Hieronder vind je het eindwerk "Het oorlogstoerisme in de
Westhoek" dat door Joël Geysen werd gemaakt in 2002. De
tekst van het eindwerk werd aangevuld met fotomateriaal van de website
www.wo1.be.
Het is onmogelijk een overzicht te maken van het oorlogstoerisme
in de Westhoek zonder te onderzoeken waarom men juist op deze plaats
een groot aantal oorlogsherinneringen terugvindt. Dit zullen we
daarom onderzoeken in dit hoofdstuk. In een eerste deel gaan we
daarvoor dieper in op de algemene evolutie van de Eerste Wereldoorlog.
Vervolgens gaan we na hoe men in deze streek de oorlog beleefd heeft.
Dit gedeelte is opgesplitst in twee delen: de Ieperboog en het IJzerfront.
Vervolgens onderzoeken we de geografie van de streek en ten slotte
gaan we bekijken wat er na de oorlog gebeurd is.
1. Algemeen verloop van de Eerste Wereldoorlog
De oorzaken van de Eerste Wereldoorlog waren gelegen in steeds
toenemende economische en politieke tegenstellingen tussen de
grote Europese mogendheden Duitsland (met Oostenrijk-Hongarije)
enerzijds en Frankrijk, Engeland en Rusland anderzijds. Maar de
directe aanleiding was een moord op 24 juni 1914. Op deze dag
werd de Oostenrijkse troonopvolger Franz-Ferdinand doodgeschoten
tijdens een bezoek aan de Servische hoofdstad Sarajevo. De dader
van deze moord was Gavrilo Princip, een Servische student die
lid was van de nationalistische beweging "Jong Bosnië".
In 1908 had de dubbelmonarchie Oostenrijk-Hongarije het naburige
Bosnië-Herzegovina geannexeerd. Sinds deze gebeurtenis zonnen
de Bosnische en Servische nationalisten op wraak. Op 23 juli stelde
de regering in Wenen Servië hiervoor verantwoordelijk en
stuurde ze een ultimatum naar Sarajevo. Ondertussen had Duitsland
militaire steun beloofd aan Oostenrijk in geval van een militaire
escalatie van het conflict.
Vanaf het moment dat de inhoud van het ultimatum openbaar werd,
volgden de gebeurtenissen elkaar snel op. Oostenrijk begon zich
op te maken voor een oorlog in de Balkan, waarop Rusland besloot
zich te mobiliseren om bondgenoot Servië te hulp te komen.
Duitsland kon nu niet achterblijven. Volgens het Schlieffen-plan
moest Duitsland, om de gevaren van een tweefrontenoorlog voor
te zijn, de Russische dreiging beantwoorden. Tevens moest Frankrijk
door middel van een snelle aanval in korte tijd verslagen worden.
Een deel van het Duitse leger zou via België naar Parijs
doorstoten en zo de Franse legers omsingelen. Begin augustus verklaarde
Duitsland de oorlog aan Rusland en Frankrijk. Op 4 augustus vielen
Duitse troepen het neutrale België binnen om het Schlieffen-plan
uit te voeren en op 20 augustus werd Brussel bezet. Ook Groot-Brittannië
verklaarde hierop de oorlog aan Duitsland.
De Duitse leiding bleek met het Schlieffen-plan de kracht van
het eigen leger ernstig overschat te hebben. De troepen bleven
in september 1914 met hun offensief in Noord-Frankrijk en West-Vlaanderen
steken. Wat volgde was een eindeloze loopgravenoorlog die aan
miljoenen soldaten het leven kostte. Gifgasaanvallen, dagenlange
bombardementen en stormlopen konden aan geen van beide kanten
een doorbraak forceren. Het westelijke front werd een hel van
modderige loopgraven, waar honderdduizenden soldaten de dood in
werden gejaagd voor een terreinwinst van soms maar 50 meter.
Op 6 april 1917 raakten de Amerikanen bij de oorlog betrokken.
Directe aanleiding was het Duitse besluit dat jaar om een onbegrensde
duikbotenoorlog te beginnen. In 1915 al was het Amerikaanse passagiersschip
"Lusitania" met 1900 opvarenden aan boord door een Duitse
onderzeeboot tot zinken gebracht, wat bijna tot een oorlogsverklaring
van de Verenigde Staten geleid had. Het besluit van de Duitse
legerleiding om de duikboten, die na dit incident nog slechts
beperkt waren ingezet, weer onbegrensd te gebruiken ging te ver
voor de Amerikanen. Zij verklaarden de oorlog aan Duitsland.
Dit zou het keerpunt in de oorlog worden. De Duitse soldaten
kregen steeds minder vertrouwen in een overwinning terwijl het
moreel van de geallieerden flink omhoog ging. Tevens begonnen
de Duitse reserves op te raken. Ook aan het thuisfront werd de
situatie steeds nijpender. De economische blokkade van de geallieerden
veroorzaakte een groot gebrek aan voedsel en grondstoffen.
