|
De Westhoek en het Stenen Erfgoed van de Eerste Wereldoorlog
De Westhoek heeft een rijk en divers patrimonium. Toch komt al
wie begaan is met het erfgoed van de streek onvermijdelijk in contact
met de Eerste Wereldoorlog. Een groot aantal historische sites houdt
er zelfs direct verband mee. Als belangrijkste stenen relicten van
de 'Grote Oorlog' zijn er enerzijds de nog niet volledig geïnventariseerde
betonbunkers en anderzijds de vele begraafplaatsen. Een inleiding
tot twee merkwaardige stukken steengeschiedenis door Franky Bostyn
en Dominiek Dendooven, respectievelijk verbonden aan het 'Memorial
Museum Passchendaele 1917' in Zonnebeke en het 'In Flanders Fields
Museum' in Ieper.
BUNKERS
Bunkers onderscheiden zich van alle andere oorlogsconstructies
door het gebruik van gewapend beton, dit is de combinatie van staal
en beton. Hoewel de techniek reeds gekend is van voor 1914, zijn
bunkers toch een wezenlijk product van de Eerste Wereldoorlog en
een antwoord op de steeds zwaarder wordende artilleriebeschietingen
in een vastgelopen stellingen-oorlog. Het succesvol gebruik van
de bunker in de Eerste Wereldoorlog leidt in het interbellum tot
de aanleg van grote bunkerlinies, zoals de Maginot-linie, en komt
tot een ongekend hoogtepunt in de Tweede Wereldoorlog met de aanleg
van de Atlantik-wall.

In de zomer van 1915 zien de Duitsers als eersten in dat het een
lange strijd wordt en beginnen zij met de uitbouw van een verdedigingssysteem
in de diepte. Vooral na de moordende offensieven bij Verdun en aan
de Somme trekken zij zich bijna overal terug op de goed verdedigbare
hoogtes van de midden-West-Vlaamse heuvelkam. De geallieerden daarentegen,
en in de zuidelijke westhoek vooral de Britten, houden halsstarrig
vast aan elke morzel grond en blijven de hele oorlog geloven in
de doorbraak. Vanaf 1916 ontwikkelen de Duitsers een bijzonder efficiënt
verdedigingssysteem waarbij de dicht bezette loopgraven vervangen
worden door stevige betonbunkers met daarin enkele manschappen verenigd
rond een mitrailleur, waarbij de verschillende posten elkaar perfect
kunnen dekken. Zo worden er verschillende lijnen in de diepte uitgebouwd
en daarachter ook nog specifieke commandobunkers, Mannschaftsunterstände,
verbandposten, etc. Op enkele uitzonderingen na beginnen de Britten
pas na de catastrofe bij Passendale, dit is in de winter 1917-18,
met de bouw van betonbunkers.
De logistiek die met de Duitse bunkerbouw gepaard gaat, spreekt
tot de verbeelding. Zo heeft een gewoon regiment als IR 126 eind
1915 wekelijks 150.000 kg cement en 300.000 kg kiezel nodig voor
de bouw van bunkers tussen Geluveld en Hooge. Tegen de zomer van
1917 zijn in de voorste linies van de Ieperboog tussen Pilkem en
Hill 60 méér dan 2000 bunkers gevechtsklaar en plant
men in de Flandern-I-stelling bij Geluveld nog 1540 supplementaire
betonconstructies. Ze worden veelal gegoten binnen een houten kader
tussen aanvankelijk zware profielen en naderhand lichtere verankeringen
in rond ijzer. In de ons overgeleverde bunkers zijn de gietlagen
dan ook nog zeer duidelijk herkenbaar. De bekisting in het bouwwerk
wordt veelal ter plaatse gelaten en gebruikt als binnenbekleding.
Gegoten op een verhouding van 1 cement, 2 zand en 4 gebroken steen
of (bij voorkeur) kiezel, moeten muren van 1 m dik met verankerd
ijzer bestand zijn tegen een voltreffer van 15 cm. Naast houten
bekisting maken de Duitsers als basis voor hun gietwerk ook gebruik
van golfplaten, wat dan wel een maximale binnenbreedte van 3 m impliceert.
