegingen. Deze bewegingen streefden ernaar
de Vlaamse eisen te realiseren. Het probleem daarbij was dat ze
vaak mekaar het licht in de ogen niet gunden. Met name de te varen
koers vormde aanleiding tot veel twistpunten. Het grootste twistpunt
was de kwestie rond de organisatie van de staat Vlaanderen. Dat
het met het unitaire België in zijn huidige vorm en discrepantie
in de machtsverhoudingen niet verder kon, daarover was vrijwel
elke Vlaams-nationalist het eens. Maar moest Vlaanderen gewoon
dezelfde rechten zien te verwerven als het Franssprekend gedeelte
van België (zoals de minimalisten wensten), of moest men
streven naar een Vlaamse staat binnen de staat België, met
andere woorden, moest het land gefederaliseerd worden, zodat de
verschillende landsdelen onafhankelijk van elkaar konden verder
gaan binnen een overkoepelend België, en er op die manier
een einde kon komen aan de verknechting en de achterstelling van
Vlaanderen? Of diende men een nog radicalere koers te varen, de
Belgische staat ontbinden en de separatistische weg inslaan? Los
van deze opties, was er het eeuwige probleem Brussel,
al sedert de Franse aanhechting op het einde van de 18de eeuw
sterk verfranst, ondanks latere pogingen tot vernederlandsing
van Willem I tijdens de periode van het Verenigd Koninkrijk der
Nederlanden. Daarnaast was er een ander belangrijk twistpunt:
de manier, de tactiek die gevolgd diende te worden om het belangrijkste
doel, de ontvoogding van Vlaanderen, te bereiken. Langs een democratische,
parlementaire weg, zou die stap voor stap en dus langzaam verlopen.
Deze manier, zoals die onder meer door de belangrijke gematigde
flamingant Van Cauwelaert in het zogeheten minimumprogramma bepleit
werd, ging voor radicale nationalisten als Reimond Tollenaere
en Joris Van Severen niet ver genoeg. Zij verkozen de weg
van de straat, met agitatie en indien nodig middels revolutie.
Opvallend daarbij is dat er ook regionale verschillen vast te
stellen zijn. Het idee van de zogeheten Godsvrede [9]
werd eigenlijk alleen bewaard in het Waasland, waar een alliantie
ontstond tussen de Daensisten en de Frontpartij, en in Antwerpen.
Met name in West-Vlaanderen radicaliseerde de Vlaamse Beweging
zeer sterk met antidemocratische en integristisch-katholieke trekjes.
In Antwerpen was Van Cauwelaert na de gemeenteraadsverkiezingen
van 1921 burgemeester geworden, en voerde zo samen met de flamingantistische
socialist Camille Huysmans een Vlaamsgezind bestuur. De Antwerpse
tak van de Frontpartij schaarde zich achter dit gematigd Vlaamsgezind
beleid, terwijl vooral de West-Vlaamse afdeling van de partij,
Van Severen en Tollenaere op kop, erg radicale ideeën liep
te verkondigen. De invloed van de verschillende kopstukken binnen
de Vlaamse Beweging op regionaal niveau lijkt hier dus een belangrijke,
zoniet doorslaggevende rol van betekenis te spelen, te meer daar
Tollenaere later een sterke invloed zou hebben op Staf De Clercq,
en dus op het beleid en de koers van het VNV. Het is een indicatie
dat persoonlijke ideologische stellingname van de kopstukken sterk
bepalend was voor de oriëntering van de partij op lokaal
en regionaal vlak. Dit was mee mogelijk omdat men er vooralsnog
niet in slaagde om tot een sterk overkoepelende structuur te komen.
Provincialisme was dan niet meer dan een logisch gevolg. Dat het
Vlaams-nationalisme in West-Vlaanderen diep geworteld was en zich
op een radicale manier manifesteerde, maakt onze Ieperse casus
er alleen maar interessanter op [10].
1.1.1 Geleidelijke institutionalisering
leidt tot radicalisering: het minimumprogramma, amnestie, de oud-strijders;
en August Borms
Na de wet van 31 juli 1921, die de ééntaligheid
van de gewesten poneerde, met de mogelijkheid van tweetaligheid,
plaatste Van Cauwelaert in december van dat jaar de vernederlandsing
van de Gentse universiteit opnieuw op de politieke agenda. Het
zou een felbevochten strijdpunt worden. Het voorstel werd met
een nipte meerderheid goedgekeurd in de Kamer van Volksvertegenwoordigers,
maar door de Senaat verworpen [11].