In augustus 1918 werd het de Duitse legerleiding duidelijk dat
een overwinning niet meer haalbaar was. Twee maanden later begonnen
de vredesonderhandelingen met de geallieerden. Toen eind oktober
opstanden in de marine en het leger uitbraken was de Duitse nederlaag
definitief bezegeld. Op 11 november werd in een treinwagon in
het bos van Compiègne de wapenstilstand gesloten.
In de Geallieerde landen was de vreugde na de wapenstilstand
enorm. In Brussel liep de stad uit om koning Albert toe te juichen
bij zijn feestelijke intrede. In Londen en Parijs klonken saluutschoten
en kwamen honderdduizenden mensen op straat. Maar het feestgedruis
had een bittere ondertoon: het vaderland was dan wel bevrijd,
maar vier jaar oorlog had een ongehoord zware tol geëist.
In de hele Eerste Wereldoorlog werden er 68 miljoen mannen gemobiliseerd.
Daarvan sneuvelden er zowat 9 miljoen.Rusland telde 2 miljoen
doden, Duitsland 1,8 miljoen, Frankrijk 1,3 miljoen, het Verenigd
Koninkrijk 1,1 miljoen en Oostenrijk-Hongarije 1 miljoen.Het Belgische
leger had 53.000 doden te betreuren. Daarnaast kostte de oorlog
het leven aan 23.000 Belgische burgers.
2. De Eerste Wereldoorlog in de Ieperboog
2.1 Vorming van de Ieperboog
Na de inname van Antwerpen op 10 oktober 1914, trokken de Belgische
troepen, de Engelse divisie en de Franse brigade zich terug op
de lijn Ieper-IJzer. Nadat het 4de korps van de Duitse cavalerie
teruggedrongen was op het kanaal Ieper-Komen, bezetten de Britten
de stad Ieper en namen samen met de Fransen de verdediging van
de stad op zich. De Ieperboog (ook gekend als de Ypres Salient),
een boogvormige frontlijn rond Ieper die liep over Langemark-Poelkapelle,
Zonnebeke, de West-Vlaamse heuveldorpen en Armentières
(Frankrijk), was gevormd. Vanaf oktober 1914 stelden de vijandige
legers zich op aan weerszijden van de Salient. Bedoeling van de
Duitse troepen was een doorbraak te creëren naar de Franse
kust. Het Frans-Brits bastion vormde hierbij echter een onoverkomelijk
obstakel. Rond de stad Ieper vonden tijdens de Eerste Wereldoorlog
verschillende grote offensieven plaats.
2.2 De Eerste Slag bij Ieper (oktober -
november 1914)
Begin oktober 1914 werden rondom de Ypres Sallient Duitse troepen
samengetrokken voor een offensief tegen leper en de Britse strijdmacht.
Het doel van de Duisters was om via leper de Engelse troepen te
verslaan en zo in bezit te komen van diverse havens aan de Noordzee.
De Duitse legerleiding en de keizer waren buitengewoon optimistisch
over de afloop van dit offensief. Bij leper waren de Engelsen
niet op volle sterkte en een doorbraak lag voor de hand.
Op 19 oktober zou de "Eerste Slag bij leper" van start
gaan. Ten zuiden van leper, in Frankrijk, vonden er al enkele
schermutselingen plaats, maar de eerste echte aanvallen kwamen
van de Duitse 26ste en 27ste Reserve Infanterie Korpsen tussen
21 en 24 oktober 1914. Deze eenheden waren gevormd uit scholieren,
studenten en hun docenten die zich vrijwillig hadden aangemeld
ter verdediging van de Duitse cultuur . De soldaten in deze korpsen
waren erg enthousiast om de strijd aan te vangen maar ze waren
nog niet goed getraind en hadden geen gevechtservaring. Het British
Expeditionary Force was zeer ervaren en goed getraind. Dit waren
Britse beroepssoldaten die al enige ervaring hadden opgedaan in
diverse andere conflicten en oorlogen. De Duitsers gingen voorwaarts
en werden massaal gedood door de Britse verdedigers. Deze gevechten
werden later bekend als de "Gevechten bij Langemark"
of de "Kindermoord van leper".

Om een nieuwe doorbraak te forceren gingen de Duisters op 29
oktober bij Geluveld in de aanval. Ook hier werd er weer zwaar
gevochten. Geluveld lag op een strategische plaats, namelijk op
de verbindingsweg tussen Menen en Ieper. Als de Duitsers dit dorp
konden bezetten, was de doorbraak slechts een kwestie van tijd.
De eerste aanvallen waren succesvol en een aantal Duitse eenheden
konden Geluveld bezetten. Op 30 oktober werden zij verdreven door
soldaten van het 2de bataljon Worcesters. De hele dag gingen de
gevechten over en weer. Met de hulp van de Fransen konden de Britten
het dorp uiteindelijk heroveren.
In Mesen waren al dagenlang zware gevechten aan de gang. Eind
oktober werden deze gevechten steeds heviger doordat de Duitsers
in het offensief gingen, gesteund door artillerie. Het doel was
de verovering van de heuvelrug tussen Mesen en Wijtschate. Deze
heuvelrug is op het hoogste punt circa 80 meter waardoor men een
goed overzicht heeft over de streek. Dit offensief slaagde en
tot juni 1917 bleven de Duitsers heer en meester op de heuvelrug.