Om de bouwwerken aan het oog van de vijand te onttrekken, worden
heel wat bunkers gebouwd binnen de ruïnes van een hoeve, die
zo veranderen in echte weerstandsnesten. In verscheidene betonbunkers
kan men vandaag nog duidelijke resten van de rode baksteenbouw van
de vooroorlogse hoeve herkennen, zoals Vee Bend in Langemark. Andere
constructies worden vaak voorzien van camouflageschermen of een
laag aarde. Deze helpt ook de inslag van invallende projectielen
afdempen, waarbij 0,50 m aanaarding als voldoende beschouwd wordt.
Belangrijke factoren voor een succesvolle bunkerbouw in de frontlijn
zijn het aanvoeren van de gigantische hoeveelheden grondstoffen
over smalspoorlijnen en het ter plaatse machinaal kunnen mixen van
het beton op zogenaamde 'Mischplätze'. Waar dat onmogelijk
blijkt, opteren de Duitsers voor een tweede bouwtype met stenen
in gewapend beton. Vanaf 1916 worden hiervoor (o.a. in Wervik) speciale
stenen vervaardigd met volle en halve gaten, die eenmaal geschrankt
met speciale ijzers kunnen verankerd worden. Zowel uit Duitse als
uit Britse rapporten blijkt echter de relatieve zwakheid van deze
gemetste t.o.v. gegoten constructies. Uit een Britse analyse van
34 veroverde bunkers tussen Mesen en de Douve blijkt bijvoorbeeld
dat slechts 9 bunkers beschadigd of vernield zijn, waarvan wel 8
in stenen. Na de oorlog zijn de bunkerstenen bijzonder gegeerd als
bouwmaterialen en vandaag zien we nog op verschillende plaatsen
een stalling gebouwd of een erf aangelegd met dergelijke stenen.
De belangrijkste site met vier intacte bunkers in betonstenen is
Bayernwald in Wijtschate.

De overgebleven Britse bunkers in de zuidelijke Westhoek zijn bijna
allemaal gegoten op zware golfplaten, de zogenaamde 'elephant plates',
met een binnenbreedte van 3 m. In tegenstelling tot hun Duitse soortgenoten
zijn ze aan de buitenkant meestal afgerond, waarbij het gietwerk
gebeurd is tegen gegolfd ijzer of zandzakken. Bekende typevoorbeelden
zijn de bunkers op de Lettenberg in Kemmel en verscheidene alleenstaande
exemplaren zoals op de Ieperse zuiderring of bij 's Graventafel
in Passendale. Belangrijkste en bijna enige uitzondering zijn de
opengestelde bunkers van de Ieperse kanaalsite Essex Farm. De vroegste
Britse bunkers bevinden zich op de Scherpenberg in Loker. Ze zijn
eveneens gemaakt op golfplaten, maar de voor- en achterzijde is
gegoten tegen een gemetste structuur in traditionele rode baksteen.
Het aantal bunkers met nog aanwezige golfplaten is zeer beperkt,
want na de oorlog zijn ze bijna overal verwijderd als dankbare recuperatiematerialen
of als waardevol schroot.
Wanneer de eerste bewoners naar het einde van 1919 terugkeren naar
de totaal verwoeste frontstreek, vinden ze de obusputten niet naast,
maar in en over elkaar met daartussen goed ingebouwde betonnen monsters.
Sommige doen dienst als eerste noodwoning, maar enkele jaren later
worden ze reeds overal tot ontploffing gebracht, want de boer wil
weer ploegen en het metaal dat ze bevatten is bruikbaar of geld
waard en het betonpuin blijkt ideaal voor het verharden van wegen.
