|
DOVO zag het daglicht onmiddellijk na de Eerste Wereldoorlog onder
de benaming "Dienst voor Vernietiging van Munitie".
Deze dienst werkte over het ganse Belgische grondgebied, oorspronkelijk
met onderafdelingen bij elke Provinciale Recuperatiedienst. In 1922
was er reeds zoveel munitie opgeruimd dat men dacht dat het nog
slechts enkele maanden zou duren vooraleer de laatste bom zou vernietigd
zijn. Al snel werd duidelijk dat het probleem van niet-ontplofte
munitie helemaal niet opgelost was. Op 3 oktober 1923 werd een permanente
dienst onder de benaming van Dienst voor Vernietiging van Munitie
opgericht.
Na de Belgische capitulatie op 28 Mei 1940 werden sommige Belgische
eenheden door de Duitsers aangeduid om alle hindernissen en mijnenvelden
gelegd door de Geallieerden op te ruimen. Ze werden verspreid over
gans België. De ontmijners kregen van de Duitsers een zeer
elementaire opleiding en werden later zelfs opgedragen Duitse mijnenvelden
op te ruimen.

Op 16 augustus 1941 werd DOVO, de Dienst voor Opruiming en Vernietiging
van Ontploffingstuigen opgericht. Het gevangen gezet personeel
werd vrijgelaten en overgeplaatst naar DOVO. De opdracht was alle
springtuigen op te ruimen, met uitzondering van alles wat ook maar
enigszins van militair belang was. Overal zag men ontmijningsploegen
opduiken : in de steden na geallieerde bombardementen, op plaatsen
waar oude mijnenvelden of springladingen werden aangetroffen of
bij herontdekte munitiekerkhoven van de Eerste Wereldoorlog. De
activiteiten van DOVO reikten verder dan de taak die hem was opgelegd.
De ontmijningsdienst stond voortdurend in contact met talrijke weerstandsgroepen
en met de Geallieerden. Zo werd Londen ingelicht omtrent eventuele
constructiefouten aan ontstekers en over de waarschijnlijke oorzaken
van het niet ontploffen van bommen. De ontmijners recupereerden
springstoffen van onschadelijk gemaakte tuigen en speelden de explosieven
door aan verzetsgroepen voor sabotagedoeleinden.
Op 16 oktober 1944 werd een nieuwe dienst opgericht de DOVOO, de
"Dienst voor Opruiming en Vernietiging van Ontploffingstuigen
en Obstakels". In feite ging het slechts om een officiële
opname van de sinds 1941 bestaande DOVO in het nieuwe Belgische
Leger. (DOVOO zou tot 1948 het statuut van "voorlopige eenheid"
behouden). In 1944 telde de eenheid 300 manschappen. De ontmijning
van het grondgebied verliep volgens prioriteiten opgelegd in functie
van de oorlogsvoering.

Links en rechts werd er ontmijnd op aanvraag van burgerautoriteiten.
Vanaf 1 december 1945 kwamen alle bestaande ontmijningseenheden
onder één commando, dat opnieuw de oude benaming kreeg,
namelijk DOVO. Van 1944 tot 1948 onderging de structuur van DOVO
voortdurend wijzigingen, dit tengevolge van het zoeken naar een
ideale organisatie en het snel afnemen van de behoefte aan een ontmijningsdienst.
Net zoals in 1923 dacht men na de Tweede Wereldoorlog opnieuw dat
een ontmijningsdienst overbodig was. Afschaffing hing DOVO boven
het hoofd. Uiteindelijk werd op 4 juli 1947 beslist om DOVO af te
slanken tot 42 man. Gelukkig werd deze beslissing nooit uitgevoerd
en eind 1948 telde DOVO nog steeds 350 manschappen. Op 1 mei 1948
werd DOVO een organisme van het basisleger. Van 1949 tot 1955 onderging
DOVO meerdere wijzigingen voornamelijk tengevolge van de herstructurering
van het leger. Op het einde van 1955 telde DOVO nog 115 manschappen.
In 1967 werd door de Luchtmacht een eigen ontmijningsdienst opgericht,
eerst onder de naam "Bureau voor Opruiming en Vernietiging
van Ontploffingstuigen", later werd deze dienst DOVO/LuM genoemd.
Op 31 oktober 1971 werd beslist om, binnen de Landmacht, DOVO af
te schaffen als zelfstandige eenheid. In de eerste helft van de
jaren zeventig stak het internationale terrorisme de kop op en had
België nood aan specialisten die konden omgaan met boobytraps,
bombrieven, bomauto's e.d.. Bovendien werd er nog veel meer oude
oorlogsmunitie bovengehaald dan men voor mogelijk had gehouden.
Jaarlijks kwamen er 3.000 tot 4.000 aanvragen binnen voor opruiming
van ontploffingstuigen. Nog geen drie jaar na zijn verdwijning,
namelijk op 1 augustus 1974 werd DOVO opnieuw opgericht. Elke macht
droeg een gedeelte van de verantwoordelijkheid in het domein van
de ontmijning. Op 15 december 1985 werd de naam veranderd van DOVO
naar Ontmijningsdienst Landmacht, ODLM. De ontmijningsdiensten
van de drie Machten samen werden Ontmijningsdienst van de Krijgsmacht
genoemd of ODKM.