Uiteindelijk kwam de katholiek-liberale regering Theunis zelf
met een voorstel, en verbond er meteen een vertrouwenskwestie
aan. Minister van Kunsten en Wetenschappen Nolf diende het ontwerp,
dat in zijn essentie neerkomt op tweetalig onderwijs aan de Gentse
universiteit, in bij de Senaat, die dit voorstel nu wel goedkeurde.
Het grote probleem was echter dat noch de Vlaamsgezinde, noch
de Franstalige achterban vrede nam met de zogeheten Nolfbarak.
De daaropvolgende verkiezingen van 1925 betekenden een zware nederlaag
voor de liberalen, en zij belandden in de oppositie ten voordele
van de socialisten. Huysmans werd de nieuwe minister van Kunsten
en Wetenschappen, en voerde een aantal hervormingen door op Vlaamse
gebied. In 1926 kwam de regering alweer ten val, en een driepartijenregering
onder leiding van Jaspar, vanaf 1927 zonder de socialisten, stemde
eind 1928 de amnestiewet, die in januari 1929 van kracht zou worden,
waardoor de laatste opgesloten activist, August Borms, vrij kwam.
De amnestiekwestie gaf aanleiding tot heel wat commotie. Hoewel
het één van de belangrijkste eisen was langs Vlaamsnationalistische
zijde, waren het voornamelijk Belgischnationalisten die
tegen de amnestieregeling actie voerden. Zij konden niet aanvaarden
dat de Belgische staat gratie zou verlenen aan wie zij beschouwden
als landverraders. Zij zouden vooral in de jaren 1930, en dan
meer in het bijzonder na de dood van Albert I in 1934 en na de
verkiezingen van 1936, toen het thema van volledige amnestie terug
op het voortouw kwam, meermaals voor straatagitatie zorgen, veel
meer en veel agressiever dan dat de Vlaams-nationalisten er een
strijdpunt van maakten. Deneckere toonde daarenboven aan dat de
Belgicistische anti-amnestiebetogingen van die aard waren dat
ze een rechtstreekse bedreiging vormden voor het voortbestaan
van de regeringen [12]. Het waren vooral
de extreemrechtse en ultra-nationalistische bewegingen als
de Fraternellen en de Vuurkruisen die het hele amnestiedebat meermaals
in het gedrang brachten door hun eisenpakket luid
en niet zelden met geweld kracht bij te zetten (aftreden van de
verraders van de regering Van Zeeland, de ontbinding
van de Kamer, een referendum over amnestie, weg met Borms, en
zelfs terechtwijzingen en afwijzingen van Leopold III, die zich
na de dood van zijn vader in 1934 amper uit diens schaduw wist
te werken). Het hoogtepunt vormde ongetwijfeld de antiamnestiebetoging
te Brussel op 23 juni 1937, één maand na de grootste
amnestiebetoging van het Interbellum, door de V.O.S. georganiseerd.
De betoging impliceerde een terechtwijzing aan het adres van de
koning, omdat die niets ondernomen had om de amnestiewet te verhinderen.
De betoging liep compleet uit de hand, mede ten gevolge van de
ronduit lakse houding die burgemeester Max aannam ten opzichte
van de betogers: als radicaal antiflamingant was hij niet
snel geneigd de belgicistischnationalistische groeperingen
met een indrukwekkende ordemacht in toom te houden. Het gevolg
was dan ook dat de neutrale zone van de stad vrij eenvoudig geschonden
werd. Een groep van 300 à 400 betogers slaagde erin door
te dringen tot op het Paleizenplein, waar ze op de grond gingen
liggen, als teken van protest en teneinde de gendarmerie te paard
op afstand te houden. De vaak gehoorde kreet Vive le Roi Albert!
was een niet mis te verstane belediging aan het adres van Leopold
[13]. Deze chaotische betoging stond
in schril contrast met de V.O.S.betoging van 23 mei 1937.
Ondanks het feit dat na de betoging kleine incidenten plaats grepen
aan het Rogierplein, verliep de betoging zelf vlekkeloos [14].
