|
Een zeer korte beschrijving van de verschrikking die in het
dorp Esen zijn gebeurd bij de inval van het Duitse leger in september
- oktober - november 1914.
Leefde Esen vredig ... in augustus 1914 keerde het tij.
Op 1 augustus werden alle reserve soldaten opgeroepen. Op 2 augustus
kreeg Koning Albert I een ultimatum van Duitsland omdat hij de doorgang
aan de Duitse troepen weigerde. Duitsland viel België binnen
op 4 augustus en Antwerpen viel reeds op 10 oktober.
De Duitse furie was ontketend onder het motto: "Die Zivilisten
haben geschossen!". Ieder burger werd ervan verdacht een "franc
tireur" te zijn. In Dinant werden 674 burgers omgebracht, in
Tamines 460, in Andenne bijna 400, in Namen 75, in Aarschot 196
en in Leuven 218.Dit geweld naderde het dorp. De 12de september
werden Ulanen waargenomen in Esen. De wapens knetterden. De eerste
gekwetsten werden verzorgd door dokter Vandevelde. Helaas ook de
eerste gesneuvelden. Zes Belgische soldaten en twee Duitsers. Ulanen
werden gevangen genomen.
Op 15 september trokken vluchtelingen door het dorp. Zij raadden
iedereen aan te vluchten gezien de wreedheden die zij hadden gezien
van de Duitsers. Talrijke Esenaars bleven na vele twijfels ter plaatse.
De 5de oktober kwam een eskadron van de 3de Linie in Esen aan en
werd er ingekwartierd.
De 15de oktober stroomden vluchtelingen voorbij en Esenaars zochten
veiligheid in de kelders van de brouwerij Costenoble (nu "De
Dolle Brouwers") en in de oude likeurstokerij in de Stokerij.
Beerputten werden gereinigd en ingericht. Bij de eersten die veiligheid
zochten in de brouwerij waren de bewoners van de Bakehoek en 't
Roggeveld. Het leger had vandaar tot in Woumen een versterking gebouwd.
Op 16de oktober ontplofte de eerste granaat boven de kerk. De Franse
Marine Fuseliers, die de Belgen ter hulp waren gekomen, (ook Senegalezen
en Spahis) zochten beschutting tegen dit geweld. Aan de kruising
Diksmuidestraat -Stokerij in de kapel van O.L. Vrouw ter Hulpe richtte
admiraal Ronarch voor één dag zijn hoofdkwartier in.
De 16de oktober zag men vanuit de Stokerij ongewone bewegingen van
vluchtelingen op de weg naar Diksmuide. Vroeg in de morgen maakten
de Marine Fuseliers loopgraven rond de kapel. Toch bliezen de Fransen
de aftocht bij het naderen van Duitse Cyclisten.De Duitsers plaatsten
toen zware kanonnen aan de kapel en aan de aldaar gelegen rode huizen.
De inwoners van die
huizen waren reeds gevlucht achter de IJzer. De 17de waagde de
Duitser een aanval op Diksmuide die werd afgeslagen, in zover dat
zij zich terugtrokken. (De reden kon ook zijn geweest dat hun aanvoerder
was gesneuveld aan het hotel "Aux Trois Rois" aan de kerk
in Esen.) In de Stokerij waren burgers gedood. Generaal Majoor Scheers
vestigde opnieuw het commando voor één dag in de kapel.

De kapel in 1918
De 19de oktober kwam een zwaar kanon in actie aan de kapel onder
Belgisch bevel en schoot richting Vladslo. Op de 20ste oktober trokken
manschappen van het vierde Duitse leger Esen binnen. De familie
Maes, die een hoeve uitbaatte in de Stokerij, zocht veiliger onderkomen
bij familie op de Kasteelhoeve in de Zwarte Dreef. Intussen groeide
de groep aan in de brouwerij. Het begin van een tragedie. Dezelfde
dag werden alle mannen, die toevlucht hadden gezocht in de kelders,
door de Duitsers uit de kelders gejaagd. Voor de woning van Hoorelbeke
in de Roeselarestraat, werden zij afgetast. De Duitsers vonden kogelhulzen
in de zakken van Julien Warmoes en Alois Couffez. (bron Cyriel Lemahieu)
Beiden werden meegenomen. Er werd nooit meer iets van hen gehoord.