In de maand november waren de verdedigende Britse en Franse troepen
totaal uitgeput. Materieel en verse troepen konden het front niet
op tijd bereiken en de munitie werd schaars. Hierdoor verzwakte
de positie van de geallieerden dagelijks. De Duitsers hadden de
beschikking over de spoorwegen door België en hadden de operatie
goed voorbereid. Ze hadden geen last van logistieke problemen
en ook het moreel van de Duitse soldaten was goed tot uitstekend
te noemen, ondanks de grote verliezen.
De Duitse bevelhebber Von Falckenhayn besefte dat de overwinning
nabij was en besloot tot een laatste groot offensief in de buurt
van Geluveld. Het doel was een massale aanval over een frontlijn
van 14 kilometer uit te voeren, over de linies heen te walsen
en vervolgens de ingesloten Britse legers te vernietigen. Het
offensief ging van start in de ochtend van 11 november om 06.30
uur met een inleidend artillerievuur door zware kanonnen. Twee
uren lang werd er gevuurd op de Britse posities. Na het staken
van het kanonvuur gingen 20.000 Duitse soldaten de strijd aan
met de Britten die sterk in de minderheid waren (circa 8000 man).
Met mitrailleur en geweervuur lukt het de Britten de Duitse opmars
tot stilstand te brengen. De Duitsers leden zware verliezen. Na
hevige gevechten lukte het de Britten om de Duitsers terug te
drijven naar hun oorspronkelijke posities. Zij trokken zich terug
in een naburig bos, het Nonnenbos. De Britse en Franse artillerie
openden vervolgens het vuur op dit bos. Overlevenden die uit het
bos een goed heenkomen zochten werden door geweer en mitrailleurvuur
gedood of buiten gevecht gesteld. De Duitse legerleiding was van
mening dat ze tegen een enorme overmacht stonden. Nadat bijna
alle Duitse officiers gedood werden, besloot men de aanval stop
te zetten. Op 22 november werd de strijd gestaakt.
Nu was de bewegingsoorlog voorbij, beide partijen groeven zich
in lichte sneeuw in. Het begin van dagelijkse ellende. De Duitse
legerleiding was zwaar teleurgesteld over het verloop van de slag
om leper. Uit frustratie werden de kanonnen op de stad leper gericht
en werd de stad zwaar beschoten. Eind november veranderde het
historische stadje langzaam in een ruïne.
2.3 De Tweede Slag bij Ieper (april - mei
1915)
De Tweede Slag bij Ieper had hetzelfde doel als de eerste. De
omstandigheden waren gunstig waren enorm gunstig voor de Duitsers.
Het Britisch Expeditionary Force had gedurende de eerste slag
bij leper maar liefst 90% van haar manschappen verloren.
Tijdens de voorbereidingen van de Duitse legerleiding gingen
de Britten in het offensief. Op 17 april 1915 werd de kunstmatige
heuvel Hill 60 door middel van een springmijn opgeblazen. Op de
heuvel werd alles wat zich er bevond vernietigd. Honderden Duitsers
die rondom en op de heuvel gelegerd waren, werden gedood door
neervallende aarde en brokstukken. De Britten rukten op en konden
ten koste van 3.000 doden Hill 60 veroveren.

Hoewel het verlies van Hill 60 voor de Duitsers een verrassing
was, lieten de Duitsers zich niet afleiden en gingen ze door met
de voorbereiding van een nieuw offensief. Daarbij zou een nieuw
wapen worden ingezet: gifgas. Dit zou door de Duitse troepen voor
het eerst aan het westelijke front worden ingezet. In maart 1915
begon het Duitse leger 5730 cilinders waarin 40 kg samengeperst
chloorgas zat in te graven. Aanvalsdoel van deze eerste grote
gifgasaanval was de noordelijker sector van de saillant bij de
dorpen Steenstrate en Langemark. Hier waren zowel Franse koloniale
als Canadese troepen gelegerd. Het gas moest in de vroege ochtend
van 22 april 1915 worden vrijgelaten maar door windstilte werd
dit uitgesteld. Om 17.30 uur, na zware beschietingen, werden de
kranen opengedraaid en een bruin/gele wolk van 6 kilometer breed
en 900 meter diep dreef langzaam naar de Franse linies. De 45e
Algerijnse infanterie divisie werd zwaar getroffen. Zonder gasmasker
en volkomen verrast door het gas probeerden ze te vluchten in
de richting van het dorp Boezinge. Het gas sloeg een gat van 6
kilometer in de linie van de verdedigers van leper. De Algerijnen
leden zware verliezen, men weet niet precies hoeveel, maar naar
schatting kwamen circa 5.000 mannen om en liepen circa 15.000
man zware vergiftigingsverschijnselen op. De Duitsers rukten op
en ontmoeten geen tegenstand van betekenis maar alleen doden en
zwaar gewonden. De Duitse legerleiding had dit succes echter niet
verwacht en men had daarom te weinig troepen in de buurt om door
te stoten. Hierdoor kon een handjevol Canadese, Franse en Engelse
soldaten de weg naar leper voor de Duisters blokkeren. De Duitsers
hadden als doel de heuvelrug bij Pilkem in te nemen. Dit doel
was bereikt, maar was er weer een mogelijkheid voorbij gegaan
om leper in te nemen.
