HOME

Slagen

Nomenclatuur Gastbijdragen

Het oorlogstoerisme in de Westhoek

 

Hieronder vind je het eindwerk "Het oorlogstoerisme in de Westhoek" dat door Joël Geysen werd gemaakt in 2002. De tekst van het eindwerk werd aangevuld met fotomateriaal van de website www.wo1.be.

Inhoudstafel

Hoofdstuk 1 - De Eerste Wereldoorlog

Het is onmogelijk een overzicht te maken van het oorlogstoerisme in de Westhoek zonder te onderzoeken waarom men juist op deze plaats een groot aantal oorlogsherinneringen terugvindt. Dit zullen we daarom onderzoeken in dit hoofdstuk. In een eerste deel gaan we daarvoor dieper in op de algemene evolutie van de Eerste Wereldoorlog. Vervolgens gaan we na hoe men in deze streek de oorlog beleefd heeft. Dit gedeelte is opgesplitst in twee delen: de Ieperboog en het IJzerfront. Vervolgens onderzoeken we de geografie van de streek en ten slotte gaan we bekijken wat er na de oorlog gebeurd is.

1. Algemeen verloop van de Eerste Wereldoorlog

De oorzaken van de Eerste Wereldoorlog waren gelegen in steeds toenemende economische en politieke tegenstellingen tussen de grote Europese mogendheden Duitsland (met Oostenrijk-Hongarije) enerzijds en Frankrijk, Engeland en Rusland anderzijds. Maar de directe aanleiding was een moord op 24 juni 1914. Op deze dag werd de Oostenrijkse troonopvolger Franz-Ferdinand doodgeschoten tijdens een bezoek aan de Servische hoofdstad Sarajevo. De dader van deze moord was Gavrilo Princip, een Servische student die lid was van de nationalistische beweging "Jong Bosnië". In 1908 had de dubbelmonarchie Oostenrijk-Hongarije het naburige Bosnië-Herzegovina geannexeerd. Sinds deze gebeurtenis zonnen de Bosnische en Servische nationalisten op wraak. Op 23 juli stelde de regering in Wenen Servië hiervoor verantwoordelijk en stuurde ze een ultimatum naar Sarajevo. Ondertussen had Duitsland militaire steun beloofd aan Oostenrijk in geval van een militaire escalatie van het conflict.

Vanaf het moment dat de inhoud van het ultimatum openbaar werd, volgden de gebeurtenissen elkaar snel op. Oostenrijk begon zich op te maken voor een oorlog in de Balkan, waarop Rusland besloot zich te mobiliseren om bondgenoot Servië te hulp te komen. Duitsland kon nu niet achterblijven. Volgens het Schlieffen-plan moest Duitsland, om de gevaren van een tweefrontenoorlog voor te zijn, de Russische dreiging beantwoorden. Tevens moest Frankrijk door middel van een snelle aanval in korte tijd verslagen worden. Een deel van het Duitse leger zou via België naar Parijs doorstoten en zo de Franse legers omsingelen. Begin augustus verklaarde Duitsland de oorlog aan Rusland en Frankrijk. Op 4 augustus vielen Duitse troepen het neutrale België binnen om het Schlieffen-plan uit te voeren en op 20 augustus werd Brussel bezet. Ook Groot-Brittannië verklaarde hierop de oorlog aan Duitsland.

De Duitse leiding bleek met het Schlieffen-plan de kracht van het eigen leger ernstig overschat te hebben. De troepen bleven in september 1914 met hun offensief in Noord-Frankrijk en West-Vlaanderen steken. Wat volgde was een eindeloze loopgravenoorlog die aan miljoenen soldaten het leven kostte. Gifgasaanvallen, dagenlange bombardementen en stormlopen konden aan geen van beide kanten een doorbraak forceren. Het westelijke front werd een hel van modderige loopgraven, waar honderdduizenden soldaten de dood in werden gejaagd voor een terreinwinst van soms maar 50 meter.

Op 6 april 1917 raakten de Amerikanen bij de oorlog betrokken. Directe aanleiding was het Duitse besluit dat jaar om een onbegrensde duikbotenoorlog te beginnen. In 1915 al was het Amerikaanse passagiersschip "Lusitania" met 1900 opvarenden aan boord door een Duitse onderzeeboot tot zinken gebracht, wat bijna tot een oorlogsverklaring van de Verenigde Staten geleid had. Het besluit van de Duitse legerleiding om de duikboten, die na dit incident nog slechts beperkt waren ingezet, weer onbegrensd te gebruiken ging te ver voor de Amerikanen. Zij verklaarden de oorlog aan Duitsland.

Dit zou het keerpunt in de oorlog worden. De Duitse soldaten kregen steeds minder vertrouwen in een overwinning terwijl het moreel van de geallieerden flink omhoog ging. Tevens begonnen de Duitse reserves op te raken. Ook aan het thuisfront werd de situatie steeds nijpender. De economische blokkade van de geallieerden veroorzaakte een groot gebrek aan voedsel en grondstoffen.