De oudstrijdersverenigingen
Uit het bovenstaande blijkt sterk dat oudstrijdersverenigingen
tijdens het Interbellum een belangrijke rol hebben gespeeld op
politiek vlak. Ook bij de Ieperse Furie in 1926 was de hoofdrol
weggelegd voor de Vlaamse Oudstrijders (=V.O.S)
[15]. Daarnaast waren er ook nog de tegenstellingen tussen
de verscheidene oudstrijdersverenigingen. Al vrij snel na de Eerste
Wereldoorlog rezen er tal van verschillende oudstrijdersverenigingen
uit de grond, en hun grote aantal getuigt van de grote onderlinge
differentiatie en vaak ook tegenstellingen. De strijd tussen de
Vlaamse Oudstrijdersbond en haar Belgische, patriottische tegenhanger,
nam bij wijlen grote proporties aan. Men mag evenwel de zaken
niet voordoen alsof enkel de Vlaamse bond tegenover de Belgische
bond onder elkaar een robbertje uitvochten. Het is niet zo dat
langs de ene zijde de Vlaamse Beweging de Vaderlandslievende bewegingen
stond te beschimpen en zwart te maken en vice versa. Ook in Wallonië
trad er een breuk op tussen de Wallinganten en de vaderlandslievenden
[16]. Toch leefde (en leeft) vooral
de strijd tussen de aanhangers van de Vlaamse Beweging
en de Belgicisten voort in het collectief geheugen, misschien
zelfs meer dan dat ze daadwerkelijk plaats greep. Lagrou heeft
in zijn artikel over de vaderlandslievende bewegingen getracht
om dit stereotype beeld van de Vlaamse Beweging versus de Belgicisten
te ontkrachten [17]. Het gaat hier weliswaar
over de periode na de Tweede Wereldoorlog, waardoor we op de feiten
vooruitlopen, maar dat betekent niet dat zijn onderzoek en analyse
van de situatie niet van belang zou zijn in het kader van dit
onderzoek. Zijn conclusies met betrekking tot de verhoudingen
tussen de verschillende verenigingen zijn uitermate interessant
in het kader van dit onderzoek.
Lagrou haalt vier karikaturale punten aan die hij wenst te ontkrachten.
Ten eerste de houding van de vaderlandslievende kringen tegenover
de Vlaamse Beweging. Ten tweede onderzoekt hij de samenstelling
van de Vlaamse Beweging en legt daarbij de nadruk op de systematische
onderschatting van het Vlaamse en katholieke element erin. Een
derde punt wordt gevormd door de chronologie van het uiteengroeien
van de Vlaamse en de Belgische herinnering aan de Tweede Wereldoorlog.
Ten slotte behandelt hij het natiebeeld van de vaderlandslievenden,
een beeld dat ouder is dan het natiebeeld van de Vlaamse Beweging,
maar dat moderner zou zijn, zeker vanuit het perspectief van de
jaren 1990.
Wat de houding van de vaderlandslievende kringen ten opzichte
van de Vlaamse Beweging betreft, stelt Lagrou de bereidheid tot
openheid en verzoening van de Belgicisten, voortkomende uit hun
bewustzijn van de nationale problematiek, tegenover het rabiate
en onverzoenlijke anti-belgicisme van de radicale vleugel van
de Vlaamse Beweging. Deze radicalen waren er in de loop van het
Interbellum meer en meer in geslaagd het laken naar zich toe te
trekken. Dit resulteerde uiteindelijk in de verregaande verrechtsing
die het VNV doormaakte, zodat het in de Tweede Wereldoorlog volledig
in de collaboratie terecht zou komen. Na de Tweede Wereldoorlog
zaten de Flaminganten en de Vlaamse Beweging in hetzelfde schuitje
als na de Eerste Wereldoorlog: zij waren het die de zwarte piet
toegeschoven kregen, zij hadden het vaderland en het eigen volk
verraden. Gevoel voor nuancering was ver te zoeken. Of men was
goed, of men was fout. Deze culpabilisering
maakte dat onderling de rangen gesloten werden, waardoor de Vlaamse
Beweging alleszins binnen de eigen rangen aan legitimiteit kon
winnen. Het Vlaams-nationalisme bleef ijveren voor amnestie, en
de anti-Belgische gevoelens werden door de repressie en de epuratie
enkel nog versterkt. Lagrou haalt zijn informatie over de openheid
en vergevingsgezindheid van de vaderlandslievende verenigingen
bij de centrale rol die de Nationale Confederatie van Politieke
Gevangenen speelde als meest representatieve en actieve organisatie
[18]. Toch lijkt het te gemakkelijk om de vaderlandslievende
verenigingen voor te stellen als de vergevingsgezinden, en de
Vlaamse kringen als onverzoenlijk. Velen onder hen voelden zich
daadwerkelijk verraden door de Belgische staat, vooral zij die
na de Eerste Wereldoorlog alle Vlaamse eisen en verzuchtingen
gekelderd zagen, activist, fronter of flamingant, voelden zich
beet genomen, in de steek gelaten. Doordat de Vlaamse (taal)eisen
niet ingewilligd werden (de vernederlandsing van de Gentse Universiteit
bijvoorbeeld liet immers tot 1930 op zich wachten), door de oprichting
van het Verdinaso, dat de bespoediging van de oprichting van het
VNV mee bewerkstelligde, door de groeiende agitatie die rond 1930
naar een hoogtepunt groeide, waren veel Vlaamsgezinden vrij snel
bereid tot collaboratie over te gaan. Het lijkt meer aan de onwil
van beide partijen te liggen, dan aan de halsstarrigheid van één
van beide, in dit geval de Vlaamse kant, dat de situatie escaleerde.