Alle Esenaars werden aanzien als scherpschutters. De dode aan "Hotel
Aux Trois Rois" zat er zeker voor iets tussen. "Iedereen
moest licht maken in de huizen, daarna kon men terug naar de kelders".
Dit onder bewaking. Toen waren er reeds meer dan 100 personen aanwezig
in deze kelders.
"Nauwelijks waanden wij ons in veiligheid of we werden brutaal
weer naar buiten geblaft onder geschot" vertelden getuigen
achteraf.
De laatste, die moeilijk naar boven kwam, was de, reeds door kogels
in de rug gekwetste Alberic Costenoble. Een Duitser, woedend vanwege
deze vermeende onwil, kon zich niet bedwingen en maakte de man koelbloedig
af, in bijzijn van de gevangen Esenaars, waaronder vrouwen en kinderen.
De eerste moedwillig gedode burger in de dorpskom van Esen voor
de "Nieuwe Cultuur".
Het gemeentehuis en het huis van de burgemeester stonden toen reeds
in brand. Esenaars zagen de Duitsers stro in de kerk dragen. Deze
werd dan ook in brand gestoken. Niets kon men van de inboedel redden.
De mannen mochten terug naar de kelders van de brouwerij Costenoble
onder toezicht van gewapende soldaten.
"Omstreeks 8 uur de avond van de 21ste kwam een woeste bende
ons halen," getuigde men verder. "De woestaards riepen
dat alle "franc tireurs" er aan moesten." Zij dreven
de 20 aanwezige mannen uit de kelders, met de armen in de lucht,
naar de statiewijk, waar ze in de gelagkamer van de "Casino"
werden gedrumd. "We werden door woedende Duitsers voor de muur
van de oude school in de Statiestraat geplaatst waar nog andere
Esenaars uit die straat ons vervoegden" luidde de getuigenis
verder. "De Duitsers schoten in de lucht en bedreigden ons
met de dood."
Een hoger officier eiste dat de dader van vermeende aanslagen zouden
naar voor komen. Niemand kon dat, niemand had geschoten. "U
wordt dan allen gefusilleerd!" dreigde hij.
Er begon een felle beschieting over Esen en de Duitsers vluchtten
het Hotel "Aux Trois Rois" binnen. Na de beschieting herbegon
het getreiter voor de gevangenen terug maar minder erg.
Toch stelde hij zijn vraag met nog meer nadruk. Cyriel Lemahieu
legde uit wat er in Esen de vorige dagen was gebeurd."Er waren
Duitsers in het dorp geweest van het 20ste en het 22ste Regiment
Pioniers die hadden, bij hun korte aftocht tussen 18de en 20ste
, militaire uitrustingen achtergelaten.
Deze werden door de Duitsers bij een Esenaar en in het gemeentehuis
gevonden. Burgemeester Depoorter had een deel in bewaring genomen
samen met de wapens die Esenaars bezaten en hadden ingeleverd."
De officier leek hiermee tevreden en eiste vervoer op om gekwetste
Duitsers naar het Lazaret in Torhout te voeren. Met een rijtuig
van brouwer Costenoble en een paard van Jules Leroy trok men, met
als gids Meester Lemahieu, naar Torhout. De andere mannen waren
vrij en konden terug naar de kelders of naar hun huis in de Vladslostraat.
Arthur Depoorter uit de Vladslostraat verzamelde zijn familie en
vluchtte zonder enige huisraad over Vladslo via Werken, Handzame,
Kortemark, Gits naar Roeselare. Hij vermagerde 20kg in een paar
dagen. De familie kwam niet terug naar Esen na WO.I. De 21ste oktober
had een zwaar gevecht plaats tussen de Duitsers en de Frans-Belgische
verdedigers rond het Esenkasteel en het kerkhof van Diksmuide. Burgers
waren daar ook het slachtoffer van. De Duitsers verplichtten de
twee knechten van Camiel Vancoillie en hemzelf, voor hen te gaan,
met een witte armband aan, als levend schild, om zo de beweging
van de vijand te bespieden. Toen de Duitsers werden beschoten, schoten
zij hun levend schild neer. Twee waren op slag dood en Camiel Vancoillie
werd door de Belgen verzorgd aan de Rode Kruispost "Rousdamme"
(tussen Scheewege en Avekapelle). Hij stierf op 26.10.1914 in Frankrijk.