In augustus 1918 werd het de Duitse legerleiding duidelijk dat een overwinning niet meer haalbaar was. Twee maanden later begonnen de vredesonderhandelingen met de geallieerden. Toen eind oktober opstanden in de marine en het leger uitbraken was de Duitse nederlaag definitief bezegeld. Op 11 november werd in een treinwagon in het bos van Compiègne de wapenstilstand gesloten.

In de Geallieerde landen was de vreugde na de wapenstilstand enorm. In Brussel liep de stad uit om koning Albert toe te juichen bij zijn feestelijke intrede. In Londen en Parijs klonken saluutschoten en kwamen honderdduizenden mensen op straat. Maar het feestgedruis had een bittere ondertoon: het vaderland was dan wel bevrijd, maar vier jaar oorlog had een ongehoord zware tol geëist.

In de hele Eerste Wereldoorlog werden er 68 miljoen mannen gemobiliseerd. Daarvan sneuvelden er zowat 9 miljoen.Rusland telde 2 miljoen doden, Duitsland 1,8 miljoen, Frankrijk 1,3 miljoen, het Verenigd Koninkrijk 1,1 miljoen en Oostenrijk-Hongarije 1 miljoen.Het Belgische leger had 53.000 doden te betreuren. Daarnaast kostte de oorlog het leven aan 23.000 Belgische burgers.

2. De Eerste Wereldoorlog in de Ieperboog

2.1 Vorming van de Ieperboog

Na de inname van Antwerpen op 10 oktober 1914, trokken de Belgische troepen, de Engelse divisie en de Franse brigade zich terug op de lijn Ieper-IJzer. Nadat het 4de korps van de Duitse cavalerie teruggedrongen was op het kanaal Ieper-Komen, bezetten de Britten de stad Ieper en namen samen met de Fransen de verdediging van de stad op zich. De Ieperboog (ook gekend als de Ypres Salient), een boogvormige frontlijn rond Ieper die liep over Langemark-Poelkapelle, Zonnebeke, de West-Vlaamse heuveldorpen en Armentières (Frankrijk), was gevormd. Vanaf oktober 1914 stelden de vijandige legers zich op aan weerszijden van de Salient. Bedoeling van de Duitse troepen was een doorbraak te creëren naar de Franse kust. Het Frans-Brits bastion vormde hierbij echter een onoverkomelijk obstakel. Rond de stad Ieper vonden tijdens de Eerste Wereldoorlog verschillende grote offensieven plaats.

2.2 De Eerste Slag bij Ieper (oktober - november 1914)

Begin oktober 1914 werden rondom de Ypres Sallient Duitse troepen samengetrokken voor een offensief tegen leper en de Britse strijdmacht. Het doel van de Duisters was om via leper de Engelse troepen te verslaan en zo in bezit te komen van diverse havens aan de Noordzee. De Duitse legerleiding en de keizer waren buitengewoon optimistisch over de afloop van dit offensief. Bij leper waren de Engelsen niet op volle sterkte en een doorbraak lag voor de hand.

Op 19 oktober zou de "Eerste Slag bij leper" van start gaan. Ten zuiden van leper, in Frankrijk, vonden er al enkele schermutselingen plaats, maar de eerste echte aanvallen kwamen van de Duitse 26ste en 27ste Reserve Infanterie Korpsen tussen 21 en 24 oktober 1914. Deze eenheden waren gevormd uit scholieren, studenten en hun docenten die zich vrijwillig hadden aangemeld ter verdediging van de Duitse cultuur . De soldaten in deze korpsen waren erg enthousiast om de strijd aan te vangen maar ze waren nog niet goed getraind en hadden geen gevechtservaring. Het British Expeditionary Force was zeer ervaren en goed getraind. Dit waren Britse beroepssoldaten die al enige ervaring hadden opgedaan in diverse andere conflicten en oorlogen. De Duitsers gingen voorwaarts en werden massaal gedood door de Britse verdedigers. Deze gevechten werden later bekend als de "Gevechten bij Langemark" of de "Kindermoord van leper".

Om een nieuwe doorbraak te forceren gingen de Duisters op 29 oktober bij Geluveld in de aanval. Ook hier werd er weer zwaar gevochten. Geluveld lag op een strategische plaats, namelijk op de verbindingsweg tussen Menen en Ieper. Als de Duitsers dit dorp konden bezetten, was de doorbraak slechts een kwestie van tijd. De eerste aanvallen waren succesvol en een aantal Duitse eenheden konden Geluveld bezetten. Op 30 oktober werden zij verdreven door soldaten van het 2de bataljon Worcesters. De hele dag gingen de gevechten over en weer. Met de hulp van de Fransen konden de Britten het dorp uiteindelijk heroveren.