Bovendien werden de vaderlandslievende bewegingen, door de anti-Belgische
gevoelens langs Vlaams-nationalistische groepen, gezien als het
symbool van Belgisch-nationalisme , en er bijgevolg mee vereenzelvigd.
Hun afkeer a priori voor deze bewegingen is dan misschien kortzichtig
te noemen, maar gezien hun standpunten niet onlogisch.
Kan men, op basis van Lagrous artikel, spreken van vergevingsgezindheid
langs de zijde van belgicistische oudstrijdersverenigingen na
de Tweede Wereldoorlog, tijdens het Interbellum was van zulks
geen sprake. De agitatie rond de amnestiekwestie kwam voor een
groot stuk van de zijde van de patriottische groeperingen, veel
meer dan dat de Vlaams-nationalisten er een strijdpunt van maakten.
Langs Vlaamse zijde was de V.O.S. de belangrijkste oudstrijdersvereniging.
De rol die de V.O.S. binnen de Vlaamse Beweging heeft gespeeld
tijdens het Interbellum valt moeilijk te overschatten. Haar belangrijkste
themas Vlaamsgezindheid en Pacifisme indachtig, stelde de
vereniging zich boven alle partijpolitiek. Dit wil evenwel niet
zeggen dat ze op politiek vlak geen of weinig rol van betekenis
gespeeld zou hebben, integendeel. De V.O.S. was misschien één
van de weinige, of zelfs de enige, Vlaamsgezinde groepering die
een overkoepelende en overbruggende functie kon vervullen binnen
de intern zo sterk verdeelde Vlaamse Beweging. De grootste Vlaamsgezinde
betogingen en/of acties tijdens het Interbellum, de amnestiebetoging
van 1937 en de acties tegen het FransBelgisch militair akkoord,
werden door de V.O.S. georganiseerd. Haar sterkste punt was zonder
twijfel het feit dat ze zo weid verspreid was over heel Vlaanderen.
Nagenoeg elke Vlaamse gemeente had wel haar eigen afdeling van
de V.O.S., en sommige afdelingen hebben een sterke invloed gehad
op de lokale politiek. Het probleem bij de situering van de V.O.S.
is het gebrek aan voldoende literatuur. Er bestaan weliswaar enkele
overzichtswerken, daterende van 1979 en 1989, respectievelijk
van Provoost [19] en Lemmens [20].
Als onderdeel van de Vlaamse Beweging is de V.O.S. met andere
woorden onderbelicht gebleven in de historiografie van en over
die Vlaamse Beweging. Toch is het mogelijk om via onder meer het
tijdschrift van de V.O.S., en de overzichtswerken een beeld op
te hangen van de invloed die de vereniging gespeeld heeft, met
dien verstande dat zowel het tijdschrift als Provoost duidelijk
een gekleurde kijk op de zaken bieden.