In 1929 laat de staat zich met de zaak in en biedt aan iedereen
de eenmalige gelegenheid bunkers kosteloos te laten opruimen, wat
tot 1932 massaal gebeurt door gespecialiseerde firma's. Twee decennia
later is er ten tijde van de oorlog in Korea opnieuw geld te verdienen
met oude metalen en worden nog eens tientallen constructies systematisch
ontmanteld. Maar ook in recentere jaren hinderen ze vaak de vooruitgang
of worden als niet esthetisch beschouwd en opgeruimd. Waar men ze
vroeger tot ontploffing bracht of tekeer ging met de voorhamer,
maken aannemers nu doorgaans een grote put naast het bouwwerk en
trekken er de constructie in stukken in. Naar schatting resten er
ons vandaag in de zuidelijke westhoek, met inbegrip van het hinterland
tot Roeselare en Kortrijk, nog zo'n 500 bunkers uit de Eerste Wereldoorlog.
BEGRAAFPLAATSEN
In de Westhoek behoren de tientallen oorlogsbegraafplaatsen tot
de meest zichtbare relicten van de Eerste Wereldoorlog. De 'nationaliteit'
van een begraafplaats (Brits, Frans, Duits en Belgisch) onderscheidt
zich zowel door aanplanting en aanleg als door architectuur en grafstenen.
Franse en Belgische begraafplaatsen worden niet altijd volkomen
terecht als 'slecht onderhouden' aanzien. Het is vooral de erg sobere
aanleg en beplanting en het ontbreken van enig architecturaal element,
die maken dat er een groot contrast is tussen deze begraafplaatsen
en die van Britten en Duitsers.

De Franse begraafplaatsen kan men het saaist noemen: er is geen
indrukwekkende toegangspartij en de bijkomende architectuur wordt
vaak beperkt tot een inspiratieloos monumentje bij een massagraf.
De mooie, moderne calvarie op Saint-Charles-de-Potyze (Zonnebeekseweg,
Ieper) is een uitzondering. Op een Franse begraafplaats zijn er
zelfs geen grafstenen in de letterlijke betekenis van het woord.
De graftekens (stèles voor moslims, joden en vrijzinnigen;
kruisen voor christenen) waren oorspronkelijk vervaardigd in beton
en sinds de jaren 1970 in een makkelijk te onderhouden composietmateriaal
met marmerpartikels. Het grafplaatje vermeldt slechts de naam, voornaam,
rang en eenheid, sterfdatum en stamnummer. Op vele Franse begraafplaatsen
treft men een massagraf (ossuaire) aan.
Hoe licht en modern de Franse graftekens ook zijn, zo imposant
en zwaar zijn de Belgische militaire grafzerken. Aangezien het om
een arduinsteen gaat van 100 x 52 x 15 cm met een gewicht van bijna
150 kilogram valt dit zowel letterlijk als figuurlijk te nemen.
Arduin is een harde, blauwgrijze kalksteen die ook in België
ontgonnen wordt. Het ietwat barokke ontwerp van architect Simons
uit 1920 - soms spreekt men schertsend van kleerkastmodel - is na
heel wat discussie officieel aanvaard in 1924. Sinds 1925 is het
gebruik van deze officiële Belgische grafsteen veralgemeend
en vervangt hij de houten kruisen, de zogenaamde heldenhuldezerkjes
en de privé-monumenten, tenzij de familie bezwaar aantekende
en het behoud vroeg van de oorspronkelijke zerk. De bronzen plaat
op een Belgische grafzerk vermeldt veel gegevens: naam, eenheid,
geboorteplaats en -datum, sterfdatum en de toegekende eretekens.
De taalkeuze gebeurde door de nabestaanden. Niet-geïdentificeerden
kregen een tweetalige tekst. Op de Belgische militaire begraafplaatsen
treft men vaak ook enkele heldenhuldezerkjes aan. Deze betonnen
zerken in de vorm van een Keltisch Kruis zijn ontworpen door Joe
English en vanaf augustus 1916 door het Vlaamsgezinde Comité
voor Heldenhulde geplaatst op graven van Vlaamse studenten en vrienden.
De kostprijs is betaald door kameraden. De brede voet van het heldenhuldezerkje
laat veel plaats voor gegevens. Bovenaan staan de letters AVV-VVK
en de blauwvoet, twee verwijzingen naar de Vlaamse (studenten)beweging.
Van de ca. 800 oorspronkelijke heldenhuldezerkjes blijven er nu
nog zo'n 75 over. De in 1925 vernietigde heldenhuldezerkjes zijn
soms gebruikt voor de verharding van de toegangsweg naar de begraafplaats,
zoals in Adinkerke en wellicht ook in Westvleteren.

