Hieronder vind je de scriptie "Oorlog zonder einde - De herdenking
van de Eerste Wereldoorlog te Ieper" die door Menno Claes werd
gemaakt in het academiejaar 2000-2001, aan de Faculteit Letteren
en Wijsbegeerte van de Universiteit Gent, voor het behalen van de
graad van Licentiaat in de Geschiedenis (Promotor: Prof. Dr. Bruno
de Wever). De tekst van de scriptie werd aangevuld met fotomateriaal
van de website www.wo1.be.
Naarmate België meer en meer een gefederaliseerde staat
werd, en de bevoegdheden meer en meer aan de verschillende gewesten
en gemeenschappen werden toevertrouwd, geraakte ook de etnisch-culturele
tegenstelling tussen Vlaanderen en Wallonië meer en meer
geïnstitutionaliseerd. De weg naar een goede verstandhouding
tussen beide landsdelen was zwaar geweest. Van politieke stellingname
naar straatagitatie over staatshervorming, de beruchte wafelijzerpolitiek,
naar een verregaande federalisering van de bevoegdheden. Anno
2001 lijken de laatste plooien grotendeels gladgestreken en wordt
met de Lambermontakkoorden een nieuwe, misschien beslissende stap
gezet in de staatshervorming.
Vanaf grosso modo de jaren 1990 was er een mentaliteitswijziging
merkbaar in de visie op het hele Vlaanderen-Wallonië-België-vraagstuk.
Het leek erop alsof men stilaan de buik vol had van het eeuwige
getwist, waarmee men onder meer met de reeds vermelde wafelijzerpolitiek
in een onhoudbare situatie was terechtgekomen. Desalniettemin
werd ook gedurende de jaren 1990 duidelijk dat een aantal cultureel-communautair
getinte themas als Brussel en de faciliteitengemeenten nog
niet zo gauw hun beslag zouden krijgen.
Toch mag men met een gerust hart stellen dat met de jaren 1990
een nieuwe periode werd ingeluid. Het was het einde van de periode
van de drie traditionele tegenstellingen, en tevens het begin
van een nieuw verschijnsel. De term nieuw
is echter wel relatief te beschouwen, aangezien het hier gaat
om de verrechtsing van de samenleving. De verkiezingen van 24
november 1991 betekenden de electorale doorbraak van het Vlaams
Blok in Vlaanderen, en in minder mate van het Front National in
Wallonië. Van den Brande voerde als deelverklaring voor het
succes van deze extreemrechtse partijen aan dat de samenleving
zodanig geëvolueerd was, dat we in de politieke fase van
de zogeheten compensatorische, staatloze maatschappij
waren gekomen [1]. Deze kenmerkt zich
door een enorme differentiatie inzake de te verrichten taken binnen
de maatschappij, waardoor een even doorgedreven specialisatie
van die taken nodig is, om tot een succesvolle en bevredigende
manier van samenleven te komen. Ten gevolge van deze verregaande
specialisatie en differentiatie is er een sterke onderlinge afhankelijkheid
van ieder lid van de samenleving, waardoor er een vorm van zelfregulering
ontstaat. Vandaar de idee staatloos: ieder lid van
de samenleving heeft zijn eigen specifieke taak, waardoor hij
voor het wel functioneren van de samenleving belangrijk is, maar
anderzijds is ieder individu, ten gevolge van de specialisatie
aangewezen op de anderen. In deze lijn wordt dan ook het principe
van de compensatorische samenleving duidelijk. Er
zijn echter steeds individuen, die zich moeilijk of niet kunnen
vinden in deze manier van samenleven, en volgens Van den Brande,
dient men in dit licht de opkomst van extremistische partijen
te zien. Deze partijen fulmineren tegen die manier van samenleven,
en stellen in de plaats vaak een duidelijk hiërarchisch gestructureerd
samenlevingsmodel als voorbeeld, waarbinnen elkeen weliswaar ook
een duidelijk omschreven plaats heeft binnen het systeem, maar
waar de staat, de overheid een veel belangrijker rol speelt in
zijn hoedanigheid van regulator, rechter en politieagent.
Een ander duidelijk merkbaar teken is dat partijen als de Volksunie,
RW en FDF, die zich in het verleden met electoraal succes rond
de Vlaams-Waalse tegenstellingen entten, de laatste jaren (grofweg
de laatste tien jaar) veel van hun stemmen verloren hebben. Vooral
de Waalse partijen spelen eigenlijk nog weinig rol van betekenis,
en ook binnen de Volksunie werden de tegenstellingen tussen gematigden
en radicalen pijnlijk duidelijk tijdens de onderhandelingen rond
het Lambermont-akkoord.
Daarnaast is de verrechtsing van de Westerse samenleving een
internationaal fenomeen, dat sedert de val het Oostblok einde
jaren 1980, begin jaren 1990 duidelijk werd. We zullen ons echter
niet verder bezighouden met verklaringen te zoeken voor dit politiek-maatschappelijk
verschijnsel, maar ons ertoe beperken er rekening mee te houden
bij het onderzoek naar de herdenkingen te Ieper.