De V.O.S. heeft zwaar gefulmineerd tegen al wat na de Eerste
Wereldoorlog met militarisme te maken had. Ze verwierp de manier
waarop Duitsland na het Verdrag van Versailles bijna letterlijk
de nek werd omgewrongen, en waardoor de prille Weimarrepubliek,
die nog weinig uitstaans had met de megalomanie van Wilhelm II,
opgezadeld werd met herstelbetalingen die het nooit zou kunnen
opbrengen. Verder was de V.O.S., zoals hoger vermeld, ook fel
gekant tegen het FransBelgisch militair akkoord van 1920,
waarin ze, misschien niet ten onrechte, een manuver zag
van de staatselite om de eisen van de opkomende Vlaamse Beweging,
die ook eisen had inzake de organisatie van het leger, te fnuiken.
De V.O.S. heeft zich steeds geëngageerd in themas die
draaiden rond haar twee grote idealen Vlaamsgezindheid en antimilitarisme.
Dat deze twee punten niet steeds met elkaar vielen te verzoenen,
zou met name in de jaren 1930 duidelijk worden, wanneer de hele
Vlaamse Beweging een sterke radicalisering doormaakte en de anti-democratische
ideeën niet van de lucht waren. Het verdeelde ook de V.O.S.,
want tijdens de Tweede Wereldoorlog zou de V.O.S. collaboreren
met de Duitsers, zoals ook zal blijken uit de fragmenten die hieronder
uit de artikels van hun tijdschrift worden geplukt. Zeer specifiek
met betrekking tot de 11-novemberherdenkingen heeft de V.O.S.
te Kaaskerke en Diksmuide een belangrijke rol gespeeld. Uit het
tijdschrift van de V.O.S. [21] blijkt
immers dat niet Ieper, maar wel Kaaskerke en Diksmuide de belangrijkste
plaatsen waren om hun gesneuvelden te herdenken, terwijl
te Brussel, als hoofdstad, de 11-novemberherdenkingen een sterk
Belgischnationalistische en patriottische toon kregen. Wanneer
de Duitse bezetter de 11-novembervieringen tijdens de Tweede Wereldoorlog
afschafte, reageerde de V.O.S.dan ook gelaten. In een artikel
van Frans Van Waeg, onder de titel Wij en 11 november,
lezen we [22]:
Ons goed. De Vlamingen, de leden van V.O.S. hebben steeds
dien dag gevierd in gesloten gezelschap, zonder ruchtbaarheid
en zeker zonder vaderlandsche opwinding. Op 11 november herdachten
zij enkel hun gevallen makkers, het einde van de nutteloze slachterij
en de blijde terugkomst in hun haardsteden na vier jaar afwezigheid
[
] Maar geen oogenblik peinsden zij op de militaire overwinning,
noch op de victorie met wapengeweld. Het was overigens geen
zege voor hen. 11 november 18 heeft hun neerlaag als volk
bevestigd en voor 22 jaar bestendigd. Voor zoo iets hoeft ge
niet te juichen noch te vlaggen.
Verder wordt in het artikel de nadruk gelegd op de totaal verschillende
inhouden die aan de 11-novemberherdenkingen gegeven werden. Voor
officieel België was 11 november HET feest bij uitstek,
den apotheose van den militairen roes en de patriotardischen
waanzin. Een groot spektakelstuk voor de goedgeloovige massa
en meteen een handig geënsceneerde oorlogspropaganda met
soldatenrevues, fakkelgezwaai en estafettenloop. En spijts hun
minute de silence, hun rouwfloers, hun wagenwielkransen
en hun akelig macaberen hooge hoed ernst,
om de oude kwenen en den voldaenen bourgeois eens aangenaam
te doen rillen, klonk dat alles hol, valsch en gevoelloos. Het
was discreet en ingetogen als een feestkanon. Fooratmosfeer
en Barnumregie [
] die nationale feestdag (was) de triomf
van den haat, van den onverzoenlijken, nooit afgelegden, steeds
zichzelf voldoenden haat met het noublions jamais
slagwoord als hoofdmotief [
] En dat is onze glorie
en onze eer, dat wij, Nationalistische Vlamingen en leden van
V.O.S., daar steeds misprijzend zijn aan voorbij gegaan.
Uit dit artikel blijkt niet alleen zeer duidelijk het diepgeworteld
antiBelgicisme, een Belgicisme dat volgens de V.O.S. met
veel militaristische en bombastische bravoure de 11 novemberfeesten
opvatte; onderhuids is ook de verantwoording en de goedkeuring
van de collaboratie door de V.O.S. erin terug te vinden. Door
te stellen dat 11 november 1918 de nederlaag van het Vlaamse volk
betekende en voor tweeëntwintig jaar heeft bestendigd, impliceert
men immers niets meer of niets minder dat de nieuwe bezetting
door de Duitsers een einde heeft gemaakt aan die verknechting.