Na de eerste Duitse gasaanval bleek de verovering van Steenstrate,
Het Sas en Pilkem een te gering succes en het Duitse opperbevel
besefte te laat dat de weg naar leper had opengestaan. De geslagen
bres was met Canadese troepen opgevuld, deze gingen in het offensief
en wisten ten koste van grote verliezen een deel van het terrein
weer terug te veroveren. Op 23 april was er één
van de bloedigste gevechten zonder dat de stad Ieper in Duitse
handen viel. De dag erna lieten de Duitsers weer gas los op de
vijand. Dit keer bij Sint-Juliaan. Ook hier bracht het chloorgas
zware klappen toe. Ondanks duizenden doden en gewonden wisten
de Canadezen met primitieve bescherming de aanvallen af te slaan
en stand te houden. Op 27 en 30 april lanceerden de Duitsers opnieuw
gasaanvallen dit keer zonder noemenswaardig succes.
Bij Hill 60 lieten de Duitse troepen op 5 mei opnieuw gas los
op de Britse vijand en dit leidde ertoe dat de onderste linies
door de Duitse soldaten zonder veel tegenstand konden worden veroverd.
Het opnieuw inzetten van gifgas op Hill 60 bracht voor de Duitse
troepen het beoogde succes, Hill 60 werd door hun weer bezet.
Ook hevige pogingen van de Britten om Hill 60 weer te heroveren
werden geen succes en kostte duizenden het leven. De Duitsers
zouden tot de zomer van 1917 op de heuvel heer en meester blijven.
De Saillant was echter nog steeds in Britse handen, maar was wel
met 7 kilometer gekrompen.
2.4 De Derde Slag bij Ieper (juni - november
1917)
Haig, de Engelse bevelhebber wou een groot offensief om de weg
naar Antwerpen en Zeebrugge vrijmaken. In de nacht van 6 op 7
juni 1917 werden er ter afleiding 19 ondergrondse reuzenmijnen
tot ontploffing gebracht op de Mesense heuvelrug. Meer dan 500.000
kg springstof ging de lucht in onder de Duitse stellingen in de
zuidelijke leper sector. De klap was zo hevig dat het gevoeld
werd in Londen. De stadjes Mesen en Wijtschate werden moeiteloos
ingenomen, ondanks het Duitse gebruik van Yperiet . Ze trokken
zich terug naar de tweede linie.
Haig begon het grote offensief met een enorme artilleriebarrage
van 3000 stukken geschut, zowel gewone granaten als gasgranaten.
In de vroege ochtend van de 31e juli bracht Generaal Gough van
het Britse 5de Leger zijn manschappen in de aanvalsloopgraven.
Om 05.30 uur gingen de eerste soldaten "over de top"
na het fluitsignaal van hun officieren. Reeds in de ochtend was
het beginnen regenen, waardoor het front was omgevormd tot een
moeras. Ondanks enorme verliezen van meer dan 16.000 doden en
gewonden, bereikten de troepen veel van hun doelen. Frezenberg
en Steenbeek werden veroverd, een groot gedeelte van de heuvelrug
bij Pilkem werd heroverd. Voor het eerst verschenen Britse tanks
op het Ieperse slagveld. Van de in totaal door Haig gewenste aantal
van 48 stuks kwamen er slechts 19 opdagen. De grond was echter,
onder andere door het slechte weer, volkomen ongeschikt voor dit
nieuwe wapen. Slechts één tank overleefde de eerste
dag, de overigen werden inclusief hun bemanning, vernietigd. Op
1 augustus, de tweede dag, waren de prognoses al beduidend slechter.
De verliezen liepen op tot boven de 30.000 maar toch werden Duitse
eenheden teruggedrongen.
De regen hield niet op en de komende maanden werden enkele van
de natste ooit in Vlaanderen. De Britse loopgraven liepen over
en nieuwe uitgraven lukte niet vanwege het hoge grondwaterpeil.
Het ontbrak de soldaten aan regenkleding en tot overmaat van ramp
ging er met de bevoorrading ook van alles mis. Doordat de artillerie
een enorme hoeveelheid granaten had afgeschoten, veranderde het
landschap in een maanlandschap met een enorme hoeveelheid modder.
Mens en dier zakten weg. Wegen lagen verborgen onder de modder
of waren helemaal verdwenen door het aanhoudende geschut. De door
de Belgen zorgvuldig ontworpen en onderhouden waterhuishouding
in deze streek was volkomen aan flarden geschoten. Steeds vaker
kregen ook artillerie-eenheden grote problemen doordat de stukken
geschut in de grond wegzakten en niet meer konden vuren. Gewonden
die zich niet meer konden oprichten bleven kermend achter en verdronken
uiteindelijk in de drab. De Britten liepen volkomen vast.
