HOME

Slagen

Nomenclatuur Gastbijdragen

Het oorlogstoerisme in de Westhoek

 

Hieronder vind je het eindwerk "Het oorlogstoerisme in de Westhoek" dat door Joël Geysen werd gemaakt in 2002. De tekst van het eindwerk werd aangevuld met fotomateriaal van de website www.wo1.be.

Inhoudstafel

Hoofdstuk 2 - De drie frontsteden (vervolg)

2. Diksmuide

De Stad Diksmuide is de grootste gemeente in West-Vlaanderen. De fusiegemeente zelf is samengesteld uit 15 deelgemeenten. De eerste fusie in 1965 voegde Kaaskerke en Esen bij Diksmuide. Een tweede fusie in 1971 breidde Beerst uit met Keiem ; Pervijze met Lampernisse, Oostkerke en Stuivekenskerke; Woumen verloor de parochie Jonkershove (gevoegd bij Houthulst) en Driekapellen werd gevormd uit Oudekapelle, Nieuwkapelle en St. Jacobskapelle. Tenslotte fusioneerde in 1977 met Diksmuide de al dan niet reeds gefusioneerde gemeenten: Beerst, Driekapellen, Leke, Vladslo, Woumen en Pervijze. De Stad Diksmuide heeft een inwonersaantal van 15.443 op 1.1.2000. De helft woont in Diksmuide, Esen en Kaaskerke, die de bebouwde kern vormt van de fusiegemeente. De totale oppervlakte is 15.439 ha.

2.1 Geschiedenis van de stad

Diksmuide ligt op de grens van de kustpolders en de zandleemstreek en ontstond er tijdens de 9de eeuw op de monding van de Handzamevaart of Krekebeek in de Ijzer. Dicasmutha betekent dan ook Dijk aan de monding. De nederzetting ontwikkelde zich tot een haven, waar er rond 960 een kapel, afhankelijk van de huidige deelgemeente Esen, en een markt gesticht werden. In de 12de eeuw werd Diksmuide niet alleen een afhankelijke parochie, maar ook een stad met eigen rechten. In 1270 werd een aarden omwalling aangelegd.

Zuivel- en lakenhandel waren de twee pijlers van de Diksmuidse welvaart. Het verlies bij de Slag van Kassel luidde een donkere periode in. In de 15de eeuw kreeg ook de lakennijverheid zware klappen. De tweede helft van de 17de eeuw bracht in Diksmuide hoofdzakelijk oorlog en beleg, niet in de laatste plaats door de territoriale aspiraties van de Fransen. Samen met het Oostenrijks bewind brak een tijdspanne van grotere politieke en economische stabiliteit aan.

Ook de 19de eeuw was een periode van rust, de stilte voor de storm. In oktober 1914 werd Diksmuide, verdedigd door Belgische en Franse soldaten, onder de voet gelopen door de Duitse troepen. In uitvoering van het von Schlieffenplan wensten de Duitse troepen immers zo vlug mogelijk de IJzer te overschrijden om Calais en Duinkerke te bereiken. Door het openen van de IJzersluizen te Nieuwpoort zetten de Geallieerden echter de IJzervlakte en het Krekedal onder water. De Duitse doortocht werd afgesneden met gevolg dat Diksmuide vier jaar lang in de frontlinie lag. Daardoor kwam Diksmuide volledig verwoest uit de Eerste Wereldoorlog. Ook de Tweede Wereldoorlog spaarde de IJzerstad niet, maar de verwoestingen bereikten niet de omvang van 1914-1918.

Bij de gemeentelijke herindeling van Diksmuide per 1 januari 1977 werden de grenzen van de stad verlegd. De dorpen Beerst, Driekapellen, Leke, Pervijze, Vladslo en Woumen hielden op zelfstandige gemeenten te zijn en werden Diksmuids grondgebied, evenals Esen en Kaaskerke die reeds in 1964 bij Diksmuide werden gevoegd.

2.2 Oorlogsherinneringen in de stad

De twee belangrijkste oorlogsmonumenten in Diksmuide zijn ongetwijfeld de Dodengang en de IJzertoren.

