Hieronder vind je de scriptie "Oorlog zonder einde - De herdenking
van de Eerste Wereldoorlog te Ieper" die door Menno Claes werd
gemaakt in het academiejaar 2000-2001, aan de Faculteit Letteren
en Wijsbegeerte van de Universiteit Gent, voor het behalen van de
graad van Licentiaat in de Geschiedenis (Promotor: Prof. Dr. Bruno
de Wever). De tekst van de scriptie werd aangevuld met fotomateriaal
van de website www.wo1.be.
1. IEPER
Wie vandaag door Ieper loopt, kan niet ontsnappen aan het oorlogsverleden
van de stad. Twee van haar bekendste bouwwerken, de Lakenhallen
en de Menenpoort, zijn de spil van wat vandaag een heus oorlogstoerisme
geworden is. Iedere dag wordt aan de Menenpoort de Last Post gespeeld,
ter ere van de vele voornamelijk Britse - slachtoffers
die tijdens de Eerste Wereldoorlog in de streek rond Ieper hun
leven lieten. Ieper wordt frequent bezocht door binnen- en buitenlandse
toeristen, en elk jaar is de stad op 11 november de ontmoetingplaats
voor verscheidene militaire en vaderlandslievende verenigingen
en verenigingen van oud-strijders van allerhande overtuiging en
ideologie. In dit werk is het de bedoeling na te gaan op welke
manier men in Ieper omging en omgaat met de verwerking van de
Eerste Wereldoorlog. Men denkt hierbij onmiddellijk aan het In
Flanders Fields Museum (=IFFM) dat is ondergebracht in de Lakenhallen,
pal in het centrum van de stad, op de Grote Markt. Dit museum
is een lokaal, en zelfs nationaal uithangbord geworden; en sinds
de opening in 1998 brengen elk jaar duizenden mensen het een bezoek.
Daarnaast zijn er de duizenden mensen uit binnen- en buitenland
die elk jaar de 11-novemberherdenking bijwonen. Een belangrijk
nevenaspect van dit florerende oorlogstoerisme is het profijt
dat de lokale middenstand en de horeca eraan hebben.

Toch zijn er ook heel andere aspecten verbonden aan de herdenking.
De stad Ieper zit met betrekking tot de herdenkingen met een drieledigheid
tussen het lokale, stedelijke niveau, het nationale niveau en
het internationale, Britse niveau. Alle drie hebben ze hun ideeën
over hoe deze herdenkingen eruit zouden moeten zien. Begrijpelijkerwijze
verschillen deze zienswijzen nogal eens van elkaar. Het zou echter
onjuist zijn om a priori te stellen dat tussen deze drie niveaus
steeds een duidelijk onderscheid te maken valt. Veel waarschijnlijker
is het dat een symbiose ontstond tussen deze drie herdenkingsniveaus.
Hierin ligt ook het unieke van de herdenkingen te Ieper. Elk land
en elke stad heeft haar eigen herdenkingen, maar slechts zeer
zelden zal men er een situatie aantreffen zoals in Ieper. De herdenkingen
te Ieper hebben een sterk internationaal aspect, denkt men maar
even aan de jaarlijkse Poppy Parade, die een centraal onderdeel
vormt van de jaarlijkse herdenkingen. De Last Post die er iedere
avond gespeeld wordt door leden van het plaatselijke brandweerkorps
werd hun aanvankelijkheid aangeleerd door een lid van het Brits
leger.
Ook is er, en niet enkel te Ieper, de strijd om de hegemonie
over de herdenkingen tussen patriottische, vaderlandslievende
Belgisch-nationalisten en Vlaamsnationalisten. Deze strijd
ging zeer ver, tot en met de discussie over de symbolen die op
plechtigheden aanwezig zouden zijn. Heden ten dage is een Vlaamse-Leeuwenvlag
bijvoorbeeld een symbool als een ander, ze is de vlag van de Vlaamse
Gemeenschap in het gefederaliseerde België; maar nog niet
eens zo lang geleden werd ze door velen beschouwd als een symbool
van landverraders, collaborateurs en separatisten.
Bij de herdenkingen van 11 november te Ieper kan verwacht worden
dat de klemtoon, in tegenstelling tot de Belgische en internationale
casus, sterk op de Eerste Wereldoorlog gelegd werd en gelegd wordt.
De stad is immers de geschiedenis in gegaan als één
van de gevaarlijkste plaatsen in het geallieerde front (De Ypres
Salient) en gaf ongewild haar naam aan het gas (Ieperiet)
dat er als wapen werd ingezet. De Engelsen, die mee hun stempel
drukken op de Ieperse 11-november-herdenkingen, beschouwen de
stad dan ook als een heus bedevaartsoord. Hierin ligt de symboolwaarde
van de stad. Ieper is daardoor, zoals gezegd, zowel op lokaal,
nationaal als internationaal vlak een eeuwige herdenking van de
waanzin van de moderne oorlog.