In tegenstelling tot de Franse en Belgische begraafplaatsen speelt
architectuur wel een belangrijke rol op de vier Duitse militaire
begraafplaatsen in West-Vlaanderen: Langemark, Menen, Vladslo en
Hooglede. Zo is het indrukwekkende, maar erg gesloten poortgebouw
van de Duitse begraafplaats in Langemark gebouwd in rode Wezerzandsteen.
De liggende grijze grafstenen in gepolijst graniet vermelden slechts
weinig gegevens: naam, soort militair of rang en sterfdatum. Graniet
is een grijze kalksteen met kleine witte vlekjes van zeelelieresten.
Het gebruik van sobere liggende grafstenen is wellicht ontleend
aan protestantse kerkgenootschappen zoals de Hernhutters, die inderdaad
die gewoonte hebben. Tussen de grafstenen staan enkele groepen van
drie kruisen in basalt, een zeer hard, donkergekleurd vulkanisch
gesteente. Deze kruisen dienen louter als ornament en duiden geen
graf aan.

Het meest bekend en drukst bezocht zijn de talrijke begraafplaatsen
van de Commonwealth. Architectuur en aanleg spelen er een grote
rol en zijn het werk van de bekendste Britse architecten uit hun
tijd zoals Edwin Lutyens, Reginald Blomfield, Herbert Baker en Charles
Holden. Voor de architectuur van de begraafplaatsen, meestal bestaande
uit toegangspartij, ommuring en schuilhokje, wordt gebruik gemaakt
van verschillende steensoorten, waarbij de combinatie van rode baksteen
met Portlandsteen (of wit geverfde beton) het meest voorkomt. Blomfield,
de architect van de Menenpoort, ontwerpt ook het Offerkruis (Cross
of Sacrifice), dat men op alle Britse begraafplaatsen aantreft.
De knappe en veelzijdige Lutyens ligt dan weer aan de basis van
de Herdenkingssteen (Stone of Remembrance), die alleen gevonden
wordt op begraafplaatsen met meer dan 400 doden. Lutyens' Stone
of Remembrance is een monoliet van perfecte afmetingen, die uitdrukking
moet geven aan de idee van eeuwigheid (want wat is er eeuwiger dan
een steen?). De klassieke 'Standard Commission Headstone', die 81
x 38 x 7,5 cm meet, is een ontwerp van een groep architecten en
kunstenaars onder auspiciën van de Imperial War Graves Commission.
Hun zerk beantwoordt aan de drie basisprincipes die de Commission
reeds in februari 1918 bepaald heeft: de grafstenen moeten permanent
en duurbaar zijn, ze moeten uniform zijn en er mag geen onderscheid
gemaakt worden naar rang of stand. Tegen de vorm van de Commission
Headstone rijst aanvankelijk heel wat protest. Sommigen verkiezen
een kruisvormig grafteken, terwijl anderen niet akkoord kunnen gaan
met het feit dat dit ene ontwerp van overheidswege opgelegd wordt.
Op het overgrote deel van de Britse begraafplaatsen zijn de graftekens
in Portlandsteen, een witte, vrij poreuze kalksteen waarin veel
fossielen voorkomen. Deze steensoort is puur Brits en afkomstig
van het eiland Portland (Dorset). De groeven zijn er nu nagenoeg
uitgeput. Ook Hopton Wood, de steensoort waaruit de graftekens van
onder meer Lyssenthoek Cemetery bestaan, is een op en top Britse
steensoort, oorspronkelijk afkomstig uit Hopton Wood, op de grens
tussen Norfolk en Suffolk, maar nu vooral uit groeves in Derbyshire.
Hopton Wood is grijzer en grover dan Portland, maar verweert minder
snel. Voor nieuwe grafstenen gebruikt de Commonwealth War Graves
Commission de laatste jaren vooral Botticino, evenals voor het vervangen
van verweerde of beschadigde graftekens in Portland. Botticino is
een wit marmer uit Brecia in Noord-Italië. Het is veel gladder,
niet poreus en dus veel beter weerbestendig dan Portland. De Britse
grafstenen vermelden heel wat gegevens: een embleem dat verwijst
naar de eenheid of het land van herkomst, het rangnummer, de rang,
de naam, eventuele eretekens, de eenheid, de sterfdatum, de leeftijd,
een religieus symbool en mogelijk een onderschrift door de familie.
