HOME

Slagen

Nomenclatuur Gastbijdragen

De herdenking van de Eerste Wereldoorlog te Ieper

 

Hieronder vind je de scriptie "Oorlog zonder einde - De herdenking van de Eerste Wereldoorlog te Ieper" die door Menno Claes werd gemaakt in het academiejaar 2000-2001, aan de Faculteit Letteren en Wijsbegeerte van de Universiteit Gent, voor het behalen van de graad van Licentiaat in de Geschiedenis (Promotor: Prof. Dr. Bruno de Wever). De tekst van de scriptie werd aangevuld met fotomateriaal van de website www.wo1.be.

INHOUD

2. IEPER

Dit deel van het onderzoek zal aandacht besteden aan de specifieke situatie te Ieper. De geleidelijke heropbouw en herbevolking van de stad komen aan bod, waarbij aandacht besteed wordt aan de verzuchtingen van de Britten, die van de ruïnes van de stad een blijvend oorlogsmonument wilden maken.

Daarnaast wordt ruim aandacht besteed aan twee specifieke herdenkingen die in de stad werden georganiseerd tijdens het Interbellum: de onthulling van het Iepers oorlogsmonument in 1926, dat de geschiedenis inging als de Ieperse Furie, en de grote internationale bedevaart naar de Menenpoort in1928, waarbij zeer duidelijk de drie niveaus waarvan sprake in de inleiding in verwerkt zitten [26].

Ook wordt gekeken naar de resultaten van de verschillende partijen bij de gemeenteraadsverkiezingen. Met name de verkiezingen van 1926 vormen een interessant onderwerp, gezien ze plaatsvond enkele maanden na de Ieperse Furie en haar impact op de bevolking belangrijke consequenties lijkt gehad te hebben op politiek vlak.

Ten slotte verdienen de 11-novemberherdenkingen de nodige aandacht, hoewel, zoals zal blijken, deze tijdens het Interbellum te Ieper zelf, niet de grootse luister zoals vandaag gekend meekregen. Toch dient men oog te hebben voor een traditie die na de Eerste Wereldoorlog was ontstaan bij de Belgische oudstrijdersbond, de N.S.B. (= Nationale Strijders Bond). Het was immers de gewoonte om enkele dagen voor 11 november een fakkeltocht te starten, die van op verschillende plaatsen vertrok en van de ene lokale afdeling van de beweging aan de andere – werd doorgegeven, om uiteindelijk op 11 november zelf aan het Graf van de Onbekende Soldaat te Brussel te eindigen.

2.1 De situatie in Ieper onmiddellijk na de Eerste Wereldoorlog: heropbouw versus ‘Holy Ground’

Nadat de vrede hersteld was, keerden veel Ieperlingen terug naar hun stad, of wat daar op dat moment van overbleef. Geen enkele van de circa 4000 gebouwen in de stad was ongeschonden uit de oorlog gekomen, de meeste van hen waren zelfs volledig in puin geschoten [27]. West-Vlaanderen was overigens de meest getroffen provincie van heel België. In 1920 telde men er 41’301 verwoeste huizen en 4245 onbewoonbare huizen. Ter vergelijking: op de tweede plaats kwam Brabant met 5129 verwoeste huizen, en telde Oost-Vlaanderen na West-Vlaanderen het meest aantal onbewoonbare huizen met 1912. In totaal werden 68’901 verwoeste – en 10999 onbewoonbare huizen geteld [28].

De terugkerende bevolking wilde, logischerwijs, zo snel mogelijk de stad heropbouwen om verder te kunnen met hun leven. Hier is alweer een mooie illustratie mogelijk van de wisselwerking, dialectiek en problematiek van de “drieledige’’ stad Ieper (als lokaal, nationaal en internationaal symbool). De Engelsen wilden, met Churchill op kop (“This is holy ground”), de ruïnes van de stad onaangeroerd laten, als een eeuwig ‘levend’ bewijs en monument van de Engelse/Britse opoffering. In deze redenering zit ook een logica, gezien het hele Britse Gemenebest getraumatiseerd uit de oorlog kwam. Dat Churchill bakzeil haalde, is toch geen voor de hand liggend gegeven. Chielens [29] haalt immers aan dat heropbouw niet ipso facto de eerste en/of enige keuze was. Zo vermeldt hij onder meer het Franse plaatsje Oradour-sur-Glane bij Limoges, waar de Duitsers op 10 juni 1944 een slachting onder de bevolking aanrichtten. Het dorp telde een kleine 650 inwoners, na een ‘vergeldingsactie’ tegen het verzet werd het hele dorp, op zes na, uitgemoord. De mannen werden van de vrouwen en kinderen gescheiden en neergeschoten. De vrouwen en kinderen werden opgesloten in de kerk waarin een kist antitankgranaten tot ontploffing gebracht werd. Vervolgens mitrailleerden de SS de nog levende vrouwen en kinderen, waarna de kerk in brand gestoken werd. Nadien heeft de SS nog dagen besteed aan het uitwissen van sporen en het onherkenbaar maken van de slachtoffers. Toen het nieuws bekend raakte, werd vrijwel onmiddellijk beslist om het dorp te houden zoals het was na die tiende juni 1944. Oradour werd zo Frankrijks nationaal symbool van “de Franse slachtoffers van buitenlandse barbarij”, zoals De Gaulle het zei [30]. Naast het verwoeste dorp bouwde men een nieuw dorp, een nieuw Oradour, toegewezen aan de nabestaanden van de slachtoffers.