Het Duitse leger maakte zich niet al te druk. Hindenburg, de
Duitse bevelhebber, verklaarde dat ook dit offensief in de modder
zou vastlopen en hij kreeg gelijk. Desondanks gingen de Britse
offensieven door, sommige eenheden kregen te maken met verliespercentages
van meer dan 70%. Generaal Haig wist niet van ophouden. Gewonden
werden niet meer opgehaald, doden niet meer geborgen of begraven
en het bleef maar regenen. Veel mannen verdronken in de modder.
Diegenen die wel de Duitse stellingen haalden raakten in het prikkeldraad
verstrikt en werden door mitrailleurvuur gedood. Dit gold ook
voor de mannen die verwoede pogingen deden om de gillende mannen
uit het prikkeldraad te krijgen. Als het vervolgens donker was,
probeerden overlevenden de eigen linies te bereiken. Aan het einde
van de maand juli verbood de Britse premier Lloyd George op basis
van de resultaten en verliezen om meer troepen en materieel beschikbaar
te stellen voor het offensief. Hierdoor moest Haig een gevechtspauze
inlassen. In september bleef het aan het front relatief rustig.
Het weer verbeterde sterk en de Duitsers werkten gestaag aan hun
verdedigingswerken. Haig ging naar Londen om voor voortzetting
van het offensief te pleiten.
Eind september mocht het bloedvergieten weer doorgaan. De premier
verbood echter voortgang als het gestelde doel, het bereiken van
de Belgische zeehavens, niet meer haalbaar zou blijken. Haig had
echter dit doel al laten varen. Uitputting van de vijand was nu
zijn doel. Hiervoor had hij echter veel meer Britse troepen nodig.
Een nieuw offensief startte vanaf het kruispunt bij de Meense
weg (Clapham Junction) en bracht een zeer klein succes. Men rukte
één kilometer op langs de frontlinie maar had hiervoor
wel een week nodig. Passendale lag open voor verovering en daarna
misschien wel de weg naar zee. Bij het Britse opperbevel groeide
het zelfvertrouwen. De aanval zou starten in Zonnebeke bij het
Polygon Wood. Van dit bos was niets meer over en het overige terrein
was een grote bruine moddervlakte. Hier stonden 31.000 Britten
en 6.000 Fransen klaar om over een dertien kilometer breed front
aan te vallen. Men verwachtte een terreinwinst van zeker 6 kilometer,
genoeg om Passendale te veroveren. Het werd een compleet drama.
Het weer was wederom zeer slecht, het regende zonder oponthoud
en de mannen hadden alleen maar ondiepe geulen om te schuilen.
Nog steeds was het onmogelijk om nieuwe loopgraven te maken. De
voorbereidende beschieting liet meer dan 4 miljoen granaten naar
de Duitse linies vallen en ploegde het land zo om dat iedere voortgang
door mensen nagenoeg onmogelijk werd.
Op 12 oktober gingen de ANZAC troepen bij Passendale in de aanval,
nadat eerdere Britse pogingen om het dorp te veroveren waren mislukt.
Ook de ANZAC troepen liepen vast en honderden kwamen om. In deze
maand en in november gingen de gevechten om Passendale door ten
koste van zeer hoge verliezen. Deze gevechten staan bekend als
de Hel van Passendale. Aan het einde van oktober werden de buitenste
ruines van huizen door Canadese troepen veroverd. Pogingen om
verder op te rukken naar het centrum kostte veel soldaten het
leven. Op 6 november bereikte men het doel. Passendale was veroverd
door de 2e Canadese Infanterie Divisie. Passendale was nu voor
de Britten een saillant in het (Ieperse) saillant geworden. De
Duitse artillerie kon de bezetter onbeperkt onder vuur nemen.
Verdere offensieven bleken zelfs voor Haig zinloos. Op 20 november
besloot hij de campagne te beëindigen.
2.5 De laatste Duitse offensieven
Tijdens de winter van 1917 konden de Duitsers hun sterkte aan
het westelijke front aanzienlijk vergroten. De oorlog met Rusland
en Roemenië was voorbij en de Duitsers konden hun troepen
van het oostelijke front naar het westelijke front sturen en zo
hun verdediging versterken. De moraal van de Franse troepen stond
op een dieptepunt en er was muiterij uitgebroken terwijl het aantal
Britse soldaten gedaald was door politieke beslissingen.
In 1917 had Amerika de oorlog verklaard aan Duitsland als reactie
op de onbegrensde duikbotenoorlog. Het zou dus niet lang meer
duren voordat de Amerikaanse troepen massaal aan het westelijke
front ingezet konden worden. In Duitsland zelf begon de bevolking
in opstand te komen tegen de oorlog.
Ludendorff, de Duitse opperbevelhebber, wist dat dit de laatste
kans was om de oorlog te doen keren. Hij plande drie operaties.