1. DE LANGZAME WEG NAAR VERZOENING
Op 11 november 2000 drukten leden van de V.O.S. en van de Belgische
Oud-strijders elkaar de hand voor het monument van de onbekende
soldaat te Ieper. Het initiatief kwam van burgemeester Luc Dehaene.
Het gebaar werd De handdruk van de verzoening genoemd,
wanneer Gilbert Van Eecke, voorzitter van V.O.S. Ieper en Manu
Velghe, voorzitter van het Verstandhoudingscomité van Belgische
oudstrijders en gelijkgestelden, een punt wilden zetten
achter 45 jaar verbittering
[2].
Dat men met name spreekt van 45 jaar verbittering,
onderstreept nog eens de centrale idee in dit werk dat de Tweede
Wereldoorlog de Eerste Wereldoorlog volledig overschaduwd heeft.
Uiteraard is de repressie die na de Eerste Wereldoorlog
tegen de activisten gevoerd werd van weinig tel in de conflicten
en onenigheden tussen Vlaams-nationalisten en Belgisch-nationalisten,
voortkomende uit de repressie van na de Tweede Wereldoorlog, en
waarnaar hier gerefereerd wordt. Toch wordt in de berichtgeving
rond de symbolische handdruk niet verwezen naar de Eerste Wereldoorlog,
hét precedent bij uitstek voor de collaboratie en de repressie
tijdens en na de Tweede Wereldoorlog. Het is evenwel logisch dat
men zich in de mediabericht-geving beperkt heeft tot een weergave
van de gebeurtenissen en deze gebeurtenissen met een zeker minimum
aan duiding in een breder kader heeft willen plaatsen. Vanuit
dit oogpunt bekeken is er ook helemaal geen behoefte om te verwijzen
naar de nog verder in het verleden liggende oorzaken. Het thema
van de verzoening stond centraal, en daar ging de aandacht dan
ook naar uit. De belangrijkste eyecatcher was dat
het verzoeningsgebaar voor sommigen allesbehalve van harte was.
Wanneer de Ieperse Harmonie Ypriana de Vlaamse Leeuw speelde,
weigerden zes vaandeldragers, waaronder één van
het Rode Kruis Vlaanderen, de vlag ten teken van groet naar beneden
te richten. Ook Henri Vandenberghe, bestuurslid van het Last Post
Comittee, verliet ostentatief de plechtigheid tijdens het spelen
van de Vlaamse Leeuw, om pas terug te keren tijdens de daarop
volgende Brabançonne [3], waarbij
de zes weigerachtige vaandeldragers nu wel de groet brachten.
Deze halsstarrige weigering van enkele Belgisch-nationalisten
(patriottisten) om een groet te brengen aan het lied dat symbool
stond (en blijkbaar ook staat) voor de Vlaamse onafhankelijkheidsaspiraties
ten overstaan van België, is weer eens een prachtige illustratie
van hoe de nasleep van de Tweede Wereldoorlog voor die oorlogsgeneratie
een onverwerkt verleden is gebleven.
Burgemeester Dehaene wilde met zijn initiatief toch duidelijk
de weg vrij maken voor een verdere, geleidelijke verzoening tussen
beide partijen. Hij zei over die verzoening
Meningsverschillen moeten niet op het slagveld beslecht
worden, maar aan de onderhandelingstafel. Niemand van de partijen
moet en mag vergeten wat er is gebeurd. We mogen het leed niet
wegmoffelen. Maar we blijven geloven dat solidariteit, verdraagzaamheid
en rechtvaardigheid de wereld kunnen domineren. Daarom was de
symbolische handdruk vandaag aan het Belgisch
Monument zo betekenisvol. Daarmee werd de wil getoond om,
om zonder te willen vergeten, toch een nieuwe start te nemen.
[4].

Het gebeuren in Ieper kreeg navolging op een andere symbolische
plaats, Diksmuide. Ook daar werd een symbolische verzoening georganiseerd
tussen het IJzerbedevaartcomité en de Nationale Strijdersbond
Diksmuide. Eveneens werd er, naar analogie van Ieper, een platformtekst
ondertekend, waarin, ook weer zoals in Ieper, de hoop wordt uitgedrukt
dat de boodschap van vrede, verzoening en verdraagzaamheid
internationaal begrepen wordt, en waarin ook de nooit-meer-oorlog-gedachte
wordt uitgedrukt [5].