In Mesen waren al dagenlang zware gevechten aan de gang. Eind oktober werden deze gevechten steeds heviger doordat de Duitsers in het offensief gingen, gesteund door artillerie. Het doel was de verovering van de heuvelrug tussen Mesen en Wijtschate. Deze heuvelrug is op het hoogste punt circa 80 meter waardoor men een goed overzicht heeft over de streek. Dit offensief slaagde en tot juni 1917 bleven de Duitsers heer en meester op de heuvelrug.

In de maand november waren de verdedigende Britse en Franse troepen totaal uitgeput. Materieel en verse troepen konden het front niet op tijd bereiken en de munitie werd schaars. Hierdoor verzwakte de positie van de geallieerden dagelijks. De Duitsers hadden de beschikking over de spoorwegen door België en hadden de operatie goed voorbereid. Ze hadden geen last van logistieke problemen en ook het moreel van de Duitse soldaten was goed tot uitstekend te noemen, ondanks de grote verliezen.

De Duitse bevelhebber Von Falckenhayn besefte dat de overwinning nabij was en besloot tot een laatste groot offensief in de buurt van Geluveld. Het doel was een massale aanval over een frontlijn van 14 kilometer uit te voeren, over de linies heen te walsen en vervolgens de ingesloten Britse legers te vernietigen. Het offensief ging van start in de ochtend van 11 november om 06.30 uur met een inleidend artillerievuur door zware kanonnen. Twee uren lang werd er gevuurd op de Britse posities. Na het staken van het kanonvuur gingen 20.000 Duitse soldaten de strijd aan met de Britten die sterk in de minderheid waren (circa 8000 man). Met mitrailleur en geweervuur lukt het de Britten de Duitse opmars tot stilstand te brengen. De Duitsers leden zware verliezen. Na hevige gevechten lukte het de Britten om de Duitsers terug te drijven naar hun oorspronkelijke posities. Zij trokken zich terug in een naburig bos, het Nonnenbos. De Britse en Franse artillerie openden vervolgens het vuur op dit bos. Overlevenden die uit het bos een goed heenkomen zochten werden door geweer en mitrailleurvuur gedood of buiten gevecht gesteld. De Duitse legerleiding was van mening dat ze tegen een enorme overmacht stonden. Nadat bijna alle Duitse officiers gedood werden, besloot men de aanval stop te zetten. Op 22 november werd de strijd gestaakt.

Nu was de bewegingsoorlog voorbij, beide partijen groeven zich in lichte sneeuw in. Het begin van dagelijkse ellende. De Duitse legerleiding was zwaar teleurgesteld over het verloop van de slag om leper. Uit frustratie werden de kanonnen op de stad leper gericht en werd de stad zwaar beschoten. Eind november veranderde het historische stadje langzaam in een ruïne.

2.3 De Tweede Slag bij Ieper (april - mei 1915)

De Tweede Slag bij Ieper had hetzelfde doel als de eerste. De omstandigheden waren gunstig waren enorm gunstig voor de Duitsers. Het Britisch Expeditionary Force had gedurende de eerste slag bij leper maar liefst 90% van haar manschappen verloren.

Tijdens de voorbereidingen van de Duitse legerleiding gingen de Britten in het offensief. Op 17 april 1915 werd de kunstmatige heuvel Hill 60 door middel van een springmijn opgeblazen. Op de heuvel werd alles wat zich er bevond vernietigd. Honderden Duitsers die rondom en op de heuvel gelegerd waren, werden gedood door neervallende aarde en brokstukken. De Britten rukten op en konden ten koste van 3.000 doden Hill 60 veroveren.

Hoewel het verlies van Hill 60 voor de Duitsers een verrassing was, lieten de Duitsers zich niet afleiden en gingen ze door met de voorbereiding van een nieuw offensief. Daarbij zou een nieuw wapen worden ingezet: gifgas. Dit zou door de Duitse troepen voor het eerst aan het westelijke front worden ingezet. In maart 1915 begon het Duitse leger 5730 cilinders waarin 40 kg samengeperst chloorgas zat in te graven. Aanvalsdoel van deze eerste grote gifgasaanval was de noordelijker sector van de saillant bij de dorpen Steenstrate en Langemark. Hier waren zowel Franse koloniale als Canadese troepen gelegerd. Het gas moest in de vroege ochtend van 22 april 1915 worden vrijgelaten maar door windstilte werd dit uitgesteld. Om 17.30 uur, na zware beschietingen, werden de kranen opengedraaid en een bruin/gele wolk van 6 kilometer breed en 900 meter diep dreef langzaam naar de Franse linies. De 45e Algerijnse infanterie divisie werd zwaar getroffen. Zonder gasmasker en volkomen verrast door het gas probeerden ze te vluchten in de richting van het dorp Boezinge. Het gas sloeg een gat van 6 kilometer in de linie van de verdedigers van leper. De Algerijnen leden zware verliezen, men weet niet precies hoeveel, maar naar schatting kwamen circa 5.000 mannen om en liepen circa 15.000 man zware vergiftigingsverschijnselen op. De Duitsers rukten op en ontmoeten geen tegenstand van betekenis maar alleen doden en zwaar gewonden. De Duitse legerleiding had dit succes echter niet verwacht en men had daarom te weinig troepen in de buurt om door te stoten. Hierdoor kon een handjevol Canadese, Franse en Engelse soldaten de weg naar leper voor de Duisters blokkeren. De Duitsers hadden als doel de heuvelrug bij Pilkem in te nemen. Dit doel was bereikt, maar was er weer een mogelijkheid voorbij gegaan om leper in te nemen.