2. 11 NOVEMBER
De Belgische situatie met betrekking tot de herdenkingen van
de beide wereldoorlogen bevat een aantal ambiguïteiten. Vooral
het gegeven dat de wapenstilstand van de beide oorlogen op dezelfde
datum, 11 november, herdacht wordt, is lang niet evident. Tussen
beide oorlogen kan men immers, met betrekking tot België,
een aantal significante verschillen vaststellen. De Eerste Wereldoorlog
was, strikt voor België gesproken, zwaarder dan de Tweede
Wereldoorlog. Na de Tiendaagse Veldtocht in mei 1940 zat de oorlog
er voor het Belgisch leger op, en was België een bezet land.
In een ruimer kader is het uiteraard zo dat de Belgische bevolking
niet gespaard bleef van de verschrikkingen en gruwelijkheden van
het nazi-regime, maar de casus van de Eerste Wereldoorlog was
toch beduidend anders. De soldaten die vier jaar vast zaten in
het onbezette gedeelte van het land, liepen iedere dag het gevaar
het slachtoffer te worden van kogels of obussen. Daar bovenop
waren er de zeer slechte en onhygiënische omstandigheden
waarin de frontsoldaten zich bevonden: vervuild water, ratten,
ziektes,
ze maakten deel uit van het dagelijkse leven van
de frontsoldaat. Dit had dan ook zware psychologische gevolgen,
niet het minst bij de familieleden van de soldaten die zich in
het bezette deel van België bevonden. Daarnaast moet men
rekening houden met het Duits bewind tijdens de twee wereldoorlogen.
In de Eerste Wereldoorlog had de regering zich onverzoenlijk opgesteld
tegen de Duitse bezetter. Deze stugge houding vormde voor de Duitsers
de aanleiding tot het ontmantelen van de hele industrie, waardoor
de ravitaillering van levensnoodzakelijke goederen problematisch
werd. In de Tweede Wereldoorlog werd gekozen voor de politiek
van het minste kwaad, gesymboliseerd door de houding van
Leopold III. Door de bezetter alleszins niet tegen te werken,
was deze geneigd zich soepeler op te stellen, waardoor de bevolking
het niet zo zwaar te verduren kreeg als tijdens de Eerste Wereldoorlog.
Allerminst wordt geïnsinueerd dat de vier jaren van bezetting
tijdens de Tweede Wereldoorlog rozengeur en maneschijn waren.
Maar de agressie bij de geleidelijke verovering tegenover de burgerbevolking
[1], de ontmanteling van de industrie, het harde
beleid van de bezetter, de tweedracht tussen beide landsdelen
die de bezetter met haar Flamenpolitik in de hand trachtte te
werken en de angst en bezorgdheid voor een familielid die in de
IJzervlakte voor vorst en vaderland streed maakten
dat de Eerste Wereldoorlog op materieel en psychologisch vlak
voor het overgrote deel van de Belgen een zware dagelijkse beproeving
was.
Toch lag bij de herdenking jarenlang de nadruk op de Tweede Wereldoorlog.
Hiervoor bestaan evenwel een aantal evidente redenen. Er is het
voor de hand liggende gegeven dat het aantal overlevenden van
de Eerste Wereldoorlog letterlijk een uitstervend segment van
de bevolking vormt, in tegenstelling tot de overlevenden van de
Tweede Wereldoorlog. Aldus verschuift de klemtoon bijna automatisch
in de richting van de Tweede Wereldoorlog, aangezien deze overlevenden
mee hun stempel (trachten te) drukken op de herdenkingsplechtigheden.
Verder kan men niet naast het feit kijken dat de Tweede Wereldoorlog,
in vergelijking met de Eerste -, sterker in het collectieve
geheugen ligt. In het onderwijs, in de literatuur, in Hollywood,
heeft
men jarenlang het thema van de Tweede Wereldoorlog in zijn verschillende
facetten belicht, nog meer en nog breder dan hét uitgesponnen
facet van de Eerste Wereldoorlog bij uitstek, de loopgravenoorlog.