Deze verzoeningspogingen zijn uitermate interessant, gezien ze
duidelijk maken dat de betrokken partijen na 50 jaar eindelijk
in staat lijken, zonder het verleden te vergeten, om te spreken
van verzoening, van wederzijds respect; men lijkt stilaan bereid
toe te geven dat er fouten gemaakt zijn. Toch ligt het thema van
verzoening voor sommigen nog al te gevoelig. Zoals reeds vermeld
werd, lijkt het er echter op dat indien de oorlogsgeneratie er
niet zelf in slaagt alsnog de plooien glad te strijken, de derde
generatie als vanzelf het verleden zal laten rusten. De materie
vergelding en repressie is werkelijk een item dat de oorlogsgeneratie
zelf bezighoudt, en in mindere mate ook nog hun kinderen, maar
de derde, nu opkomende generatie, is lang niet meer zo begaan
met het onderwerp. Dat het een halve eeuw geduurd heeft alvorens
twee tegenover elkaar staande partijen nog maar bereid zijn tot
dialoog over te gaan, is symptomatisch voor de complexiteit van
de materie. De twist tussen Vlaams-nationalisten en Belgische
patriotten heeft al die jaren, soms expliciet, soms meer onderhuids,
een invloed gehad op de herdenkingen. Beide groepen hebben steeds
getracht hun gelijk te halen, daarbij doof blijvend voor de argumenten
van de andere partij. Vaak boden herdenkingen van deze of gene
strekking dan ook het beeld van zichzelf bevestigende groeperingen,
die met grote vaderlandse (id est: Belgische of Vlaamse) trots
hun doden stonden te vereren, gevallen als helden voor het groter
doel dat ze voorstonden. Het was letterlijk zo dat V.O.S. en N.S.B.
naast elkaar tracht(t)en te leven.
Nu het erop lijkt alsof aan die stereotype tegenstelling vroeg
of laat een einde zal komen, zal allicht ook het uitzicht van
de herdenkingen veranderen. Uiteraard zullen er steeds Vlaamsgezinden
en Belgicisten zijn, en even evident is het dat beiden aan elkaar
tegengestelde standpunten, ideeën en doelstellingen hebben,
maar dit zal in de toekomst misschien gebeuren vanuit een wederzijds
respect, vanuit een erkennen van elkaars bestaansrecht.
2. IN FLANDERS FIELDS
De 11-novemberherdenkingen in Ieper zijn in belangrijke mate
een Brits getinte herdenking, waarin de jaarlijks gehouden Poppy
Parade zoals reeds gezegd een centrale rol speelt. De herdenkingen
te Ieper hebben een toeristisch aspect: elk jaar kan men rekenen
op een groot aantal Britten die de stad aandoen, anderzijds zijn
er mensen, die omwille van de symboolwaarde van de stad, op 11
november naar Ieper komen, en er dan een dagje uit van maken.
Het is echter pas vrij recent dat de 11-novemberherdenkingen te
Ieper de grootse luister en aandacht kregen zoals we die vandaag
kennen. Het hoogtepunt was ongetwijfeld de herdenking van 1998,
80 jaar na de wapenstilstand, wanneer de staatshoofden en regeringsleiders
van België en Groot-Brittannië aanwezig waren. Ook was
er in datzelfde jaar de opening van het In Flanders Fields Museum
(IFFM), dat ondertussen ongeveer bedolven werd onder nationale
en internationale prijzen. De mensen achter het museum zijn er
dan ook in geslaagd om een indrukwekkend en concreet beeld op
te hangen van de oorlogsgruwel in de Westhoek in de jaren 1914-1918.

Ieper heeft zich de laatste jaren sterk geprofileerd als internationale
vredesstad. Een mooie illustratie hiervoor biedt de inkom van
het IFFM, waar de namen van plaatsen, voor eeuwig gelinkt aan
oorlogslijden, op een grote plaat geëtaleerd staan [6].
Dit heeft uiteraard ook een sterke economische dimensie. Het oorlogstoerisme
vormt een niet onaanzienlijke bron van inkomsten voor de stad.
Niet enkel de musea en de andere bezienswaardigheden, maar uiteraard
varen ook de talrijke horecazaken en de gehele middenstand van
de stad hier wel bij. Ieper speelt zijn symboolwaarde, allicht
zijn grootste troef en uithangbord naar de buitenwereld toe, ten
volle uit. (Ze zouden wel gek zijn dit niet te doen.) Door deze
symbiose tussen de recente geschiedenis van de mensheid en de
economisch voordelige mogelijkheden hiervan, is Ieper maar kunnen
uitgroeien naar zijn internationale status van vredesstad. Duidelijk
de kaart trekken van het internationaal oorlogstoerisme, impliceert
uiteraard dat het lokale, stedelijke aspect van de oorlog veel
minder aan bod komt. Dit is voor de mensen achter het museum een
bewuste keuze geweest, met alle succesrijke gevolgen van dien,
maar het maakt misschien dat een aantal Ieperlingen het IFFM niet
als een eigen, lokaal museum wil of kan aanzien. Dit
vormt weer een illustratie van de drieledige laag van de stad:
het museum is één van de pronkstukken van de stad
naar de buitenwereld toe, maar de drempel ligt voor een bepaald
deel van de eigen bevolking misschien te hoog.