Na de eerste Duitse gasaanval bleek de verovering van Steenstrate, Het Sas en Pilkem een te gering succes en het Duitse opperbevel besefte te laat dat de weg naar leper had opengestaan. De geslagen bres was met Canadese troepen opgevuld, deze gingen in het offensief en wisten ten koste van grote verliezen een deel van het terrein weer terug te veroveren. Op 23 april was er één van de bloedigste gevechten zonder dat de stad Ieper in Duitse handen viel. De dag erna lieten de Duitsers weer gas los op de vijand. Dit keer bij Sint-Juliaan. Ook hier bracht het chloorgas zware klappen toe. Ondanks duizenden doden en gewonden wisten de Canadezen met primitieve bescherming de aanvallen af te slaan en stand te houden. Op 27 en 30 april lanceerden de Duitsers opnieuw gasaanvallen dit keer zonder noemenswaardig succes.

Bij Hill 60 lieten de Duitse troepen op 5 mei opnieuw gas los op de Britse vijand en dit leidde ertoe dat de onderste linies door de Duitse soldaten zonder veel tegenstand konden worden veroverd. Het opnieuw inzetten van gifgas op Hill 60 bracht voor de Duitse troepen het beoogde succes, Hill 60 werd door hun weer bezet. Ook hevige pogingen van de Britten om Hill 60 weer te heroveren werden geen succes en kostte duizenden het leven. De Duitsers zouden tot de zomer van 1917 op de heuvel heer en meester blijven. De Saillant was echter nog steeds in Britse handen, maar was wel met 7 kilometer gekrompen.

2.4 De Derde Slag bij Ieper (juni - november 1917)

Haig, de Engelse bevelhebber wou een groot offensief om de weg naar Antwerpen en Zeebrugge vrijmaken. In de nacht van 6 op 7 juni 1917 werden er ter afleiding 19 ondergrondse reuzenmijnen tot ontploffing gebracht op de Mesense heuvelrug. Meer dan 500.000 kg springstof ging de lucht in onder de Duitse stellingen in de zuidelijke leper sector. De klap was zo hevig dat het gevoeld werd in Londen. De stadjes Mesen en Wijtschate werden moeiteloos ingenomen, ondanks het Duitse gebruik van Yperiet . Ze trokken zich terug naar de tweede linie.

Haig begon het grote offensief met een enorme artilleriebarrage van 3000 stukken geschut, zowel gewone granaten als gasgranaten. In de vroege ochtend van de 31e juli bracht Generaal Gough van het Britse 5de Leger zijn manschappen in de aanvalsloopgraven. Om 05.30 uur gingen de eerste soldaten "over de top" na het fluitsignaal van hun officieren. Reeds in de ochtend was het beginnen regenen, waardoor het front was omgevormd tot een moeras. Ondanks enorme verliezen van meer dan 16.000 doden en gewonden, bereikten de troepen veel van hun doelen. Frezenberg en Steenbeek werden veroverd, een groot gedeelte van de heuvelrug bij Pilkem werd heroverd. Voor het eerst verschenen Britse tanks op het Ieperse slagveld. Van de in totaal door Haig gewenste aantal van 48 stuks kwamen er slechts 19 opdagen. De grond was echter, onder andere door het slechte weer, volkomen ongeschikt voor dit nieuwe wapen. Slechts één tank overleefde de eerste dag, de overigen werden inclusief hun bemanning, vernietigd. Op 1 augustus, de tweede dag, waren de prognoses al beduidend slechter. De verliezen liepen op tot boven de 30.000 maar toch werden Duitse eenheden teruggedrongen.

De regen hield niet op en de komende maanden werden enkele van de natste ooit in Vlaanderen. De Britse loopgraven liepen over en nieuwe uitgraven lukte niet vanwege het hoge grondwaterpeil. Het ontbrak de soldaten aan regenkleding en tot overmaat van ramp ging er met de bevoorrading ook van alles mis. Doordat de artillerie een enorme hoeveelheid granaten had afgeschoten, veranderde het landschap in een maanlandschap met een enorme hoeveelheid modder. Mens en dier zakten weg. Wegen lagen verborgen onder de modder of waren helemaal verdwenen door het aanhoudende geschut. De door de Belgen zorgvuldig ontworpen en onderhouden waterhuishouding in deze streek was volkomen aan flarden geschoten. Steeds vaker kregen ook artillerie-eenheden grote problemen doordat de stukken geschut in de grond wegzakten en niet meer konden vuren. Gewonden die zich niet meer konden oprichten bleven kermend achter en verdronken uiteindelijk in de drab. De Britten liepen volkomen vast.