In 1995 werd, tengevolge van de herstructurering van de Krijgsmacht,
het Intermachten Territoriaal Commando (ITC) opgericht . Er werd
beslist om alle ontmijningsdiensten, verantwoordelijk voor de territoriale
ontmijningsactiviteiten, te hergroeperen onder één
commando. De hergroepering is pas op 01 juli 2000 effectief geworden
met de ondertekening van het protocolakkoord tussen het ITC en de
Marine.
Bij een laatste reorganisatie van Defensie in 2002 werd ITC afgeschaft
en kwam DOVO onder het commando van COMOPSLAND. De eenheid telt
momenteel een effectief van 18 officieren, 137 onderofficieren,
113 korporaals en 12 burgers, dus een totaal van 280 man waarvan
164 ontmijners.
De Staf van de eenheid is gelegen te Oud-Heverlee in het Meerdaalwoud,
evenals de Compagnie MEERDAAL. Deze laatste is samengesteld uit
een interventiepeloton en een de EOD-school. De Compagnie heeft
ook ploegen (telkens DRIE ontmijners) in de schietkampen van ELSENBORN
en LEOPOLDSBURG.
Een tweede compagnie is gekazerneerd te POELKAPELLE en omvat een
interventiepeloton en een peloton voor ontmanteling van toxische
munitie.
De derde en laatste compagnie is gelegen te ZEEBRUGGE en bestaat
uit een interventie- peloton en de Duikschool.
De voornaamste opdrachten van DOVO zijn :
Ten eerste: het opruimen van munitie afkomstig van beide
wereldoorlogen (EOD-opdracht : Explosive Ordnance Disposal). In
dit domein reageert DOVO op gemiddeld 3500 oproepen per jaar gaande
van een handgranaat tot vliegtuigbommen van 500 Kg en meer. In totaal
wordt er per jaar ongeveer 250 ton munitie opgehaald, geneutraliseerd
en vernietigd. Per jaar wordt er, voornamelijk in de Westhoek, een
10 ton "probleemmunitie" gevonden.
Een tweede opdracht die hierop aansluit behelst het ontmantelen
van de chemische en toxische munitie van de Eerste Wereldoorlog.
Een ontmantelinginstallatie gelegen te Poelkapelle heeft in 1998
en 1999 proefgedraaid op reële munitie. De installatie is sinds
2000 operationeel ; doch van 2001 tot 2004 werden bijkomende investeringen
uitgevoerd teneinde het ontmantelingproces te optimaliseren. Voordien
werden de chemische projectielen gedumpt in de GOLF van GASGOGNE.
Sinds 1980 werd deze procedure niet meer toegepast. Er werden aldus
27000 projectielen gestockeerd tot begin 2000. Van dit aantal resten
er nu nog 3000 projectielen te identificeren. Nagenoeg was slechts
30 % chemisch. Half 2006 zou die 27000 projectielen volledig geïdentificeerd
moeten zijn. 10000 projectielen werden reeds ontmanteld komende
van de zendingen en de "erfenis".
De derde grote opdracht omvat de tussenkomsten in het domein
van het terrorisme en grootbanditisme (IEDD-opdracht : Improvised
Explosive Device Disposal). De Eenheid telt gemiddeld 150 tot 200
tussenkomsten per jaar voor het onderzoeken en opruimen van verdachte
tuigen gaande van bombrieven tot bomwagens. Na elke ontploffing
is het tevens DOVO die het postexplosief onderzoek verricht. De
analyses van springstof en springstofresten worden uitgevoerd door
het labo van de Leerstoel Scheikunde van de Koninklijke Militaire
School.
DOVO staat eveneens klaar om tussen te komen bij vliegtuigcrashes
voor het verwijderen van munitie en pyrotechnische elementen
en beschikt over duikers-ontmijners voor duikopdrachten op het Belgisch
grondgebied en in de territoriale zee (Ready Duty Ships). De eenheid
vormt zijn eigen ontmijners en geeft informatiecursussen aan politiediensten,
gerechtelijke autoriteiten en aan beveiligingsverantwoordelijken.
Sinds 1991 neemt DOVO actief deel aan buitenlandse operaties. Enerzijds
voor de bescherming van de Belgische troepen tijdens ontplooiingen
in het buitenland en anderzijds in het kader van de humanitaire
ontmijning en de opleiding van lokaal EOD-personeel.
Dank aan Tony Wittouck voor de bijdrage.
|