De sterk tot de verbeelding sprekende Holocaust heeft hier zeker
toe bijgedragen, alsook het feit dat uit de Tweede Wereldoorlog
een wereldwijd schisma is voortgekomen dat ruim 50 jaar tot grote
internationale spanningen heeft geleid. Daarnaast heeft de collaboratie,
de repressie en de amnestiekwestie de communautaire en ideologische
tegenstellingen in België zeer duidelijk aangetoond (hoewel
de kiemen hiervan al in of zelfs vóór de Eerste
Wereldoorlog liggen, werden ze tijdens het Interbellum en de Tweede
Wereldoorlog zeer goed zichtbaar). Verder (en deels uit het voorgaande
volgend, deels ten gevolge van de enorme cultus die rond de Führer
gevoerd werd) is er het sterke iconografische aspect van de Tweede
Wereldoorlog: iedereen weet hoe Adolf Hitler eruitzag, maar vraag
de meeste mensen om Wilhelm II te beschrijven en ze zullen de
schouders ophalen.
Het leek er een beetje op alsof de Eerste Wereldoorlog een vergeten
oorlog was geworden. Dit ondanks het feit dat door de afloop van
de Eerste Wereldoorlog (het Verdrag van Versailles) mee de voorwaarden
geschapen werden om 20 jaar later een nieuwe wereldbrand te ontketenen.
Op Belgisch niveau kelderde men, onder het mom van terechtwijzing
van de activisten, de Vlaamse eisen. Het lijkt zeer plausibel
te stellen dat aldus veel Vlaamsgezinden die tijdens de Eerste
Wereldoorlog nog op de vlakte bleven, in de Tweede Wereldoorlog
sneller geneigd waren de kaart van de collaboratie te trekken.
Om maar te zeggen, veel van de als zo typerend voor de Tweede
Wereldoorlog beschouwde aspecten, vonden hun precedent in de Eerste
Wereldoorlog. De laatste jaren is de Eerste Wereldoorlog echter
aan een inhaalmanuvre bezig. Vooral dankzij de aandacht
die hij krijgt van enkele nationaal en internationaal vermaarde
historici als De Schaepdrijver of Winter begint meer en meer het
besef te groeien dat de Eerste Wereldoorlog de moedercatastrofe
van de twintigste eeuw is geweest.
In België is 11 november steeds een nationaal feest geweest.
Het ging, zeker te Brussel, vaak gepaard met uitingen van patriottisme,
en, in de eerste jaren na de oorlog, met militaristisch triomfalisme.
De vraag is dan of de Ieperse bevolking, die sterk Vlaams-katholiek
geënt is, vrede kon/kan nemen met deze uitingen van België
boven. Deze problematiek komt zeer duidelijk naar de oppervlakte
in de zogeheten Ieperse Furie, de uit de hand gelopen onthulling
van het Iepers oorlogsmonument in 1926. Toch kan ook verwacht
worden dat de herdenkingen te Ieper een Belgisch getinte inslag
kregen. Zo is er het feit dat men te Ieper, altijd en overal rekening
moet houden met het internationale aspect van de stad. Ook is
er bij de herdenkingen een centrale rol weggelegd voor het in
1930 opgerichte Last Post Comittee, dat uitgesproken Belgisch-royalistisch
was en is.

Deze materie wordt uitgebreid behandeld in het eerste deel over
het Interbellum. Ook mede om de Ieperse Furie in een breder kader
te kunnen plaatsen, zal aandacht geschonken worden aan de rol
die oudstrijdersverenigingen hebben kunnen spelen tijdens het
Interbellum.
Dit werk wil al deze sociaal-economische, culturele en politieke
aspecten rond de Ieperse herdenkingen verwerken in een chronologisch
overzicht vanaf het einde van de Eerste Wereldoorlog tot heden.
Niet elk jaar zal daarbij aan bod kunnen komen, wel zullen systematisch
de belangrijke verjaardagen (1928, 1938, 1948, en zo verder) van
de wapenstilstand als uitgangspunt van dit chronologisch overzicht
behandeld worden. Zo kan een evolutie geschetst worden van het
uitzicht en de impact van de herdenkingen, en van de bredere maatschappelijke
context in het Ieperse doorheen de twintigste eeuw. Omdat het
gevaar bestaat dat deze verjaardagen niet de relevantie van de
Ieperse en Belgische maatschappelijke casus weergeven, wordt ook
aandacht besteed aan andere data, die in het oog springen doordat
er op nationaal of lokaal vlak belangrijke gebeurtenissen plaatsgrepen
(andere belangrijke herdenkingsplechtigheden, verkiezingen, rellen,
verzoeningen tussen elkaar bestrijdende kampen,
). Zo is
het mogelijk om een duidelijk overzicht te bieden van de wordingsgeschiedenis,
de genese van de herdenking, en tevens de verwerking van de Eerste
Wereldoorlog. Tegelijkertijd wordt dan ook, grotendeels steunend
op enkele basiswerken, de nodige aandacht besteed aan de bredere
maatschappelijke context van België en Ieper, aangezien een
herdenking nooit als een geïsoleerde gebeurtenis mag beschouwd
worden, die als het ware uit de lucht komt vallen, maar steeds
teruggrijpt naar één of meer actuele themas.