Het Duitse leger maakte zich niet al te druk. Hindenburg, de Duitse bevelhebber, verklaarde dat ook dit offensief in de modder zou vastlopen en hij kreeg gelijk. Desondanks gingen de Britse offensieven door, sommige eenheden kregen te maken met verliespercentages van meer dan 70%. Generaal Haig wist niet van ophouden. Gewonden werden niet meer opgehaald, doden niet meer geborgen of begraven en het bleef maar regenen. Veel mannen verdronken in de modder. Diegenen die wel de Duitse stellingen haalden raakten in het prikkeldraad verstrikt en werden door mitrailleurvuur gedood. Dit gold ook voor de mannen die verwoede pogingen deden om de gillende mannen uit het prikkeldraad te krijgen. Als het vervolgens donker was, probeerden overlevenden de eigen linies te bereiken. Aan het einde van de maand juli verbood de Britse premier Lloyd George op basis van de resultaten en verliezen om meer troepen en materieel beschikbaar te stellen voor het offensief. Hierdoor moest Haig een gevechtspauze inlassen. In september bleef het aan het front relatief rustig. Het weer verbeterde sterk en de Duitsers werkten gestaag aan hun verdedigingswerken. Haig ging naar Londen om voor voortzetting van het offensief te pleiten.

Eind september mocht het bloedvergieten weer doorgaan. De premier verbood echter voortgang als het gestelde doel, het bereiken van de Belgische zeehavens, niet meer haalbaar zou blijken. Haig had echter dit doel al laten varen. Uitputting van de vijand was nu zijn doel. Hiervoor had hij echter veel meer Britse troepen nodig. Een nieuw offensief startte vanaf het kruispunt bij de Meense weg (Clapham Junction) en bracht een zeer klein succes. Men rukte één kilometer op langs de frontlinie maar had hiervoor wel een week nodig. Passendale lag open voor verovering en daarna misschien wel de weg naar zee. Bij het Britse opperbevel groeide het zelfvertrouwen. De aanval zou starten in Zonnebeke bij het Polygon Wood. Van dit bos was niets meer over en het overige terrein was een grote bruine moddervlakte. Hier stonden 31.000 Britten en 6.000 Fransen klaar om over een dertien kilometer breed front aan te vallen. Men verwachtte een terreinwinst van zeker 6 kilometer, genoeg om Passendale te veroveren. Het werd een compleet drama. Het weer was wederom zeer slecht, het regende zonder oponthoud en de mannen hadden alleen maar ondiepe geulen om te schuilen. Nog steeds was het onmogelijk om nieuwe loopgraven te maken. De voorbereidende beschieting liet meer dan 4 miljoen granaten naar de Duitse linies vallen en ploegde het land zo om dat iedere voortgang door mensen nagenoeg onmogelijk werd.

Op 12 oktober gingen de ANZAC troepen bij Passendale in de aanval, nadat eerdere Britse pogingen om het dorp te veroveren waren mislukt. Ook de ANZAC troepen liepen vast en honderden kwamen om. In deze maand en in november gingen de gevechten om Passendale door ten koste van zeer hoge verliezen. Deze gevechten staan bekend als de Hel van Passendale. Aan het einde van oktober werden de buitenste ruines van huizen door Canadese troepen veroverd. Pogingen om verder op te rukken naar het centrum kostte veel soldaten het leven. Op 6 november bereikte men het doel. Passendale was veroverd door de 2e Canadese Infanterie Divisie. Passendale was nu voor de Britten een saillant in het (Ieperse) saillant geworden. De Duitse artillerie kon de bezetter onbeperkt onder vuur nemen. Verdere offensieven bleken zelfs voor Haig zinloos. Op 20 november besloot hij de campagne te beëindigen.

2.5 De laatste Duitse offensieven

Tijdens de winter van 1917 konden de Duitsers hun sterkte aan het westelijke front aanzienlijk vergroten. De oorlog met Rusland en Roemenië was voorbij en de Duitsers konden hun troepen van het oostelijke front naar het westelijke front sturen en zo hun verdediging versterken. De moraal van de Franse troepen stond op een dieptepunt en er was muiterij uitgebroken terwijl het aantal Britse soldaten gedaald was door politieke beslissingen.

In 1917 had Amerika de oorlog verklaard aan Duitsland als reactie op de onbegrensde duikbotenoorlog. Het zou dus niet lang meer duren voordat de Amerikaanse troepen massaal aan het westelijke front ingezet konden worden. In Duitsland zelf begon de bevolking in opstand te komen tegen de oorlog.