De Dodengang is een opmerkelijk monument in de frontregio. Dit loopgravencomplex uit W.O. I deel uit van de Belgische frontlinie. De Dodengang was de verbindingsgang die de dwarsliggende loopgraven (tranchees of gevechtsloopgraven) met elkaar verbond. Het einde ervan is berucht vanwege de vele slachtoffers die er vielen. Daar bevindt zich het sappenhoofd of de muizenvalbunker, op nog geen 50 meter van het sappenhoofd van een Duitse loopgraaf. De huidige Dodengang is een reconstructie en werd onlangs grondig hersteld. De frontlinie was met het achterland verbonden door Décauvillesporen en verbindingswegen waarlangs munitie, vaderlandertjes, voedsel en manschappen werden aangevoerd.

De Dodengang is gelegen aan de IJzerdijk. De Dodengang is iedere dag geopend vanaf 1 april tot 30 september van 10u tot 12u30 en van 13u tot 17.30u. Van 1 oktober tot 15 november is het monument enkel geopend op weekdagen. Het domein is toegankelijk tot 30 minuten voor sluitingstijd. De toegang is gratis.

Over de IJzertoren kan u meer lezen in het hoofdstuk over musea.

Een derde belangrijk monument is het Onze-Lieve-Vrouwehoekje. Dit was tijdens 1914-1918 een Belgische voorpost in de overstroomde IJzervlakte, waar de pater-franciskaan Martial Lekeux, als officier de 'Grote wacht' leidde. De kapel ter ere van Onze-Lieve-Vrouw der Zege, enkele monumenten en een demarcatiepaal verwijzen naar de gebeurtenissen aan de IJzer.

Een andere belangrijke voorpost was het Viconia Kasteel in Stuivekenskerke. Momenteel is dit kasteel omgebouwd tot een kasteelhoeve waar men kan overnachten in één van de 50 bedden. Aan de ingang van het kasteel staat een Albertina Marker.

Tot de kleinere monumenten op het grondgebied behoren:

- Gedenkteken Franse Marine Fusiliers (Diksmuide)
- Gedenkteken Petroleumtanks (Diksmuide)
- Standbeeld Generaal Baron Jacques (Diksmuide)
- Monument 22ste en 23ste Linieregiment (Schoorbakken)
- Monument gesneuvelden 1914-1918 (Esen)
- Franse bunker (Oudekapelle)
- Monument gesneuvelden 1914-1918 (Woumen)
- Gedenkplaat gemeentehuis (Woumen)
- Gedenkplaat Blankaart (Woumen)

3. Nieuwpoort

Veel mensen associëren Nieuwpoort met "zon, zee en strand", maar toch heeft deze badplaats een belangrijke rol gespeeld tijdens de Eerste Wereldoorlog. Nieuwpoort was het meest westelijke punt van de frontlinie. In deze stad, bestaande uit Nieuwpoort-Stad, Nieuwpoort-Bad, Ramskapelle en Sint-Joris, zijn nog talloze monumenten terug te vinden die deze woelige periode herdenken.

3.1 Geschiedenis van de stad

De delta van de IJzer wijzigde zich vaak tijdens het vormingsproces van de Vlaamse Kust. Zo ontstonden er door verzanding en aanslibbing eilanden in de IJzerdelta. Eén daarvan heette Sandeshove of Zandhoofd, een zanderige strandrug in de IJzermonding die in de negende eeuw bewoond was en de oervorm van Nieuwpoort was.

Na de verwoesting door de Noormannen in 820 en de zoveelste overstroming legde de IJzer zich in een andere plooi en werd Sandeshove gedeeltelijk onbewoonbaar. De schaarse bewoners bouwden een nieuwe nederzetting in de duinen.

De officiële stichting van Nieuwpoort dateert van 1163, door Filips van de Elzas die de kleine nederzetting een keure verleende met voorrechten voor wie zich daar vestigde. Dat Nieuwpoort gesticht werd en niet spontaan groeide, blijkt ook uit de planmatige rechtlijnigheid waarmee de stad werd uitgebouwd. De vierkante markt werd op het hoogste deel van de duinenrug van Sandeshove aangelegd. Straten en woonblokken werden in dambordvorm rond de markt getrokken en namen zoals Hoogstraat en Kokstraat herinneren nog aan die hoge duinen. In de laagte van Sandeshove lag de haven aan de dam.

Nieuwpoort was voor Filips van de Elzas een bewuste keuze, zoals hij ook Grevelingen en Damme stichtte als havens en handelsnederzettingen aan de Vlaamse kust. Nieuwpoort was de voorhaven voor Diksmuide, leper en Brugge. De poorters van Nieuwpoort kregen daardoor handelsvrijdom in heel Vlaanderen. Hun handel bestond vooral uit vis maar ook producten uit het binnenland werden vanuit Nieuwpoort verscheept.