Operatie "George" zou de Britse linies bij Ieper doorbreken.
Operatie "Mars" zou plaatsvinden bij Arras. De grootste
van de drie, operatie Michael" zou zich concentreren op de
Britse linie bij St.-Quentin.
Op 21 maart 1918 begon operatie "Michael" met een groot
bombardement op de Britse linies. De geallieerden trokken zich
terug en op twee dagen tijd konden de Duitse troepen meer dan
12 kilometer terrein veroveren. Op 26 maart hadden de Duitsers
oude slagvelden van de Somme terug in handen en konden ze doorstoten
tot Albert. Operatie "Michael" ging nog een paar dagen
door maar door transportproblemen en het grote aantal slachtoffers
besloot Ludendorff de operatie stop te zetten op 5 april.
Op 25 maart 1918 begon operatie "Mars". Deze operatie
was succesvol tot aan Arras waar de Duitse troepen op hevige weerstand
botsten.
Op 9 april 1918 begon operatie "George" in een verkleinde
vorm onder de naam "Georgette". Twee Duitse divisies
vielen ten noorden en ten zuiden van Armentières aan en
ook hier moesten de geallieerden zich terugtrekken. Op 11 april
verbood de Britse bevelhebber Haig een verdere terugtrekking van
zijn troepen. Dit verbod, samen met de aankomst van nieuwe Britse
troepen en de vermoeidheid van de Duitse troepen, kon de Duitse
opmars tegenhouden en tegen het einde van april maakten de Duitsers
een einde aan operatie "Georgette".
3. De Eerste Wereldoorlog aan het IJzerfront
Het Belgische veldleger, dat voornamelijk uit zes legerdivisies
en één cavaleriedivisie bestond, moest na de slag
om Luik in augustus 1914 de vesting Antwerpen bezetten. De vijandelijke
overmacht was echter te groot en na de "Val van Antwerpen"
op 10 oktober 1914 moesten de Belgen zich terugtrekken tot aan
de Belgische westkust.
Vanaf 16 oktober 1914 namen ongeveer 75 000 Belgische soldaten
stellingen in van de kust te Nieuwpoort tot Fort Knokke, aan de
samenvloeiing van de IJzer en de gekanaliseerde leperlee. Een
Franse brigade marinefuseliers stelde zich met 6 000 manschappen
rond Diksmuide op. Van 16 tot 31 oktober woedde van Nieuwpoort
tot Fort Knokke de "Slag aan de IJzer".
Op 21 oktober 1914 liet generaal Dossin het Sas van de Kreek
van Nieuwendamme (Nieuwpoort) openzetten in een poging de Duitse
opmars te stoppen. De polders van Vladslo-Ambacht en het gebied
tussen het kanaal van Plassendale en de rechtgetrokken IJzer konden
zo onder water lopen. Het water was helaas te traag en blijkbaar
niet efficiënt genoeg om de Duitse druk op de IJzerlinie
te verlichten.

De dag daarop, op 22 oktober 1914, konden de Duitsers de IJzer
oversteken ter hoogte van Tervate en een bruggenhoofd uitbouwen
rond Stuivekenskerke. Op 30 oktober staken ze ook de spoorweg
Nieuwpoort-Diksmuide over en bereikten ze Ramskapelle. Door hardnekkige
tegenaanvallen, en met de hulp van het stijgende water, werden
ze echter teruggeworpen over de IJzer.
In de nacht van 29 op 30 oktober 1914 werd een nieuwe poging
ondernomen om het hele gebied tussen de IJzer en de spoorwegbedding
Nieuwpoort-Diksmuide onder water te zetten. Via de stuwen op het
kanaal Veurne-Ambacht lukte het dit keer wel om het Duitse leger
definitief tot staan te brengen. Het water heeft de Slag aan de
IJzer gewonnen.
Na de onderwaterzetting stabiliseerde de frontlijn zich ter hoogte
van de spoorlijn Nieuwpoort-Diksmuide en verder zuidwaarts langs
de IJzer en het kanaal IJzer-leper. Beide partijen graven zich
in. In deze sector was de bewegingsoorlog voorbij; de volgende
vier jaar zou hier een loopgravenoorlog worden uitgevochten.
4. De Westhoek geografisch bekeken
Zoals men reeds uit de voorafgaande punten kon vermoeden, heeft
het landschap een belangrijke rol gespeeld tijdens de Eerste Wereldoorlog.
Daarom zullen we even wat dieper ingaan op de geografie van de
Westhoek.
De Westhoek ligt letterlijk in het puntzakje van het Nederlands
taalgebied. In het zuiden van Vlaanderen, met de rug tegen de
Franse grens, begrensd door de Noordzee en oostelijk gelegen centra
als Oostende, Roeselare en Kortrijk. Dit stukje West-Vlaanderen
is het grootste aaneengesloten plattelandsgebied van Vlaanderen.
Het landschap bestaat uit:
Duinen en Polders: Langs de kuststrook
ligt een duinengordel van 5 tot 20 meter hoog die bij Nieuwpoort
onderbroken wordt door de IJzermonding en het sluizencomplex.