Ludendorff, de Duitse opperbevelhebber, wist dat dit de laatste kans was om de oorlog te doen keren. Hij plande drie operaties. Operatie "George" zou de Britse linies bij Ieper doorbreken. Operatie "Mars" zou plaatsvinden bij Arras. De grootste van de drie, operatie Michael" zou zich concentreren op de Britse linie bij St.-Quentin.

Op 21 maart 1918 begon operatie "Michael" met een groot bombardement op de Britse linies. De geallieerden trokken zich terug en op twee dagen tijd konden de Duitse troepen meer dan 12 kilometer terrein veroveren. Op 26 maart hadden de Duitsers oude slagvelden van de Somme terug in handen en konden ze doorstoten tot Albert. Operatie "Michael" ging nog een paar dagen door maar door transportproblemen en het grote aantal slachtoffers besloot Ludendorff de operatie stop te zetten op 5 april.

Op 25 maart 1918 begon operatie "Mars". Deze operatie was succesvol tot aan Arras waar de Duitse troepen op hevige weerstand botsten.

Op 9 april 1918 begon operatie "George" in een verkleinde vorm onder de naam "Georgette". Twee Duitse divisies vielen ten noorden en ten zuiden van Armentières aan en ook hier moesten de geallieerden zich terugtrekken. Op 11 april verbood de Britse bevelhebber Haig een verdere terugtrekking van zijn troepen. Dit verbod, samen met de aankomst van nieuwe Britse troepen en de vermoeidheid van de Duitse troepen, kon de Duitse opmars tegenhouden en tegen het einde van april maakten de Duitsers een einde aan operatie "Georgette".

3. De Eerste Wereldoorlog aan het IJzerfront

Het Belgische veldleger, dat voornamelijk uit zes legerdivisies en één cavaleriedivisie bestond, moest na de slag om Luik in augustus 1914 de vesting Antwerpen bezetten. De vijandelijke overmacht was echter te groot en na de "Val van Antwerpen" op 10 oktober 1914 moesten de Belgen zich terugtrekken tot aan de Belgische westkust.

Vanaf 16 oktober 1914 namen ongeveer 75 000 Belgische soldaten stellingen in van de kust te Nieuwpoort tot Fort Knokke, aan de samenvloeiing van de IJzer en de gekanaliseerde leperlee. Een Franse brigade marinefuseliers stelde zich met 6 000 manschappen rond Diksmuide op. Van 16 tot 31 oktober woedde van Nieuwpoort tot Fort Knokke de "Slag aan de IJzer".

Op 21 oktober 1914 liet generaal Dossin het Sas van de Kreek van Nieuwendamme (Nieuwpoort) openzetten in een poging de Duitse opmars te stoppen. De polders van Vladslo-Ambacht en het gebied tussen het kanaal van Plassendale en de rechtgetrokken IJzer konden zo onder water lopen. Het water was helaas te traag en blijkbaar niet efficiënt genoeg om de Duitse druk op de IJzerlinie te verlichten.

De dag daarop, op 22 oktober 1914, konden de Duitsers de IJzer oversteken ter hoogte van Tervate en een bruggenhoofd uitbouwen rond Stuivekenskerke. Op 30 oktober staken ze ook de spoorweg Nieuwpoort-Diksmuide over en bereikten ze Ramskapelle. Door hardnekkige tegenaanvallen, en met de hulp van het stijgende water, werden ze echter teruggeworpen over de IJzer.

In de nacht van 29 op 30 oktober 1914 werd een nieuwe poging ondernomen om het hele gebied tussen de IJzer en de spoorwegbedding Nieuwpoort-Diksmuide onder water te zetten. Via de stuwen op het kanaal Veurne-Ambacht lukte het dit keer wel om het Duitse leger definitief tot staan te brengen. Het water heeft de Slag aan de IJzer gewonnen.

Na de onderwaterzetting stabiliseerde de frontlijn zich ter hoogte van de spoorlijn Nieuwpoort-Diksmuide en verder zuidwaarts langs de IJzer en het kanaal IJzer-leper. Beide partijen graven zich in. In deze sector was de bewegingsoorlog voorbij; de volgende vier jaar zou hier een loopgravenoorlog worden uitgevochten.

4. De Westhoek geografisch bekeken

Zoals men reeds uit de voorafgaande punten kon vermoeden, heeft het landschap een belangrijke rol gespeeld tijdens de Eerste Wereldoorlog. Daarom zullen we even wat dieper ingaan op de geografie van de Westhoek.

De Westhoek ligt letterlijk in het puntzakje van het Nederlands taalgebied. In het zuiden van Vlaanderen, met de rug tegen de Franse grens, begrensd door de Noordzee en oostelijk gelegen centra als Oostende, Roeselare en Kortrijk. Dit stukje West-Vlaanderen is het grootste aaneengesloten plattelandsgebied van Vlaanderen.