Er heerste duidelijk diepe teleurstelling over het uitblijven
en/of mislukken van de Vlaamse ontvoogdingsstrijd. Het niet vervullen
van de koninklijke belofte van gelijkheid in rechte en in feite
had in Vlaamsgezinde middens voor veel verbittering gezorgd.
Tegenover deze aanpak van de 11 novemberfeesten, plaatste de
V.O.S en het IJzerbedevaartcomité, wat ze zelf dus omschrijven
als kleine en ingetogen plechtigheden op dé symbolische
plaats van het Vlaams-nationalisme: de IJzervlakte te Diksmuide.
Deze plechtigheden waren sereen, in die zin dat er hoogstens een
paar honderd aanwezigen aan deelnam, in tegenstelling tot het
massaspektakel dat de IJzerbedevaarten vaak waren. De herdenkingen
verliepen volgens een vast stramien. Rond tien uur werd een mis
opgedragen in de kerk van Kaaskerke. Dat het eerste deel van de
plechtigheid in deze kleine kerk doorging en -gaat, maakt dat
een groots opgezette plechtigheid al uitgesloten is. Vervolgens
ging het naar de IJzervlakte, waar aan de voet van de IJzertoren
enkele toespraken volgden. Hoewel deze plechtigheid rechtstreeks
niets van doen heeft met de herdenkingen te Ieper, is ze toch
relevant, aangezien vaak de voorzitter of een andere hooggeplaatste
binnen de V.O.S. er toespraken hielden. Deze toespraken, of de
belangrijkste punten ervan, werden steevast afgedrukt in het tijdschrift
van de V.O.S. Op deze manier wordt duidelijk welke boodschap de
Vlaamse oud-strijders naar de buitenwereld uitdragen en is het
mogelijk om de plaats van de V.O.S. binnen de Vlaamse Beweging
te omlijnen. Als we een analyse maken van deze toespraken, wordt
onmiddellijk duidelijk dat een aantal themata regelmatig terugkeert
[23].
De twee belangrijkste punten van de V.O.S., antimilitarisme en
Vlaamsgezindheid, komen zoals gezegd uitvoerig aan bod. Het is
hier niet de bedoeling om een overzicht te geven van de gehouden
toespraken, maar toch kan men enkele frappante voorbeelden aanhalen.
In 1939 [24], onder de titel De weg naar
den vrede, wordt een pleidooi gehouden voor de oprichting
van een nieuw soort volkerenbond. De neutralen hebben, volgens
het artikel, de taak om de weg naar de vrede uit te stippelen
en te effenen, waarin de Vereenigde Volkeren van Europa,
als kleinste politieke eenheid, het voortouw zou moeten nemen
van een Wereldvolkerenbond die de soevereiniteit van
de deelstaten sterk zou moeten beknotten, mede door een sterk
en machtig hoogste burgerlijk gezag over de wereld aan te
stellen. Op economisch vlak moet er vrij verkeer van goederen,
transport en personen gerealiseerd worden, en op sociaal vlak
moet de levensstandaard van het proletariaat op een hoger peil
gebracht worden.
Wat het eisenpakket van de Vlaamse Beweging betreft, dat wordt
doorgetrokken naar een internationaal cultureel niveau: elk volk
dient een gepaste bescherming van de eigen cultuur te krijgen,
er dient een gepaste uitwisseling van intellectuelen te komen,
zoodat de culturele rijkdom van eenieder, de rijkdom van
allen kan worden.
Verder wordt bitter gereageerd op het schijnbaar nutteloze offer
dat zo velen gebracht hebben in de vorige oorlog: 11 november
1918 heeft niet tot vrede, maar tot het verdrag van Versailles
geleid. Op 11 november 1939 is het weer oorlog. De oorlogvoerende
partijen willen alleen de overwinning, die heet: levensruimte,
opheffing van het Hitlerisme, of zelfs: verbrokkeling van het
Duitsche Volk. Langs dien weg zal de wereld nooit den vrede ontmoeten
[
].
Dat men het heeft over de tegenkanting tegen Duitsland en tegen
Hitler, als waren zij niet de agressors maar de slachtoffers,
is toch significant, gezien de weg die V.O.S. in de Tweede Wereldoorlog
zou inslaan.