De poldervlakte daarachter ligt ongeveer op zeeniveau, met hier
en daar uitstekende punten tot 5 meter. De kleibodem is zeer vet
en laat geen water door.
Het Ieperlee-dal: Tussen IJzer en
Ieper ligt het dal van de Ieperlee en het kanaal IJzer-Ieper.
Tal van beken doorsnijden dit dal en monden uit in de Ieperlee
en de IJzer. Bij Ieper wordt het Ieperlee-dal breder.
De Handzamevallei en de zandleemstreek:
Ten oosten van Diksmuide ligt de uitgestrekte Handzamevallei,
een gebied met drassige weiden die in de winter blank staan. Ten
zuiden van Diksmuide is het terrein zacht glooiend, de hoogte
varieert er van 5 tot 20 meter. De glooiingen van Klerken en Houthulst,
ten zuidoosten van Diksmuide, bereiken op sommige plaatsen een
hoogte van 40 meter en vormen het begin van de West-Vlaamse heuvels.
De bodem van dit gebied bestaat uit zandleem.
De West-Vlaamse heuvelstreek: Van
Terrest (Houthulst) tot Wervik loopt een heuvelrug waarvan de
hoogte varieert van 40 tot 60 meter. Vanuit Beselare loopt een
beboste rug uit naar het zuidwesten, over Polygoonbos en Nonnenbossen,
Zandberg, Hoge, Hill 62, Zwarteleen, Verbrande Molen, Sint-Elooi,
Wijtschate en Mesen. De West-Vlaamse 'Bergen' hebben de hoogste
toppen met de Kemmelberg (156 m) en de Rodeberg (143 m). De Zwarteberg
(131 m) en de Catsberg (158 m), op Frans grondgebied, behoren
tot dezelfde heuvelrij. Ten oosten en ten zuiden van deze drie
ruggen, die de scheidingslijn tussen het IJzerbekken en het Scheldebekken
vormen, lopen tal van beken naar de Leie.
De valleien van Douve en Leie: De
West-Vlaamse heuvels lopen in het zuiden af naar de vallei van
de Douve, die van de Zwarteberg tot Waasten loopt, en de vallei
van de Leie, die bij Armentières kilometers breed is en
ongeveer 20 meter boven de zeespiegel ligt. Valleien en heuvels
zorgen voor een afwisselend landschap met akkers, weiden en enkele
bossen. De bebouwing is in het hele gebied landelijk en verspreid,
met dorpskernen op ongeveer 4 kilometer van elkaar en daar tussenin
gehuchten.
5. De heropbouw van de streek
Reeds tijdens de oorlog was de overheid zich bewust van de problemen
die de heropbouw zou meebrengen. In 1915 richtte de Belgische
regering in Le Havre een permanente commissie onder leiding van
architect E. Dhuicque op om de kunstwerken die het risico liepen
beschadigd te worden, te redden. Voorts werden er oplossingen
bedacht voor de naoorlogse wederopbouw.
Kort na de wapenstilstand stroomden de vluchtelingen naar huis
terug. Velen waren verbaasd toen ze zagen wat een ravage de oorlog
in hun dorpen en steden had aangericht, vooral diegenen uit de
Westhoek. Sommigen verlieten daarom de streek en besloten zich
ergens anders te vestigen. De anderen, de pioniers, begonnen met
de heropbouw van hun huizen. Het herstel van de landbouw werd
grotendeels door de overheid georganiseerd. Het puin werd geruimd
en de grond werd drooggelegd, geëffend en ontmijnd.
Het grootste probleem was de huisvesting. Sommige mensen improviseerden
kleine optrekjes of gingen in bunkers wonen. Om de grootste woningnood
te lenigen bouwde het in 1916 opgerichte Koning Albertfonds barakken.
De Belgische regering moest snel erkennen dat de gemeenten de
wederopbouw onmogelijk alleen tot een goed einde konden brengen.
Door de wet van 8 april 1919 kregen de verwoeste gemeenten de
kans zich te laten adopteren door de Staat. De geadopteerde gemeenten
ontvingen dan extra financiële hulp, en aanvaardden in ruil
een aantal richtlijnen. In aansluiting op deze adoptiewet werd
de Dienst der Verwoeste Gewesten opgericht, die moest instaan
voor de financiering en de coördinatie van de wederopbouw.
De Rechtbank van Oorlogsschade beslechtte de geschillen op het
gebied van schadevergoedingen. Voor monumenten en openbare gebouwen
mocht de Rechtbank pas beslissingen nemen na advies van de Koninklijke
Commissie voor Monumenten en Natuurschoon. Voor gebouwen met historische
of artistieke waarde kon de Minister voor Wetenschap en Kunst
opteren voor de wederopbouw van het gebouw of het consolideren
van het puin.
Vooral in Ieper, de "martelaarsstad", ontstonden problemen
rond de wederopbouw van bepaalde gebouwen. Deze problemen worden
besproken in het hoofdstuk over Ieper.