Het landschap bestaat uit:

Duinen en Polders: Langs de kuststrook ligt een duinengordel van 5 tot 20 meter hoog die bij Nieuwpoort onderbroken wordt door de IJzermonding en het sluizencomplex. De poldervlakte daarachter ligt ongeveer op zeeniveau, met hier en daar uitstekende punten tot 5 meter. De kleibodem is zeer vet en laat geen water door.

Het Ieperlee-dal: Tussen IJzer en Ieper ligt het dal van de Ieperlee en het kanaal IJzer-Ieper. Tal van beken doorsnijden dit dal en monden uit in de Ieperlee en de IJzer. Bij Ieper wordt het Ieperlee-dal breder.

De Handzamevallei en de zandleemstreek: Ten oosten van Diksmuide ligt de uitgestrekte Handzamevallei, een gebied met drassige weiden die in de winter blank staan. Ten zuiden van Diksmuide is het terrein zacht glooiend, de hoogte varieert er van 5 tot 20 meter. De glooiingen van Klerken en Houthulst, ten zuidoosten van Diksmuide, bereiken op sommige plaatsen een hoogte van 40 meter en vormen het begin van de West-Vlaamse heuvels. De bodem van dit gebied bestaat uit zandleem.

De West-Vlaamse heuvelstreek: Van Terrest (Houthulst) tot Wervik loopt een heuvelrug waarvan de hoogte varieert van 40 tot 60 meter. Vanuit Beselare loopt een beboste rug uit naar het zuidwesten, over Polygoonbos en Nonnenbossen, Zandberg, Hoge, Hill 62, Zwarteleen, Verbrande Molen, Sint-Elooi, Wijtschate en Mesen. De West-Vlaamse 'Bergen' hebben de hoogste toppen met de Kemmelberg (156 m) en de Rodeberg (143 m). De Zwarteberg (131 m) en de Catsberg (158 m), op Frans grondgebied, behoren tot dezelfde heuvelrij. Ten oosten en ten zuiden van deze drie ruggen, die de scheidingslijn tussen het IJzerbekken en het Scheldebekken vormen, lopen tal van beken naar de Leie.

De valleien van Douve en Leie: De West-Vlaamse heuvels lopen in het zuiden af naar de vallei van de Douve, die van de Zwarteberg tot Waasten loopt, en de vallei van de Leie, die bij Armentières kilometers breed is en ongeveer 20 meter boven de zeespiegel ligt. Valleien en heuvels zorgen voor een afwisselend landschap met akkers, weiden en enkele bossen. De bebouwing is in het hele gebied landelijk en verspreid, met dorpskernen op ongeveer 4 kilometer van elkaar en daar tussenin gehuchten.

5. De heropbouw van de streek

Reeds tijdens de oorlog was de overheid zich bewust van de problemen die de heropbouw zou meebrengen. In 1915 richtte de Belgische regering in Le Havre een permanente commissie onder leiding van architect E. Dhuicque op om de kunstwerken die het risico liepen beschadigd te worden, te redden. Voorts werden er oplossingen bedacht voor de naoorlogse wederopbouw.

Kort na de wapenstilstand stroomden de vluchtelingen naar huis terug. Velen waren verbaasd toen ze zagen wat een ravage de oorlog in hun dorpen en steden had aangericht, vooral diegenen uit de Westhoek. Sommigen verlieten daarom de streek en besloten zich ergens anders te vestigen. De anderen, de pioniers, begonnen met de heropbouw van hun huizen. Het herstel van de landbouw werd grotendeels door de overheid georganiseerd. Het puin werd geruimd en de grond werd drooggelegd, geëffend en ontmijnd.

Het grootste probleem was de huisvesting. Sommige mensen improviseerden kleine optrekjes of gingen in bunkers wonen. Om de grootste woningnood te lenigen bouwde het in 1916 opgerichte Koning Albertfonds barakken.

De Belgische regering moest snel erkennen dat de gemeenten de wederopbouw onmogelijk alleen tot een goed einde konden brengen. Door de wet van 8 april 1919 kregen de verwoeste gemeenten de kans zich te laten adopteren door de Staat. De geadopteerde gemeenten ontvingen dan extra financiële hulp, en aanvaardden in ruil een aantal richtlijnen. In aansluiting op deze adoptiewet werd de Dienst der Verwoeste Gewesten opgericht, die moest instaan voor de financiering en de coördinatie van de wederopbouw. De Rechtbank van Oorlogsschade beslechtte de geschillen op het gebied van schadevergoedingen. Voor monumenten en openbare gebouwen mocht de Rechtbank pas beslissingen nemen na advies van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Natuurschoon. Voor gebouwen met historische of artistieke waarde kon de Minister voor Wetenschap en Kunst opteren voor de wederopbouw van het gebouw of het consolideren van het puin.

Vooral in Ieper, de "martelaarsstad", ontstonden problemen rond de wederopbouw van bepaalde gebouwen. Deze problemen worden besproken in het hoofdstuk over Ieper.