De ondervoorzitter van V.O.S., J. Dekeyser, riep in zijn toespraak
van 1939 [25] op tot tucht en neutraliteit en
deed een beroep op de oud-strijders van de oorlogvoerende naties.
Tot de landgenoten riep de V.O.S. op om, nu in Oost-Europa de
oorlog woedde, neutraal en nuchter te blijven en niet in te gaan
op demagogie:
Wie hier te lande vrede wil, moet neutraliteit willen,
en wie neutraliteit wil, moet zijn persoonlijke voorkeur het
zwijgen weten op te leggen. De tucht die voor een land geldt,
geldt ook voor ieder verantwoordelijk burger van dit land [...].
Oud-strijders elders in Europa worden opgeroepen. Tijdens de
Eerste Wereldoorlog brachten zij een offer opdat nadien elk volk
vrij zou zijn en een eigen nationale cultuur zich zou kunnen ontplooien,
terwijl overal vrede en zelfbeschikking zou heersen. Dit doel
werd echter al snel geschrapt door diegenen die na de oorlog de
touwtjes in handen hadden. Daarom werd een oproep gericht aan
alle oud-strijders van de oorlogvoerende landen.
Gij wenscht evenmin den oorlog als wij; ook uw volk wenscht
den oorlog niet. Dit wordt elken dag verklaard in elk van de
oorlogvoerende landen [
] Kameraden oudstrijders, verheft
uw stem. Herinnert U hoe gij bedrogen werd tijdens en na den
oorlog 14 18. Geen dag betere dan deze 11
November is geschikt voor gewetensonderzoek. De problemen van
1939 zijn dezelfden als die van 1918. En zij worden door overeenkomst
beter, grondiger en duurzamer, dan door het kanon opgelost [
]
Daarom stelt uwen eisch tot vrede naast den onzen, laat de stem
van de rede luider klinken dan het gestook van de oorlogsdrijvers.
Nu meer dan ooit is oorlog een misdaad.
De hierboven aangehaalde artikels zijn verwarrend. Op zichzelf
spreken ze duidelijke taal: de afwijzing van de oorlog en van
de dreigende oorlogssituatie voor de andere, nog niet betrokken
landen. Het lijkt erop alsof de V.O.S. warm en koud blies tegelijk:
naar buiten toe wezen ze formeel de oorlog af, ze bestempelden
het zelfs aan een misdaad, maar wanneer nog geen jaar later ook
België ingelijfd werd, zou het niet lang duren vooraleer
de V.O.S. met de militaire bezetting collaboreerde. Op zichzelf
is zulks niet geheel verwonderlijk, gezien de verregaande verrechtsing
die de hele Vlaamse Beweging doormaakte; een geradicaliseerde
Vlaamse Beweging die overigens veel heil verwachtte van de Duitse
bezetting. In dat kader dient men dan ook de collaboratie van
de V.O.S. tijdens de Tweede Wereldoorlog te zien.
Deze vrij uitgebreide behandeling van de V.O.S. tijdens het Interbellum
lijkt gerechtvaardigd gezien de prominente rol die ze speelde,
zowel binnen de hele Vlaamse Beweging als binnen de specifieke
casus van de Ieperse Furie, die hierna behandeld zal worden. Door
de positie van de V.O.S. te verduidelijken, moet het mogelijk
zijn tot een beter inzicht komen in het hoe en waarom van de V.O.S.,
van het Ieper tijdens het Interbellum en van, zeer specifiek,
de Ieperse Furie.
----------------
[1] B. DEWEVER, Greep naar de Macht. Vlaams-nationalisme
en Nieuwe Orde. Het VNV 1933-1945, Tielt & Gent, 1994. Deel
I. Het Vlaams-nationalisme tot 1932, pp. 19-91.
[2] Geschiedenis van de Vlaamse Beweging, in:
R. DE SCHRYVER, B. DEWEVER, G. DURNEZ, e.a., eds, Nieuwe Encyclopedie
van de Vlaamse Beweging, Tielt, 1998, pp. 35-86.
[3] E. WITTE, e.a., Politieke Geschiedenis van
België. Van 1830 tot heden, Antwerpen, 1990.
[4] Cfr. infra.
[5] Cfr. infra.
[6] H.J. ELIAS, 25 jaar Vlaamse Beweging, 1914-1939,
deel1 ,Antwerpen, 1969, pp. 259-267.