In dit deel zal aandacht besteed worden aan het IFFM. Meer specifiek
wordt gekeken welk beeld het museum ophangt van de Eerste Wereldoorlog:
wat voor klemtonen worden gelegd en waarom? Tevens heeft het museum
de gewoonte om elk jaar en artist-in-residence aan te stellen,
die dan rond een specifiek thema van de Eerste Wereldoorlog een
project uitwerkt.
Dit jaar werd de Antwerpse, in Gent wonende beeldend kunstenares
Lieve Van Stappen gevraagd een project uit te werken. Ze heeft
haar project in twee delen opgesplitst: een publieksproject en
een beeldend project. Aan haar artist-in-residence-schap zal speciale
aandacht geschonken worden, omwille van een aantal redenen.
Ten eerste is er het feit dat haar publieksproject dat de titel
De Herinnering van de Vergetelheid meekreeg, handelde
over voorwerpen die ze in leen verkregen had van particulieren,
en die op de één of andere manier verbonden waren
aan de Eerste Wereldoorlog. De op die manier bijeengebrachte collectie
voorwerpen vertellen elk een verhaal over die Eerste Wereldoorlog.
Het unieke is, dat het verhaal dat ze vertellen, of ten minste
het verhaal zoals het door de nabestaanden herinnerd werd, niet
hoeft overeen te komen met wat de officiële geschiedschrijving
vertelt en toch echter en authentieker is voor de nabestaanden
dan die officiële geschiedschrijving. Op die manier sluit
deze tentoonstelling voor een deel aan bij dit onderzoek. Beide
staan stil bij de overlevering, de verwerking en de herdenking
van de Eerste Wereldoorlog.

Ten tweede is er een reden van zuiver praktische aard. Ik heb
een bescheiden bijdrage kunnen leveren aan de catalogus van de
tentoonstelling De Herinnering van de Vergetelheid,
waardoor ik van vrij dichtbij betrokken geraakte bij het werk
dat Lieve Van Stappen deed. Het leek een unieke gelegenheid om
op die manier haar tentoonstelling mee in dit werk te behandelen.
2.1 In Flanders Fields: Dear world-leaders,
do you hear us?
Het In Flanders Fields Museum, dat op 25 april 1998 zijn deuren
opende, was van bij de aanvang een groot succes. Jaarlijks bezoeken
gemiddeld 200000 mensen het museum en het museum ontving
verscheidene binnen- en buitenlandse prijzen. De mensen achter
het museum zijn er dan ook in geslaagd om een indrukwekkend beeld
op te hangen van de Grote Oorlog, en willen elke bezoeker
persoonlijk betrekken bij de Eerste Wereldoorlog, door ze bij
het binnentreden de identiteit mee te geven van iemand die de
oorlog zelf heeft meegemaakt. Op een aantal plaatsen in het museum
kan je dan je nakijken hoe het de persoon aan jou toegewezen vergaan
is tijdens de oorlog.

Daarnaast is er de eigenlijke tentoonstelling, waarbij je ondergedompeld
wordt in het leven van de frontsoldaat van 14-18.
Als bezoeker wordt je herinnerd aan de pakkende kerstnacht van
1914, toen de strijdende partijen met elkaar verbroederden en
samen kerstmis vierden, tot grote woede van de legerleiding.
Verder wordt de bezoeker geconfronteerd met onder meer een gasaanval,
de slachting van Passendaele, en een bezoek aan een ziekenboeg.
Daarnaast is er heel wat specifieke informatie over het leven
van alledag in de frontstreek: informatie over de belangrijke
veldslagen, de gebruikte uniformen van de verschillende legers,
over de Vlamingen met hun Open brief aan Albert, tot
en met de executie van deserteurs.
Het is deze specifieke, interactieve manier van beeldvorming
van de Eerste Wereldoorlog die de sleutel tot het succes van het
museum vormt. De tentoonstelling is letterlijk geschikt voor jong
en oud, en door het internationaal aan te pakken (men put bijvoorbeeld
voor de identiteit die men meekrijgt uit Duitsers, Belgen, Britten
en Fransen; al naar keuze) had Ieper met het museum een succesformule
van formaat te bieden aan de bezoekers.
De boodschap van wereldwijde vrede wordt sterk uitgedragen door
het museum. Bij het binnenkomen en bij het verlaten van de tentoonstelling
wordt men geconfronteerd met wereldwijde oorlogsterreur. Bij het
binnenkomen middels de plaat waarop de namen van plaatsen staan
die in de laatste eeuw getroffen werden door de oorlogsverschrikking.
Bij het verlaten van de tentoonstelling stuit men op een video
van vluchtelingenkampen van de genocide in Rwanda in 1994. Het
is een museum over de Eerste Wereldoorlog, waarbij het lijden
van de slachtoffers en de mensen zelf centraal staan.