De wederopbouw wijzigde de vooroorlogse aanleg van steden en dorpen nauwelijks. Veranderingen bleven doorgaans beperkt tot het rechttrekken en verbreden van straten. Wel nieuw waren de tuinwijken in de periferie van Nieuwpoort, Diksmuide en leper. Deze projecten waren uitingen van een eigentijdse visie op huisvesting gebaseerd op de oudere tuinwijkgedachte, en getuigden van de sociaalfunctionele aanpak van de modernisten. De boerderijen werden zelden op hun oude fundamenten heropgebouwd, maar werden dichter bij de openbare weg gebracht.

Voor de wederopbouw bleef de baksteen het bouwmateriaal bij uitstek. Het gebruik van minder traditionele bouwmaterialen bleef beperkt. Het kasteel van Elzenwalle te Voormezele, dat in beton werd heropgetrokken, is één van de zeldzame uitzonderingen op deze regel.

De wederopbouw introduceerde wel een zekere differentiatie. Enerzijds werden de "historische monumenten", die beschouwd werden als onmisbare landschappelijke elementen, naar vertrouwd vooroorlogs aanzicht en soms zelfs 'zuiverder' dan het model gereconstrueerd, onder meer aan de hand van vooroorlogse restauratie- en opmetingsplannen. Anderzijds werden de doorsnee gebouwen herbouwd volgens een gevarieerde architectuur die doorgaans gedomineerd werd door stijlelementen ontleend aan de baksteengotiek en de plaatselijke Vlaamse renaissance. Doorgedreven interpretaties van traditionele stijlen zijn zeldzaam en modernisme is zelfs hoogst uitzonderlijk. Een aantal decoratieve elementen wijzen op een zekere invloed van de art-deco. In feite gaat het hier om een uitgesproken 'gevelarchitectuur', met decorvormende voorgevels die contrasteren met de vlakke, eenvoudige achtergevels. Kwaliteitsverschillen treden op naargelang van de ligging. Uiteraard ging de meeste aandacht uit naar het marktplein met eclectische gevels en soms vermooide openbare gebouwen. Het huidige stadhuis van Diksmuide bijvoorbeeld verschilt sterk van het vooroorlogse neogotische bouwwerk.

Bij de wederopbouw werd gekozen voor een nieuw kleedje in de lokale renaissancestijl, dat beter paste in het regionalistisch karakter van het vernieuwde marktbeeld. In Nieuwpoort bouwde men om dezelfde reden een nieuw stadhuis op de markt. In Armentières wijken het naoorlogse stadhuis en belfort enorm af van de classicistische bouwwerken van voor de 'Grote Oorlog': beide kregen een 'Vlaamser' uitzicht en onderstrepen hierdoor het herstelde regionale beeld.

In de dorpen en gemeenten sluit de wederopbouwarchitectuur aan op de traditionele negentiende-eeuwse dorpsarchitectuur, die een vereenvoudigde versie van de stadsarchitectuur was. In sommige dorpen zijn de gemeentehuizen in historiserende stijl heropgebouwd, waardoor ze zeer herkenbaar zijn.

De wederopgebouwde hoeven vormen het belangrijkste aspect van de landelijke architectuur. Ze verschillen niet wezenlijk van de vooroorlogse hoeven: onderdelen, opstelling, aanplanting, bouwmaterialen, indeling, volume en vorm hebben geen wijzigingen ondergaan. De wederopbouwstijl was eenvoudig en sloot aan op de regionale negentiende-eeuwse hoevebouw, al werden streekeigen bouwelementen wel eens (over)geaccentueerd. In feite waren ze identiek aan de "grondgebonden hoeven" van voor de technologische en economische landbouwvernieuwingen. Thans zijn ze op precies dezelfde manier als de bewaard gebleven vooroorlogse hoeven aangepast aan de behoeften van een modern landbouwbedrijf.

Globaal kan dus gesteld worden dat wederopbouw de vooroorlogse draad hervatte. Toch wordt een visuele breuk ervaren tussen het 'wederopgebouwde' landschap en het erbij aansluitende landschap dat van het oorlogsgeweld gespaard bleef. De nood ontketende immers een wederopbouwrage waarin het originaliteitaspect van een onder normale omstandigheden gegroeide architectuur verloren ging. Het tekort aan authenticiteit verraadt zich hoofdzakelijk in de sterke benadrukking van, al dan niet vermeende, streekeigen bouwconcepten.

6. Besluit

De Westhoek heeft zwaar geleden tijdens de Eerste Wereldoorlog. De sporen van de oorlog konden niet volledig worden weggewist: loopgraven, kraters en bunkers bleven achter als trieste getuigen van het oorlogsgeweld. Deze werden na verloop van tijd afgewisseld met monumenten, begraafplaatsen en andere herinneringen die de bezoeker even doen stilstaan bij de gebeurtenissen van 14-18 en andere oorlogen uit het verleden en het heden.