Het is een mooi voorbeeld van de vraag wat te doen met steden die ten gevolge van de oorlogsgruwel een sterke symbolische waarde meekregen. Toch zijn er ook een aantal belangrijke verschillen tussen Oradour en Ieper. Zo is er in het geval van Ieper een veel belangrijker demografisch aspect. Oradour was een klein dorp van 650 inwoners, terwijl Ieper voor de Eerste Wereldoorlog 18’000 inwoners telde. Daarnaast was (en is) Ieper een vrij belangrijk centrum in het sterk agrarische Zuid–West–Vlaanderen. Dit maakt dat het verwoeste Ieper veel grotere belangen had bij een heropbouw. Neem daarbij tenslotte het cultureel erfgoed van de stad, en de keuze voor heropbouw was vrij logisch. De Britten zouden in de her op te bouwen stad zeker hun plaats krijgen. Die plaats kwam er in twee van de meest gekende en meest bezochte plaatsen van de stad: de Saint Georges Memorial Church en, hét symbool van de Britse opoffering, de Menenpoort [31].

Wat de herbevolking van de stad betreft, deze kwam na de oorlog gestaag op gang. Voor het uitbreken van de oorlog in augustus 1914, telde de stad ruim 18’000 inwoners. Op het einde van 1919 waren reeds een 2000–tal mensen teruggekeerd. Het stadsbeeld bestond uit de restanten van de in puin geschoten gebouwen waartussen de teruggekeerden tijdelijke verblijfplaatsen, vaak niet meer dan hutten, hadden opgetrokken. In 1921 was het bevolkingspeil opgelopen tot een kleine 10’000 mensen [32]. Toch zou het tot 1947 duren, vooraleer de kaap van 18’000 inwoners opnieuw overschreden werd. Eind 1972 werden bij de volkstelling 20’941 inwoners genoteerd [33].

Vandaag is Ieper één van de welvarendste plaatsen in de Westhoek. Dit was lang niet altijd zo. De hele Westhoek kampte jarenlang met een aanzienlijke economische achterstand. Gezien het feit dat het een sterk agrarische streek betreft, behoeft het niet veel verwondering te wekken dat de landbouwsector fel achteruit ging, toen meer en meer de secundaire en vooral de tertiaire sector aan belang wonnen. Vechten tegen de werkloosheid heeft na vele jaren wel zijn vruchten afgeworpen. De stad telt nu ongeveer 30’000 inwoners en haalde in 1996 een gemiddelde omzet van 34’641 miljoen [34]. De werkgelegenheidsgraad bedroeg in datzelfde jaar 89,4 %, ten overstaan van een werkgelegenheidsgraad van 64,7 % voor het arrondissement Ieper, 70,4 % voor de provincie West-Vlaanderen en 64,9 % voor het Vlaams Gewest [35].

---------------

[26] Aan de tot stand koming van de Menenpoort en de onthulling in 1927, wordt in deel III de nodige aandacht besteed.

[27] G. TOPHAM FORREST, The Rebuilding of Ypres, p. 306, in: Prisma van de Geschiedenis van Ieper. Een bundel historische opstellen verzameld door O. Mus onder leiding van prof. J.A. van Houtte, Ieper, 1974, p.p. 304-315.

[28] Dit blijkt uit een officiële lijst die in 1920 werd gepubliceerd en ook werd afgedrukt in Het Ypersche. Weekblad voor het Arrondissement Yper. Orgaan der VEREENIGING DE Geteisterden, de Ypersche Clubs, enz. La Région D’ Ypres. Journal Hebdomadaire de l’ Arrondissement d’ Ypres. Organe de l’Association des Sinistrés, des Clubs Yprois, etc. Jaargang 1, nummer 16, 7 augustus 1920.

[29] P. CHIELENS Puin ruimen. De gespannen verhouding tussen wederopbouw en herdenking in internationaal perspectief, in: K. BAERT, e.a., ed., Ieper, de herrezen stad, Koksijde, 1999.

[30] P. CHIELENS, art.c., p. 223

[31] D. DENDOOVEN, “This is Holy Ground.” Van ruïnestad over zone de silence tot Menenpoort: Britse plannen voor Ieper na de Eerste Wereldoorlog, in: K. BAERT, e.a., ed., o.c., pp. 97-124.

[32] G.TOPHAM FORREST, art .cit., p. 309.

[33] O. VANNESTE, De ekonomische evolutie te Ieper na de 2e wereldoorlog, in: Prisma van de Geschiedenis van Ieper…, Ieper 1974, p. 463.

[34] Ter verduidelijking : in 1993 haalde men te Ieper een omzet van 27’024 miljoen. Als we dat bedrag aan een index met waarde 100 koppelen, bedraagt de indexwaarde van de omzet in 1996 128,2 ten opzichte van de indexwaarde 100 in 1993. Ter illustratie : het Vlaams Gewest haalde in 1996 een indexwaarde van 113,7 ten opzichte van de indexwaarde 100 van 1993, in : N.I.S., Stativaria nr. 21.

[35] IBIDEM.