[7] Zelfbestuur betekende voor het overgrote
deel van de bevolking niets meer of niets minder dan separatisme.
Zulke ideeën werden door velen verafschuwd, zeker nadat België
als overwinnaar uit de Eerste Wereldoorlog was gekomen. Ook federalisering
van de twee landsdelen Vlaanderen en Wallonië, kon voor velen,
die België als unitaire staat zagen, niet door de beugel.
[8] L. WILS, Honderd jaar Vlaamse Beweging, deel
2, Leuven, 1989.
[9] De Godsvrede hield het overbruggen in van
partijpolitieke tegenstellingen om samen aan de belangrijkste
gemeenschappelijke themas te kunnen bouwen. Dit was de geest
van de regering in ballingschap tijdens de Eerste Wereldoorlog,
waardoor de socialisten zichzelf wisten te legitimeren als regeringspartij
ten overstaan van de andere twee traditionele partijen.
[10] Cfr. inleiding.
[11] In: Nieuwe encyclopedie van de Vlaamse
Beweging, p.62
[12] G. DENECKERE, Oudstrijders op de vuist
in Brussel. Het amnestieconflict tijdens het interbellum, in:
Belgisch Tijdschrift voor Nieuwste Geschiedenis. Revue Belge d
Histoire Contemporaine, XXV, 1994-1995, 3 4, pp. 273-327.
[13] Het was niet de eerste keer dat patriottische
betogers erin slaagden de neutrale zone te betreden onder het
burgemeesterschap van Max. In totaal gebeurde het een drietal
keren. G. DENECKERE, art. cit., pp. 290-291 en pp. 300-311.
[14] IBIDEM, pp. 292-293.
[15] Cfr. infra.
[16] CHANTAL KESTELOOT, La Résistance:
ciment dune identité en Wallonie ?, in : Acta van
het Colloquium Het Verzet en Noord-Europa, Brussel, 1994, pp.
406-418.
[17] PIETER LAGROU, Welk Vaderland voor de vaderlandslievende
verenigingen? Oorlogsslachtoffers en verzetsveteranen en de nationale
kwestie, 1945-1958, in: Bijdragen tot de Eigentijdse Geschiedenis,
3, november 1997, Brussel, 1996-s.d.d., pp. 143-161.
[18] P. LAGROU, art. cit., p.145.
[19] G. PROVOOST, De Vossen: 60 jaar Verbond
der Vlaamse Oudstrijders (1919-1979), Brussel, 1979.
[20] P. LEMMENS, 70 jaar V.O.S. een geschiedkundig
overzicht. Brussel, 1989.
[21] DE V.O.S., weekblad van den Vlaamschen
oud-strijdersbond. De titel en de frequentie van verschijnen variëren.
[22] In: DE V.O.S
, zondag 10 november
1940. 22ste jaargang, nr. 31, p. 2, 3.
[23] Uiteraard dient men een onderscheid te
maken tussen de periode van het interbellum en de naoorlogse periode.
De Tweede Wereldoorlog was in elk opzicht een breekpunt geweest
voor de V.O.S. (en niet enkel voor hen, ook voor de hele wereld).
Na 1945 zat men immers met een heel nieuwe situatie: de Nooit
Meer Oorlog boodschap die de V.O.S. en het IJzerbedevaartcomité
propageerden, was een illusie gebleken. Daarnaast zat de V.O.S.
met het probleem van de collaboratie tijdens de Tweede Wereldoorlog.
In die mate zelfs, dat het verbond een andere naam diende aan
te nemen: het Nieuw Verbond der Vlaamse Oud Strijders, (= N.V.V.O.S).
In de eerste editie van het nieuwe tijdschrift, wordt de collaboratie
van V.O.S. afgekeurd, en distantieert men zich volledig van de
oude V.O.S.; het bestuur van N.V.V.O.S. heeft het oude verbond
zelfs door de rechtbank laten ontbinden, in: DE VLAAMSCHE OUDSTRIJDER.
Orgaan van het Nieuw Verbond der Vlaamsche Oudstrijders, zondag
7 oktober 1945, jaargang 1, nr. 1.
[24] DE VLAAMSCHE OUDSTRIJDER, zaterdag 11 november
1939, 21ste jaargang, nr. 46.
[25] Zoals weergegeven in de editie van 19 november
1939, 21ste jaargang, nr. 47.