LITERATUUR
- Bostyn, F. Inventarisatie Oorlogspatrimonium: De Klijte, Dranouter,
Geluveld, Langemark, Loker, Kemmel, Voormezele,
2002-2003. (Onuitgegeven manuscripten ABAF vzw)
- Bostyn, F. & Vancoillie, J. Bayernwald : Het Croonaertbos
in de Eerste Wereldoorlog, Zonnebeke, 2000.
- Bourgeois, H. Une Archéologie Originale: Les Abris de
la Guerre de 1914-1918 dans la Région de Comines-Warneton
in: Mémoires de la Société d'Histoire de
Comines-Warneton, 1993.
- Debruyne, T. Grafstenen in: Schrapnel, 1993 (2).
- Dendooven, D. Ieper als Heilige Grond: Menenpoort & Last
Post, Koksijde, 1992.
- Dendooven, D. Lutyens en de 'Stone of Remembrance' in: Schrapnel,
2001.
- Gils, R. Over het Ontstaan van de Bunker in: Vesting, 2002 (2).
- Longworth, Ph. The Unending Vigil, London, 1967.
- Oldham, P. Pill Boxes on the Western Front, London, 1995.
- Schinnerer, F. Deutsche Frontbauarbeit im Kriege, München,
1920.
- Scott, M. The Ypres Salient: A Guide to the Cemeteries and Memorials
of the Salient, Norfolk, 1992.
Vandemaele, S. Britse Oorlogskerkhoven en Monumenten voor de Gesneuvelden
in Noord-Frankrijk en West-Vlaanderen, Gent, 1986. (Onuitgegeven
Licentiaatsverhandeling)
- Vansuyt, M. De Militaire Begraafplaatsen van W.O.I in Vlaanderen,
Erpe-Mere, 6 dln, 2000-2002.
- Wilson, B.T. Studies of German Defences near Lille, Chatham,
1919.
- The Work of the Royal Engineers in the European War 1914-19:
Miscellaneous, Chatham, 1919.
-------------------
Opengestelde Sites: Steen en Wereldoorlog I
Saint George's Memorial Church en de voormalige Eton Memorial
School
Ieper, Elverdingsestraat 1 - open van 13u30 tot 17u45
Saint George's is een stukje Groot-Brittannië in het hart
van een Vlaamse stad. Hoewel deze Anglicaanse kerk onmiskenbaar
in het teken staat van de Eerste Wereldoorlog, is zij geen museum,
maar een levend gebouw dat ten dienste staat van de plaatselijke
Britse gemeenschap en de vele duizenden bezoekers die jaarlijks
Ieper aandoen. De kerk en de voormalige school zijn ingewijd in
1927 naar een ontwerp van Sir Reginald Blomfield (Menenpoort, Lyssenthoek).
Het complex steekt dan ook vol van typisch Britse elementen, zoals
tudorbogen en een pad van bakstenen in visgraatverband. Het complex
is uitgevoerd in traditionele gele baksteen waarmee na de oorlog
ook de meeste herenhuizen in onze streek heropgebouwd zijn. De cordons
en ornamenten zijn uitgewerkt in stijlvolle simili- en/of natuursteen.
Speciaal voor Open Monumentendag is ook de Church Hall toegankelijk.
Die wordt bereikt via een paadje naast de kerk. In dit gebouw, dat
nu dienst doet als ontmoetingsruimte voor de in Ieper wonende Britten
en hun gasten, was tot aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog
de Eton Memorial School gevestigd, een bekende Britse school. De
bezoeker maakt er op een boeiende wijze kennis met de kleine, maar
levendige Britse gemeenschap in Ieper en hun merkwaardige architectuur.