Een herdenking is immers zeer vaak de aanleiding tot bezinning.
Bezinning over wat gebeurd is, maar ook over hoe het gebeurde
doorleeft of doorleefde en over wat op het moment zelf gaande
is. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de Ieperse 11-november-herdenking
van 2000, die het toneel vormde van een formele verzoening tussen
Vlaamsgezinde oud-strijders en Belgische oud-strijders.
Volledigheid nastreven bij het bekijken van hoe te Ieper de Eerste
Wereldoorlog doorleeft is echter quasi onmogelijk, zowel op technisch
vlak als op inhoudelijk vlak. Op technisch vlak is het immers
mogelijk de herinnering aan de Eerste Wereldoorlog op verschillende
manieren te benaderen. Men kan dit doen door de verschillende
monumenten te onderzoeken, door boeken of films over de Eerste
Wereldoorlog te analyseren, door te kijken op welke manier men
in het onderwijs de Eerste Wereldoorlog behandelt en behandeld
heeft. Een andere mogelijkheid, die hier gehanteerd werd, is door
vooral de lokale pers te analyseren. Deze manier lijkt het beste
in het kader van dit onderzoek, aangezien het de bedoeling is
van dit onderzoek om na te gaan op welke manier de herinnering
aan en de herdenking van de Eerste Wereldoorlog te Ieper vorm
heeft gekregen. Men kan verwachten dat de lokale pers uitgebreid
aandacht besteedde en besteedt aan dit onderwerp, en daarbij bijvoorbeeld
speciaal lette op de rol die lokale instanties of overheden speelden
bij herdenkingsplechtigheden, ook de groots opgezette zoals in
1998. Dit onderzoek wil dus geen personderzoek zijn; de betrachting
is om, voornamelijk steunend op de lokale pers, een reconstructie
te bieden van de evolutie van de oorlogsbeleving, -herdenking
en -herinnering in de stad doorheen de twintigste eeuw.
Ook op inhoudelijk vlak kan volledigheid geen haalbare kaart
zijn. Sinds de wapenstilstand van 1918 is de intensiteit waarmee
te Ieper de Eerste Wereldoorlog herdacht, herinnerd of verwerkt
wordt alleen maar toegenomen. Daarom moeten keuzes gemaakt worden
en kunnen een aantal, soms belangrijke aspecten, niet voldoende
belicht worden. Zo wordt in dit werk niet stilgestaan bij het
grote herdenkingsjaar 1964, toen naar aanleiding van de 50ste
verjaardag van de Eerste Wereldoorlog, te Ieper een heel jaar
lang allerlei evenementen werden georganiseerd. Indien hier voldoende
tijd en aandacht besteed zou worden aan zulk een groots opgezet
evenement, zou het ten koste gegaan zijn van de aandacht voor
andere gebeurtenissen. Bovendien zou daarmee het doel van dit
werk, een overzicht schetsen van de overlevering van de Eerste
Wereldoorlog te Ieper doorheen de twintigste eeuw, in het gedrang
komen. Ook werd geen tijd uitgetrokken om het pausbezoek aan de
stad in 1985 nader te belichten. Op zich heeft dit bezoek geen
uitstaans met het herdenken van de Eerste Wereldoorlog, maar de
keuze van paus Johannes Paulus II voor de stad kaderde in zijn
oproep tot wereldvrede, een boodschap die ook Ieper zelf, als
oorlogsstad, de laatste jaren meer en meer is gaan uitdragen.
--------------
[1] Deze kwam voort uit de angst voor de zogeheten
franc-tireurs, veronderstelde civiele sluipschutters die de oprukkende
Duitsers onder vuur zouden nemen. Hierover deden onder de Duitse
soldaten vaak wilde verhalen de ronde, in feite was er zeer weinig
of niets van aan. Het leidde er wel toe dat de Duitsers zich meenden
alles te kunnen permitteren in hun houding ten opzichte van de
Belgen. Heel wat burgers werden geplunderd, gedeporteerd of zelfs
standrechterlijk geëxecuteerd. Ook de frustratie omwille
van het onverwacht lange verzet dat de Belgen bij Luik hadden
geboden, werd vaak op de burgerbevolking afgereageerd. Onder meer
in Visé, Aarschot, Mortsel en Dinant hielden de Duitsers
lelijk thuis. S. DE SCHAEPDRIJVER: De Groote Oorlog. Het koninkrijk
België tijdens de Eerste Wereldoorlog, 1999, pp. 78-88.