Is deze boodschap moraliserend? Misschien, maar ten eerste moet
men bedenken dat het uitdragen van de vredesboodschap op zich
niet moraliserend kan zijn, en ten tweede moet men toch toegeven
dat als er al een plaats is die met recht en rede vredesapostel
mag spelen, het dan toch wel Ieper is, waar alleen al tijdens
de slag van Passendaele tijdens de zomer van 1917 een half miljoen
mensen afgeslacht werden om uiteindelijk twee kruimels grond te
veroveren.
De aantrekkingskracht van het museum heeft uiteraard tal van
voordelen op andere vlakken. Zo zal de plaatselijke middenstand
zeker meer dan een graantje meepikken van de vele bezoekers en,
ander handigheidje: men is schrander genoeg om de plaatselijke
informatiedienst van de stad onder te brengen in dezelfde ruimte
als de souvenirwinkel van het museum. Op die manier kan men de
bezoekers van het museum wegwijs maken in de andere attracties
in en rond de stad, van de jaarlijkse Kattenstoet via de graven
rond de stad en de geleide bezoeken aan de frontstreek tot en
met de openingsuren van Bellewaerdepark.
2.2 De Herinnering van de Vergetelheid
& Stambomen
In 2001 werd Lieve van Stappen gevraagd artist-in-residence te
zijn voor het IFFM. Ze splitste haar taak op in twee tentoonstellingen,
het gemeenschapsproject De herinnering van de Vergetelheid en
het beeldend project Stambomen.
Bij de Herinnering van de Vergetelheid nodigde Lieve van Stappen
op een directe, haast brutale manier iedereen uit om persoonlijk
bezittingen die te maken hadden met de Eerste Wereldoorlog aan
haar toe te vertrouwen [7]. Ze wilde
daarbij wat ze zelf omschreef als het geheugen van de eerste
wereldoorlog tonen,
de oorlog zoals hij overgeleverd wordt in de verhalen
die in besloten kring verteld worden. De herinnering zoals ze
nu geleefd wordt. [8]
Haar drijfveer was een algemene interesse voor oorlog en lijden,
niet specifiek gericht op Ieper, maar vooral toegespitst op het
ontdekken van de mechanismen van oorlog en geweld: Leven,
oorlog. De pijn van het zijn, de pijn van het sterven. Het onderwerp
is min of meer hetzelfde. [9]
Uiteindelijk zou ze meer dan 60 reacties krijgen op haar uitnodiging.
Ze vroeg speciaal naar voorwerpen die de mensen dierbaar waren,
waar ze niet echt afstand van konden of wilden nemen.
Ik wilde naar de mensen luisteren, wilde zien wat hun
noden en verlangens waren met betrekking tot hun erfgoed, nagaan
in hoeverre mijn vaak intuïtief aanvoelen inzake oorlog
en geweld bij hun verhalen aansloot. En dat is goed meegevallen.
Al besef ik dat het project vooral zo veel reacties heeft losgemaakt
omdat het zich onvermijdelijk tot de latere generaties richtte,
tot mensen voor wie de pijn, hoewel nog aanwezig, toch al voor
een groot stuk verwerkt is. Ik zou vandaag met mijn verzoek
niet bij de mensen in Joegoslavië moeten aankomen. Ik voelde
ook dat er behoefte was om te vertellen. Aan een geïnteresseerde
buitenstaander gaat dat misschien gemakkelijker dan aan iemand
van de eigen streek. [10]
De herinnering van de vergetelheid had dus tot doel om te tonen
hoe de Eerste Wereldoorlog doorleefde bij de mensen zelf, middels
voorwerpen en verhalen, al dan niet gekoppeld aan die voorwerpen.
Op die manier krijg je een beeld van hoe zo een ingrijpende gebeurtenis
doorgegeven werd, ondertussen al een viertal generaties. Het interessante
daaraan is dat de overlevering van de Eerste Wereldoorlog niet
per se hoeft te stroken met wat de geschiedenisboeken erover vertellen,
terwijl de verhalen van de mensen voor hen zelf veel meer authenticiteit
bevatten dan die officiële geschiedschrijving. Lieve van
Stappen heeft op die manier de dialectiek blootgelegd tussen feit/gebeurtenis
en de weergave daarvan.