Lyssenthoek Military Cemetery
Poperinge, Boescheepseweg
Na Tyne Cot Cemetery is Lyssenthoek met bijna 10.000 graven de
grootste Britse militaire begraafplaats in België. Ze is in
1914 begonnen door de Fransen bij het veldhospitaal van de hoeve
Remy Farm en vanaf juli 1915 overgenomen door de Britten. Naast
658 Fransen en slachtoffers uit bijna alle delen van het Britse
rijk, inclusief Indiërs, Chinezen en Iroquois-indianen, vind
je hier ook drie Amerikanen en drie Duitsers. Er ligt zelfs één
vrouw begraven: staff nurse Nellie Spindler. Uitzonderlijk zijn
de grafstenen hier niet van stralend witte Portlandsteen, maar wel
van Hopton Wood, een grijze kalksteen die bovengehaald wordt in
Derbyshire. De omheiningsmuur en grote delen van het ingangsgebouw
en schuilhokje zijn opgetrokken in Boomse baksteen, afgewerkt met
'Saint-Maximin roche', een geelbruine baksteen uit de Oisevallei,
die eveneens gebruikt is voor de trappen en de bevloering van het
ingangsgebouw. De poorten zijn van smeedijzer. Vanzelfsprekend komen
we hier ook de twee vaste elementen van elke grote Britse begraafplaats
tegen: Edwin Lutyens' 'Stone of Remembrance', hier benadrukt door
drie prachtige Libanon-ceders en Blomfields 'Cross of Sacrifice'.
Het is ook Sir Reginald Blomfield, de architect van de Menenpoort,
die samen met hulparchitect Hutton in 1920 tekende voor de aanleg
van Lyssenthoek.
Duitse ondergrondse verbandpost in beton
Geluveld, Menenstraat
De site bevindt zich op 200 m van de Zandberg (64 m), bekend als
Clapham Junction. Daar bouwen de Duitsers in 1916 een ondergrondse
bunker, waarnaar hun gewonden van de slaglinie bij het Hooge afgevoerd
worden. De constructie bestaat uit twee bunkers met daartussen een
ingegoten galerij op fijne golfplaten. Als Truppenverbandplatz zijn
er twee brede toegangen, waarvan één van 2,65 m, op
een totale lengte van 16,80 m. De dikte van de bedakking bedraagt
1,30m en het gietwerk gebeurt tussen rond verankeringsijzer. Als
aggregaat in het beton is gebruik gemaakt van fijne Franse kiezel
en ook van lokale Reutelkeien. De site wordt in 1917 veroverd door
het 7th London Regiment o.l.v. luitenant Cryer, naar wie de aangelegen
hoeve Cryer Farm genoemd wordt. De Britten blokken de toegangen
tot de bunker af en maken een nieuwe opening aan hun eigen kant.
In de Tweede Wereldoorlog wordt de bunker nog gebruikt als schuilplaats
voor de burgerbevolking en daarna tot 1985 als beerput. De site
is in 2001 herontdekt door ABAF vzw, vrijgemaakt en voorzien van
een passende toegang in betonstenen. Binnenin zijn er nog sporen
te zien van elektrische verlichting en een deel van de houten bekisting.
De unieke ondergrondse site bevindt zich op private grond en is
slechts met OMD individueel toegankelijk.
Duitse Commandobunker Zandvoorde
Zandvoorde, Komenstraat
Zandvoorde valt op 30 oktober 1914 in Duitse handen en blijft dat
tot 1918. Het dorp ligt tussen de frontlijn en Komen, waar de Duitsers
hun hoofdkwartieren hebben. De verbinding met het front gebeurt
over een netwerk van smalsporen, waarlangs ook deze commandobunker
gelegen is. Na de oorlog doet de bunker dienst als woning voor de
eerst teruggekeerden en in 1940 is hij opnieuw gebruikt door omwonenden.
De site wordt in 1987 toegankelijk gemaakt door de gemeente Zonnebeke
en in 1999 geklasseerd als monument. Het bouwwerk is in 1916 gebouwd
door de 3. Kompagnie van Armierungsbataillon 27, een technische
eenheid van de oudere Landsturm-troepen. De bunker is ingeplant
in de zuidelijke flank van de historische heuvelkam, waarop ook
Zandvoordedorp gelegen is, met kijkgaten op het lager gelegen hinterland.