Intussen waren reeds meerdere Esenaars op verschillende plaatsen
in het dorp terecht gesteld om vermeende aanslagen tegen de vijand.
In de nacht van de 21ste op de 22ste oktober laadde schepen Maes
van de stokerij zijn bezittingen en familie op een wagen op de Kasteelhoeve,
waar hij een paar dagen voordien was gevlucht. Hij zou met toelating
van de Duitsers terug naar zijn haardstede trekken. Tussen de Kasteelhoeve
en de Stokerij, langs veldwegen, werd dit gespan nabij de kapel
van O.L.Vrouw ter Hulpe beschoten. Van de 16 personen op de wagen
stierven er 11 ter plaatse en werden er 5 gewond. Alleen Achiel
Serpieters kon vluchten met zijn jongste kind. Een paar dagen later
werd een meisje van zeven jaar, Maria Maes door Duitsers tussen
de dode paarden en mensen gevonden. Zij leefde nog maar was zwaar
toegetakeld en werd naar de brouwerij overgebracht en verzorgd in
het huis van de brouwer. Haar leven werd daar gered.

Gezien het wantrouwen van de Duitsers en het feit dat Diksmuide
niet begaf, werden de Duitsers steeds grimmiger. Steeds meer mensen
kwamen naar de brouwerij, vrijwillig of als gevangene. Niemand mocht
nog naar buiten, zelfs niet om zijn gevoeg te doen. Dit duurde zeker
een week tot de toestand voor de bewakers zelf onuitstaanbaar werd.
Toen waren er reeds een 400-tal personen in de kelders, de mouterij
en de brouwerij aanwezig. Diegenen die nog op de hoeven waren, werden
samengebracht en gevangen gezet op enkele boerderijen. Andere hoeven
dienden voor Duitse verzorgingsposten.
De 23ste oktober werd de zoon van Käthe Kollwitz dodelijk
getroffen om en rond de kapel van O.L.Vrouw ter Hulpe. Peter Kollwitz
was vrijwilliger bij het Duitse leger en de jongste zoon van deze
Duitse kunstenares, die in 1932, de later beroemde beeldengroep:
"Het treurend Ouderpaar", op de Duitse begraafplaats liet
plaatsen voor zijn graf op het Roggeveld. Deze beeldengroep stond
er tot 1956, werd dan verplaatst naar de begraafplaats in Vladslo.
De beeldengroep kreeg door toedoen van Raf Seys uit Koekelare,
de verdiende belangstelling, gezien de universele vredesboodschap
die dit kunstwerk uitdraagt.
De toestand in de brouwerij was ondraaglijk. Men leefde met water,
appels en aardappelen. Kinderen stierven, en er werd zelfs eentje
geboren. Sommigen konden hun vrouw bevrijden zoals meester Cyriel
Lemahieu. Helaas bij het bevrijden van zijn vrouw vond hij zijn
zoontje Jozef opgebaard in een van de kamers van de brouwerij. Hij
kon het zelf niet begraven en vrienden deden dat voor hem op. De
toestand bleef daar erg kritisch tot 11.11.1914. Diksmuide was toen
gevallen. Op 15 november ging de deur van de brouwerij open voor
522 gevangenen, die alle plaatsen van de brouwerij en van het grote
brouwershuis hadden benut. Sommigen hadden er zes weken in de meest
erbarmelijke omstandigheden doorgebracht. Zij werden te voet naar
Zarren overgebracht om vandaar verder te trekken naar Torhout, Roeselare
of Brugge, met een beestentrein. Op 22 november onderging de rest
van de bevolking van Esen, samen met Vladslonaars en Woumenaars
hetzelfde lot. Esen werd een spookdorp.
Het werd een soort vacuüm waar alleen bommen en granaten vielen.
Uiteraard is dit slechts een kort resumé van wat in in Esen
toen gebeurde. Dat het wreed was, is een feit. Er werden 49 burgers
afgemaakt door de Duitsers. Zij die het hadden meegemaakt hebben
daar nooit veel over gepraat. Het was te hard geweest.
Bron: © Roger Haesaert
|