Bij Stambomen sloot Van Stappen aan bij wat ze geleerd had uit
de verhalen die ze systematisch had leren kennen. De allegorische
voorstelling van verminkte bomen vormde op die manier de veruitwendiging
van de oorlogsgruwel. Tijdens haar treinreizen van Gent naar Ieper
merkte ze de bomen in het landschap op, die na de winter gekapt
werden. Ze hadden, zo zei ze, veel weg van de kapotgeschoten stammen
die tijdens de Eerste Wereldoorlog nog her en der overeind bleven
staan. Alle bomen waren gewond, en de littekens die ze droegen
symboliseerden de littekens van de drassige Westhoek. Vandaar
dat van Stappen voor haar beeldend project koos voor stammen van
knotwilgen, met geamputeerde glazen takken (glas als ambigu materiaal:
het kwetst, maar het is kwetsbaar; je ziet het, maar het is doorschijnend;
het is hard, maar breekbaar), stammen van eiken en acacias
met spijkers erin geslagen. De keuze voor die bepaalde bomen is
niet toevallig. De acacia is een symbool van regeneratie, zoals
ook de verwoeste streek weer uit een diepe krater wist te klimmen,
terwijl de eik symbool staat voor de stamboom, gezien het een
boom is die generaties lang overleeft en waarvan de kruin zo groot
en vertakt is. Een verwoeste eik symboliseert zo duidelijk de
verwoeste families die zonen, vaders en echtgenoten verloren in
de oorlog. Net zoals de eiken die er nog staan, moesten ook de
families verder met hun leven. Getekend door wat er gebeurd
was, dus niet meer perfect, maar toch. Zo groeide in mijn hoofd
dat verband tussen het landschap en de mensen die er wonen.
[11]
De beeldprojectie van de zwangere, zich in het water wentelende
rat, spreekt ook voor zich. Alleen de ratten werden beter
van de oorlog. Ze pasten zich aan de omstandigheden aan en deden
zich aan alles te goed. Kolossaal werden ze. Denkend aan de rat
als symbool van de verrader, de stakingsbreker, staat ze hier
voor de lieden die de oorlog orkestreren en er beter van worden.
Eerst verdienen ze aan de oorlog en nadien aan het herstel van
wat door de oorlog vernietigd werd. Da s twee keer verdienen.
Dat aspect moest er ook bij. Die rat die alleen voor zichzelf
leeft en die, zoals in het gedicht van Isaac Rosenberg, absoluut
geen partij kiest. [12]
In haar project Stambomen is van Stappen erin geslaagd op een
mooie, aangrijpende en ook ontroerende wijze de verbondenheid
van de mensen uit het Ieperse en hun omgeving, het landschap van
de Westhoek aan te tonen. In de Westhoek dragen zowel de mensen
als hun natuurlijke omgeving de sporen van de Eerste Wereldoorlog.
Een landschap dat, vooral door de duizenden witte zerken die je
er aantreft, eenieder die er zelfs maar passeert met de neus op
de feiten drukt en herinnert aan wat er gebeurd is.
3. 80 JAAR WAPENSTILSTAND
Woensdag 11 november 1998 werd Ieper overspoeld door een internationaal
medialeger. De 80ste verjaardag van de wapenstilstand vormde,
mee ten gevolge van de komst van de Britse en Belgische vorsten,
de aanleiding tot een massagebeuren. Liefst 500 persmensen uit
de hele wereld (Mexico, België, Rusland, Australië,
Frankrijk, de V.S.A.,Canada, Groot-Brittannië
) stonden
in voor de verslaggeving van de plechtigheden. De omgeving van
de Menenpoort
had wat weg van een ruimtestation, doordat er vijftien schotelantennes
stonden opgesteld in de onmiddellijke omgeving. Onder massale
belangstelling, het gegeven van droog - maar toch koud - herfstweer
zal wel zijn rol gespeeld hebben, zou deze verjaardag van de wapenstilstand
het grootst opgezette gebeuren ooit worden te Ieper, groter nog
dan het pausbezoek aan de stad in 1985. Nog nooit hadden zo veel
Britten tegelijkertijd een bezoek gebracht aan de gewezen frontstreek.
Een vrije hotelkamer vond men dan ook slechts nog te Kortrijk
en aan de kust [13].
De plechtigheden verliepen volgens het vaste patroon. Eerst was
er de dienst in de kathedraal, geleid door deken Houwen. Tijdens
de homilie zinspeelde hij op de straatnamen van Ieper. Nogal wat
straten zijn immers genoemd naar grote veldheren van de Eerste
Wereldoorlog, en de deken alludeerde dat zulks misschien niet
terecht is. Ondertussen was de Britse koningin Elisabeth II gearriveerd
op het vliegveld van Wevelgem, waar ze werd opgewacht door het
Belgisch vorstenpaar. Ze trokken dan naar het kleine oorlogsstadje
Mesen, waar zij een monument onthulden ter nagedachtenis van de
50000 Ierse soldaten die er in 1917 het leven lieten. Onder
de aanwezigen bevond zich naast de Ierse presidente McAleese ook
David Trimble, die dat jaar de Nobelprijs voor de vrede had gekregen
voor zijn bijdrage in de totstandkoming van het zogenoemde Goede
Vrijdag Akkoord, waardoor eindelijk, na vele jaren een einde kon
komen aan de gewelddadige strijd tussen katholieken en protestanten
in Ierland.
Ook aanwezig bij de onthulling te Mesen was toenmalig Vlaams
minister-president Luc Van Den Brande, die bij de plechtigheden
te Ieper niet op de lijst der genodigden stond. Pas in laatste
instantie werd Van Den Brande telefonisch uitgenodigd door de
Ieperse burgemeester Dehaene, maar de minister-president ging
daar niet op in.