De bunker heeft een totale lengte van 19 m met twee wachtblokken
en vier staflokalen. Boven deze eigenlijke commandoposten heeft
de bedakking een maximale dikte van 1,70 m in gewapend beton. Voor
de staflokalen bevindt zich een extra betonnen schutmuur, die tijdens
de oorlog gecamoufleerd was. De bunker is gegoten met fijne kiezel
en met veel zorg afgewerkt. Binnenin tekent zich een duidelijke
bepleistering af met een witte kalkspecie. Er zijn slechts enkele
sporen van beschietingen.
Steenhouwersatelier Bruno Lemaire
Nieuwkerke, Nieuwkerkestraat 51
Bruno Lemaire (°1977) is een jonge steenkapper, die zijn opleiding
genoten heeft aan het KTA van Herzele. Twee jaar terug opende hij
een atelier in Poperinge, waar ondermeer het machinaal verzagen
van stenen gebeurt en ook grote stukken uitgewerkt worden met een
pneumatische hamer. Het fijne, ambachtelijke kapwerk doet hij op
de ouderlijke hoeve in Nieuwkerke. Hij is zowel kapper van stukken
voor restauraties als ontwerper van eigen creaties. Dit zijn dan
geen abstracte kunstwerken, maar klassiek geïnspireerde tuinornamenten,
bloembakken, zitbanken etc. Zijn specialiteit is het maken van fonteinen,
waarvan hij al verschillende prachtstukken afgeleverd heeft. Op
het gebied van restauraties leverde hij ondermeer werk voor de kastelen
Blauwhuis in Izegem en de Maere d'Aartrycke in Anzegem. Zijn voorkeur
gaat uit naar Belgische blauwe hardsteen (arduin), maar hij werkt
evengoed in de meer dan 300 soorten witsteen, marmer en graniet.
In het kader van het thema 'Stenen en Wereldoorlog I' en de rondleidingen
op verschillende begraafplaatsen zal Bruno Lemaire tonen hoe grafstenen
nu eigenlijk gekapt worden. Je zal hem ook zien werken aan een monumentale
steen, waarin een Duits gedicht gebeiteld wordt voor de te restaureren
oorlogssite Bayernwald. Kunstenaar of ambachtsman? Het antwoord
krijg je op OMD.
Deutscher Soldatenfriedhof
Klerkenstraat, Langemark

De huidige verzamelbegraafplaats gaat terug op het Ehrenfriedhof
Langemark-Nord, dat reeds in de winter 1914-15 begonnen is. In de
onmiddellijke naoorlogse jaren worden hier een aantal kleinere begraafplaatsen
geconcentreerd. Bij de definitieve aanleg in 1929-1932 komen een
tweede reeks Friedhöfe naar Langemark-Nord, die het totale
dodenaantal op meer dan 10.000 brengen. Bij die gelegenheid realiseert
men ook een uitbreiding in noordelijke richting met de integratie
van drie overgebleven bunkers van de Wilhelm-Stellung. Wanneer Langemark
in 1955-57 één van de vier Duitse verzamelbegraafplaatsen
in West-Vlaanderen wordt, komt hier achter het toegangsgebouw een
Kameradengrab met bijna 25.000 bijzettingen. Door archivalische
vergelijking met oude registers zijn er daarvan 17.000 administratief
geïdentificeerd, wiens namen in 1984 aangebracht zijn op 68
bronzen platen. In de jaren '50 wordt ook het gedeelte rond de bunkers
ingevuld met nog eens 10.000 geïdentificeerden, wat het aantal
op de stenen op bijna 20.000 brengt en het totaal op meer dan 44.000.
De begraafplaats staat nog altijd open voor nieuwe vondsten van
gesneuvelden. In 1970-72 zijn alle houten kruisen vervangen door
platte stenen in gepolijste graniet. Om het geheel te breken, staan
op verschillende plaatsen een drietal sobere kruisjes in basalt.