Nieuwpoort werd ook een versterkte stad. Stichter Filips van de Elzas liet in 1163 grachten en aarden wallen graven. In 1213 verwoestte het Franse leger de stad en de versterkingen. Daarop liet de graaf een burcht bouwen. In 1284 liet Gwijde van Dampierre deze burcht nog versterken. Dit gebeurde bijna gelijktijdig met de bouw van de Sint-Laurentiustoren, die meer als een versterking dan als een kerktoren werd opgetrokken. Het was een goede ingeving want in de veertiende eeuw werd Nieuwpoort voortdurend belegerd.

Het begon al in 1299, nadat Gwijde door de Franse koning gevangen was gezet en Nieuwpoort voor de tweede keer door de Fransen werd ingenomen. Na de GuldensporenSlag (1302) en de Slag bij Kassel (1328) wemelde het in de kuststreek van Franse troepen die weerwraak namen. Nieuwpoort werd voor de derde keer belegerd en ingenomen.

In 1337 begon de Honderdjarige Oorlog tussen Frankrijk en Engeland en Nieuwpoort was vaak de inzet van de strijd. In 1382 werd de stad maandenlang belegerd door de Gentenaars en de Engelsen en uiteindelijk in brand gestoken en totaal verwoest. Deze vernieling was het sein voor de eerste Bourgondische hertog, Filips de Stoute, om naast de heropbouw van de stad ook versterkingen op te trekken die weerstand konden bieden aan de nieuwe krijgskunst met buskruit.

Nieuwpoort was oninneembaar, zoals in 1489 bleek, toen de stad de zijde koos van aartshertog Maximiliaan van Oostenrijk en door een leger met 24.000 Fransen, Bruggelingen en Gentenaars voor de vijfde keer werd belegerd. De stad werd, na een beleg van een maand, niet ingenomen. Maximiliaan beloonde Nieuwpoort en rond 1500 kende Nieuwpoort een forse aanwas van de bevolking die op zoek was welvaart en veiligheid.

Nog was het niet gedaan, want de godsdienstoorlogen in de zestiende eeuw tussen de katholieke Spanjaarden en de calvinistische en protestantse Geuzen, die door Frankrijk werden gesteund, troffen ook Nieuwpoort. Om de vechtenden wat rust te gunnen werd in 1576 een wapenstilstand gesloten waarbij Nieuwpoort gedurende zeven jaar in pand werd gegeven aan de Hollanders van de prins van Oranje. Later keerden de Spanjaarden terug. Achtentwintig mensen stierven tijdens de inquisitie in Nieuwpoort op de brandstapel.

Nieuwpoort lag rond 1600 op de grens tussen Frankrijk en Spanje, twee mogendheden die Vlaanderen als slagveld gebruikten. De stad werd opnieuw belegerd omdat het een garnizoensstad was van de Spanjaarden terwijl Oostende nog in handen was van de Geuzen. Aartshertog Albrecht viel Oostende aan. Prins Maurits van Nassau kwam de Geuzen te hulp en viel de Spanjaarden in Nieuwpoort aan. Dat was de Slag bij Nieuwpoort die op 2 juli 1600 in de duinen van Lombardsijde uitgevochten werd. Albrecht werd in de duinen verslagen, maar het Spaanse garnizoen in de stad hield stand. Zij openden de sluizen en de Hollandse troepen moesten zich terugtrekken in Oostende. Op 4 september 1604, na drie jaar en twee maanden beleg, eindigde de strijd met de val van Oostende. Al die tijd verbleven de aartshertog Albrecht en Isabella in het Duynenhuis in Nieuwpoort.

In 1713 legde de Franse vestingbouwer Vauban een moderne versterking rond de stad, maar die werd tijdens het Oostenrijkse bewind op bevel van Keizer Josef II gesloopt. Na de Franse revolutie werd de stad terug ingenomen door de Fransen en werden de vestingen heropgebouwd. Toen in 1815 Napoleon verslagen werd, ging Nieuwpoort een rustige eeuw tegemoet. De vestingen werden in 1861 definitief gesloopt.