Vervolgens trokken de staatshoofden naar de Menenpoort. De plechtigheid
hier vormde het hoogtepunt van de 11-novembervieringen. Na het
Te Velde werden de twee nationale hymnen gespeeld, waarna de troepenschouwing
volgde. Daarna volgde het traditionele handjesschudden met de
aanwezige prominenten, waaronder zich de Belgische ministers Flahaut,
Derycke en Poncelet bevonden. Een eerste hoogtepunt vormde de
Exhoration, uitgesproken door een Engels oud-strijder van de Grote
Oorlog. Hierop volgde de Last Post, en voor de eerste keer werd
het publiek volledig stil. Nadat de laatste noot gespeeld was,
werd nog een minuut stilte in acht genomen ter herinnering aan
alle slachtoffers van de Eerste Wereldoorlog. Tijdens deze minuut
stilte dwarrelden vanboven de Menenpoort uit duizenden klaprozenblaadjes
naar beneden.

Het beeld dat deze regen van poppies, het symbool van het nutteloos
bloedvergieten tijdens de Eerste Wereldoorlog, opleverde, bleef
velen bij als hét hoogtepunt van de herdenkingen. Ten slotte
begroetten de vorsten de oud-strijders, de klaroenblazers en de
leden van het Last Post Comittee. Vooraleer de vorsten terugkeerden
naar Wevelgem, brachten ze een bezoek aan het In Flanders Fields
Museum, dat in de dagen voor, tijdens en na 11 november overigens
alle bezoekersrecords brak.

4. 75 JAAR MENENPOORT EN 25.000 KEER
LAST POST
De Menenpoort, met haar dagelijkse Last Post ceremonie, is wellicht
het bekendste symbool van de Eerste Wereldoorlog in heel België.
De poort vormt samen met de Lakenhallen en het belfort de spil
van het oorlogsverleden van Ieper. Door de centrale ligging van
de gebouwen (de Lakenhallen op de Grote Markt, de Menenpoort daar
op amper enkele minuten loopafstand vandaan) bepalen ze het beeld
dat iedere bezoeker van de stad krijgt. Ieper IS voor een belangrijk
deel terug te brengen tot deze symbolische bouwwerken. Het is
als het Vrijheidsbeeld in New York, het Atomium in Brussel, de
Eiffeltoren te Parijs of de Reichstag te Berlijn. Ze bepalen in
sterke mate het uitzicht van de stad. Het zijn toeristische attracties
geworden, ook te Ieper. Toch zijn de Lakenhallen en de Menenpoort
veel meer dan loutere bezienswaardigheden. Het zijn twee symbolen,
stevig verankerd in de West-Vlaamse grond, die tot doel hebben
de herinnering aan wat voor sommigen als een ver verleden schijnt,
levendig te houden.
Op 2 november 2001, Allerzielen nota bene, zal voor de 25.000ste
keer de Last Post gespeeld worden aan de Menenpoort. Daarbij komt
dat het op 24 juli 2002 exact 75 jaar geleden zal zijn dat de
Menenpoort onthuld werd. Gezien het belang van de Menenpoort en
de Last Post, waren deze twee verjaardagen voor het
IFFM de aanleiding om een jaar lang de Menenpoort en haar
Last Post in de kijker te plaatsen. Dat het IFFM al de gebeurtenissen
die te maken hebben met de Eerste Wereldoorlog op de voet volgt,
dus ook alles wat betrekking heeft op de herinnering aan en de
herdenking van die Eerste Wereldoorlog, toont eens te meer aan
welke ambities het museum heeft.

Vanaf 1928 werd dagelijks, met uitzondering van de Duitse bezetting
tijdens de Tweede Wereldoorlog, het offer van de duizenden Britse
soldaten herdacht die in de streek rond het Ieperse hun leven
lieten. Deze plechtigheid is uniek, en ook het monument waar ze
gehouden wordt, de Menenpoort, is een bouwwerk zoals er niet veel
zijn. Uiteraard is een stadspoort annex triomfboog
(waarbij triomfboog misschien een ongelukkig woord is) geen uniek
bouwwerk op zich, maar de namen van de 55000 nooit teruggevonden
soldaten, wier lichamen nog ergens in de Westhoek begraven liggen,
is op zijn minst indrukwekkend te noemen. Bovendien is de Menenpoort
geen geconstrueerd bouwwerk, in die zin dat ze haar
plaats in de stad niet gestolen heeft. De plaats waar nu de Menenpoort
staat, is van oudsher een stadspoort, meer bepaald de Hangwaertpoort.