De wederopbouw wijzigde de vooroorlogse aanleg van steden en
dorpen nauwelijks. Veranderingen bleven doorgaans beperkt tot
het rechttrekken en verbreden van straten. Wel nieuw waren de
tuinwijken in de periferie van Nieuwpoort, Diksmuide en leper.
Deze projecten waren uitingen van een eigentijdse visie op huisvesting
gebaseerd op de oudere tuinwijkgedachte, en getuigden van de sociaalfunctionele
aanpak van de modernisten. De boerderijen werden zelden op hun
oude fundamenten heropgebouwd, maar werden dichter bij de openbare
weg gebracht.
Voor de wederopbouw bleef de baksteen het bouwmateriaal bij uitstek.
Het gebruik van minder traditionele bouwmaterialen bleef beperkt.
Het kasteel van Elzenwalle te Voormezele, dat in beton werd heropgetrokken,
is één van de zeldzame uitzonderingen op deze regel.
De wederopbouw introduceerde wel een zekere differentiatie. Enerzijds
werden de "historische monumenten", die beschouwd werden
als onmisbare landschappelijke elementen, naar vertrouwd vooroorlogs
aanzicht en soms zelfs 'zuiverder' dan het model gereconstrueerd,
onder meer aan de hand van vooroorlogse restauratie- en opmetingsplannen.
Anderzijds werden de doorsnee gebouwen herbouwd volgens een gevarieerde
architectuur die doorgaans gedomineerd werd door stijlelementen
ontleend aan de baksteengotiek en de plaatselijke Vlaamse renaissance.
Doorgedreven interpretaties van traditionele stijlen zijn zeldzaam
en modernisme is zelfs hoogst uitzonderlijk. Een aantal decoratieve
elementen wijzen op een zekere invloed van de art-deco. In feite
gaat het hier om een uitgesproken 'gevelarchitectuur', met decorvormende
voorgevels die contrasteren met de vlakke, eenvoudige achtergevels.
Kwaliteitsverschillen treden op naargelang van de ligging. Uiteraard
ging de meeste aandacht uit naar het marktplein met eclectische
gevels en soms vermooide openbare gebouwen. Het huidige stadhuis
van Diksmuide bijvoorbeeld verschilt sterk van het vooroorlogse
neogotische bouwwerk.
Bij de wederopbouw werd gekozen voor een nieuw kleedje in de
lokale renaissancestijl, dat beter paste in het regionalistisch
karakter van het vernieuwde marktbeeld. In Nieuwpoort bouwde men
om dezelfde reden een nieuw stadhuis op de markt. In Armentières
wijken het naoorlogse stadhuis en belfort enorm af van de classicistische
bouwwerken van voor de 'Grote Oorlog': beide kregen een 'Vlaamser'
uitzicht en onderstrepen hierdoor het herstelde regionale beeld.
In de dorpen en gemeenten sluit de wederopbouwarchitectuur aan
op de traditionele negentiende-eeuwse dorpsarchitectuur, die een
vereenvoudigde versie van de stadsarchitectuur was. In sommige
dorpen zijn de gemeentehuizen in historiserende stijl heropgebouwd,
waardoor ze zeer herkenbaar zijn.
De wederopgebouwde hoeven vormen het belangrijkste aspect van
de landelijke architectuur. Ze verschillen niet wezenlijk van
de vooroorlogse hoeven: onderdelen, opstelling, aanplanting, bouwmaterialen,
indeling, volume en vorm hebben geen wijzigingen ondergaan. De
wederopbouwstijl was eenvoudig en sloot aan op de regionale negentiende-eeuwse
hoevebouw, al werden streekeigen bouwelementen wel eens (over)geaccentueerd.
In feite waren ze identiek aan de "grondgebonden hoeven"
van voor de technologische en economische landbouwvernieuwingen.
Thans zijn ze op precies dezelfde manier als de bewaard gebleven
vooroorlogse hoeven aangepast aan de behoeften van een modern
landbouwbedrijf.
Globaal kan dus gesteld worden dat wederopbouw de vooroorlogse
draad hervatte. Toch wordt een visuele breuk ervaren tussen het
'wederopgebouwde' landschap en het erbij aansluitende landschap
dat van het oorlogsgeweld gespaard bleef. De nood ontketende immers
een wederopbouwrage waarin het originaliteitaspect van een onder
normale omstandigheden gegroeide architectuur verloren ging. Het
tekort aan authenticiteit verraadt zich hoofdzakelijk in de sterke
benadrukking van, al dan niet vermeende, streekeigen bouwconcepten.
6. Besluit
De Westhoek heeft zwaar geleden tijdens de Eerste Wereldoorlog.
De sporen van de oorlog konden niet volledig worden weggewist:
loopgraven, kraters en bunkers bleven achter als trieste getuigen
van het oorlogsgeweld. Deze werden na verloop van tijd afgewisseld
met monumenten, begraafplaatsen en andere herinneringen die de
bezoeker even doen stilstaan bij de gebeurtenissen van 14-18 en
andere oorlogen uit het verleden en het heden.