Belgische Militaire Begraafplaats Westvleteren
Sint-Maartensstraat, Westvleteren
Tijdens WOI ligt Westvleteren in het rustkantonnement (demi-repos)
van de Belgische legersector Knokke-Driegrachten (later Noordschote
en Merkem). In 1915 wordt hier bij de infirmerie, ingericht in het
oude schoolgebouw, een militaire begraafplaats aangelegd. Na de
oorlog vult men de site eerst aan met her en der verzamelde graven
ten westen van de weg Ieper-Diksmuide en later met nog eens 135
Belgen van het gemeentelijk kerkhof. Door de opheffing van de begraafplaats
van Reninge komt er hier in 1968 een derde uitbreiding met 121 bijzettingen.
In de naoorlogse jaren worden echter ook heel wat stoffelijke overschotten
gerepatrieerd naar gemeentelijke begraafplaatsen, wat het huidig
aantal graven in West-Vleteren op 1200 brengt. Een aanzienlijk deel
hiervan is gesneuveld tijdens de Slag bij Merkem op 17 april 1918.
De Belgische grafstenen wegen bijna 150 kg en zijn massief gekapt
in arduin naar een barok aandoend ontwerp. Enkele graven hebben
een wit Vlaams-nationaal heldenhuldezerkje. Oorspronkelijk zijn
er dat heel wat meer geweest, maar een deel van de Vlaamse graven
is in de naoorlogse jaren vernield en vervangen door het Belgisch
model. Achteraan rechts is er een afzonderlijke lage grafsteen voor
soldaat de Waepenaert. Vooraan links ligt in de twaalfde rij, tegen
de haag, een Britse kanonnier begraven.
-----------------------
De Wederopbouw van de Westhoek
Bij een bezoek aan de zuidelijke Westhoek is het belangrijk om
te weten dat alles wat er vandaag te zien is in Ieper, Zonnebeke,
Heuvelland en Langemark-Poelkapelle dateert van na de Eerste Wereldoorlog.
Poperinge en Vleteren hebben minder geleden onder het oorlogsgeweld
en hebben nog oudere gebouwen. Bij de wederopbouw van de streek
waren er twee visies: de modernistische, die vond dat dit een goede
gelegenheid was om nieuwe architectuur te introduceren, en de traditionalistische,
die vond dat de streek zoveel mogelijk een kopie moest zijn van
de vooroorlogse situatie. Het is vooral deze laatste die bij de
wederopbouw de bovenhand gehaald heeft.
Belangrijke gebouwen zijn veelal herbouwd in traditionele gele
baksteen, meestal aangevoerd uit de noordelijke Westhoek, zoals
bij de kastelen van Kemmel, Elverdinge en Langemark, verscheidene
gemeentehuizen en dorpspastorijen. Ook de belangrijkste woningen
op de Grote Markt van Ieper zijn opgetrokken in gele baksteen, of
de gevels althans, waarbij de rest gebouwd is met lokaal geproduceerde
en veel goedkopere rode baksteen. Door de vaak indrukwekkende architectuur
van de voorgevels, maar de eerder povere achterbouw spreekt men
wel eens van gevelarchitectuur.
Hier en daar zien we ook het gebruik van recuperatiematerialen.
Zo is bij de bouw van een woning en school in de Ieperse Elverdingestraat
gebruik gemaakt van oude bakstenen uit het puin van de Sint-Maartenskerk.
De onderbouw van het kasteel van Zonnebeke is dan weer gemaakt met
gerecupereerde Atrechtse zandsteen van de oude Augustijnenabdij.
Een ander kenmerk van de wederopbouw is ook het gebruik van nieuwe
materialen als beton. Dit zowel bij moderne projecten zoals het
kasteel Elzenwalle in Voormezele en de kerk van Zonnebeke, als bij
traditioneel geïnspireerde waar beton eveneens gebruikt is
als vervangmiddel voor het bekomen van oude resultaten. Zo zijn
in Ieper de binnenzijde van het Belfort en het gewelf van de Sint-Maartenskerk
uitgewerkt in beton. Bij gebouwen met een modernere (art deco-)inslag
zien we soms ook nog het gebruik van kunststeen zoals granito, gemaakt
uit marmer en cement.
|