Het was de toegangspoort tot het galgenveld. In die zin was de
plaats al sedert lang een overgang van leven naar dood. In de
17de eeuw kreeg de poort de naam Antwerpenpoort en
onder Napoleon werd dat, logischerwijs, Napoleonpoort. Na diens
bewind werd het voorgoed Menenpoort. In 1862 werd ze echter, samen
met de stadswallen, gesloopt, aangezien de poort met haar drie
meter breedte een voortdurende hinder en gevaar voor het verkeer
betekende. Overigens werden in de jaren 1860 ook elders, onder
meer in Antwerpen, de oude omwallingen gesloopt [14].
Tijdens de Eerste Wereldoorlog was de Menin Gate
niet meer dan een doorgang in de vestingen. Het was onder meer
langs de Menenpoort dat de Britse soldaten naar het front vertrokken,
dus de keuze om daar na de Eerste Wereldoorlog een gedenkteken
op te richten ter ere van de talloze Britse gesneuvelden was snel
gemaakt. Op 24 juli 1927 werd de poort officieel ingehuldigd in
aanwezigheid van Albert I door maarschalk Lord Plumer, de bevelhebber
over het Tweede Britse Leger, dat de verantwoordelijkheid droeg
voor de verdediging van de Ieperse sector. De poort is ontworpen
door Sir Reginald Blomfield, een zeer invloedrijk Brits architect.
Er was nog even sprake van het ontwerpen van de poort toe te vertrouwen
aan de Ieperse stadsarchitect Jules Coomans, maar de keuze viel
toch snel op Blomfield. Het was per slot van rekening een Brits
gedenkteken en Blomfield genoot zoals gezegd een groot aanzien
als architect.
De verwezenlijking van het grootse project liep evenwel niet
van een leien dakje. In de eerste jaren na de Eerste Wereldoorlog
lagen de prioriteiten immers vooral bij de heropbouw van de meest
noodzakelijke instellingen en gebouwen. Toch stond vast dat de
Menenpoort er zou komen. Blomfield werkte al aan een ontwerp in
1919, en op 11 mei 1922 legde hij zijn plannen voor aan koning
George V, tijdens diens bezoek aan Ieper [15].
In 1923 waren alle ontwerpen klaar, maar het zou nog ruim vier
jaar duren vooraleer de onthulling een feit was. In 1926 devalueerde
bijvoorbeeld de Belgische frank, waardoor de aannemer aan wie
de uitvoering van de werken was toevertrouwd bijna failliet ging.
In 1927 kampte men dan weer met een ernstig tekort aan arbeiders,
aangezien het voor velen onder hen financieel interessanter was
om vlak over de grens, in Frankrijk te werken [16].
Ook Coomans werd betrokken bij Blomfields plannen. Deze had immers
gemerkt dat het onmogelijk was om vanuit het belfort de Menenpoort
te zien en vice versa. Blomfield interpelleerde daarom de Ieperse
stadsarchitect over de mogelijkheid om de rooilijn van de Meensestraat
tegen de Grote Markt naar achter te schuiven, zodat beide bouwwerken
in elkaars gezichtsveld zouden komen te liggen. Coomans maakte
Blomfield echter duidelijk dat dit volstrekt onmogelijk was. Het
is niet onwaarschijnlijk dat Coomans deze ingreep in het Iepers
straatbeeld niet zag zitten omdat dit betekende dat het gerechtshof,
door Coomans ontworpen, daardoor in het gedrang kwam.

De realisatie van de Menenpoort werd vanuit Groot-Brittannië
met argusogen gevolgd. Het was voor de Britten een prestigeproject,
zonder daarbij te willen verwijzen naar het triomfalisme van Napoleons
Arc de Triomphe. Het was uitgesloten dat de Menenpoort zou alluderen
op overwinning en triomf, terwijl het de namen droeg van tienduizenden
vermiste soldaten. Zoiets zou van wel zeer weinig respect voor
de families van de vermisten getuigen. De Menenpoort was een louter
herdenkingsteken voor de vermisten, en daarmee voor alle slachtoffers
van de Groote Oorlog. Het monumentale en grootse van
het monument is echter niet toevallig. Blomfield had wel degelijk
de intentie om in de Menenpoort de blijvende macht en ontembare
standvastigheid van het Britse Rijk te veruitwendigen [17].
De Last Post ceremonie is intussen tot een traditie verworden.
Het is ondenkbaar dat er een dag voorbij zou gaan zonder het vertrouwde
klaroengeschal. Dat nu, anno 2001, bijna 83 jaar na het einde
van de Eerste Wereldoorlog, nog elke avond de Last Post onder
de Menenpoort gespeeld wordt, is overigens uniek in de wereld.
Het is echter niet zo dat het geheel iets folkloristisch zou hebben
gekregen. De plechtigheid heeft na al die jaren nog niets van
haar uistraling verloren, wel integendeel. De ceremonie is nooit
vergleden tot een banaal of hol gebeuren. Het is juist dankzij
een ceremonie als de dagelijkse Last Post, dat men blijft geconfronteerd
worden met het collectieve verleden van de mensheid.