3.2 Oorlogsherinneringen in de stad

De grootste en meest indrukwekkende monumenten vindt men terug bij het sluizencomplex, bij velen beter gekend als de "Ganzepoot". Van hieruit werd de frontstreek via de afwateringskanalen onder water gezet. Op 21 oktober 1914 liet generaal Dossin het sas van de Kreek van Nieuwendamme openzetten. Schippersknecht Hendrik Geeraert uit Nieuwpoort knapte het karwei bij hoogtij en in het donker op. Zo liepen eerst het gebied tussen het kanaal naar Plassendale en de rechtgetrokken IJzer en vervolgens de polders van Vladslo-Ambacht onder water. Helaas te traag en niet efficiënt genoeg om de Duitse druk op de IJzerlinie te verzachten. Karel Cogge, een sluiswachter uit Veurne, legde op verzoek van de legerleiding een gedetailleerd plan voor om het hele gebied tussen de IJzer en de spoorwegbedding Nieuwpoort-Diksmuide onder water te zetten. In de nacht van 29 op 30 oktober 1914, terug bij hoogtij, ging Hendrik Geeraert opnieuw op pad, vergezeld van een peloton Karabiniers-Wielrijders, om de stuwen van de Noordvaart open te zetten. Dit keer deed het water wat er van haar verwacht werd en kon de Duitse opmars tegengehouden worden. De oorlog evolueerde van een bewegingsoorlog naar een loopgravenoorlog.

Net naast de "Ganzenpoot" werd na de oorlog het Koning Albert Monument opgericht. Dit monument, dat van op een grote afstand waarneembaar is, werd opgericht op initiatief van de oudstrijdersverenigingen van de Eerste Wereldoorlog. Het gedenkteken werd op 24 juli 1938 onthuld, in aanwezigheid van H.M. Koningin Elisabeth, Koning Leopold III, Prins Karel, Prins Boudewijn en Prinses Joséphine-Charlotte. Om de ontwerper van dit monument aan te duiden, werd een wedstrijd georganiseerd waaraan enkel oud-strijders mochten deelnemen. De opdracht luidde: elke beeldhouwer moest, in samenwerking met een bouwkundige, een maquette vervaardigen op schaal 1/10. Na verloop van tijd werd het oorspronkelijke reglement gewijzigd en konden de beeldhouwer en de bouwkundige afzonderlijk beoordeeld worden. Beeldhouwer Karel Aubroeck en bouwmeester Julien De Bondt werden tot winnaars uitgeroepen en men kon beginnen aan de bouw van dit monument. Het monument is cirkelvormig en heeft een diameter van 30m. Twintig balkvormige zuilen, met een vlakke doorsnede van 2m op 1m dragen een ringbalk van 100m omtrek. Dit alles werd gebouwd op een kruisvormig terras van 2.500m². Het ruiterstandbeeld van Koning Albert, in het midden van de zuilenkring, is 4m hoog en staat op een voetstuk van 4m hoogte. Op de binnenplaats zijn twee gedichten in gulden letters gegraveerd. De Nederlandse tekst is van August Van Cauwelaert, de Franse tekst is van Maurice Gauchez. Boven op de zuilenkring is een wandelgang, bereikbaar via een wenteltrap of lift. Van daaruit heeft men een goed uitzicht over het vroegere front. Oriënteringstafels duiden de belangrijkste plaatsen aan (Diksmuide, Dodengang, Ramskapelle,…). Het monument werd opgetrokken uit baksteen van groot formaat uit klei, gedolven langs de IJzer. In talrijke stenen zitten nog metaalresten, afkomstig van granaatscherven. Het monument is vrij toegankelijk. Enkel voor een bezoek aan de wandelgang moet men een kleine bijdrage betalen.

Op de parkeerplaats van het Koning Albert Monument bevindt zich het Britse Monument. Dit monument herdenkt 566 Britse soldaten die sneuvelden tijdens de Slag om Antwerpen (oktober 1914) en de IJzerfrontgevechten (juli 1917). Hun namen zijn gegraveerd op bronzen platen die aan de zijden van het monument zijn aangebracht. Het monument bestaat verder uit een witte obelisk die bewaakt wordt door drie liggende leeuwen.

Iets verder staat het IJzergedenkteken, half verstopt tussen de bomen. Dit monument werd ontworpen door Pieter Braecke en stelt een vrouw voor die zich afwendt van een denkbeeldige vijand en de Belgische kroon beschermt met haar handen. De vier figuren onderaan (een blinde, een gekwetste, een zieke en een weerbare soldaat) stellen de pijnlijke strijd voor. Op deze plaats bevond zich, tijdens de oorlog, een schuilplaats voor de sluiswachters.

Net naast het IJzergedenkteken staat een Albertina Marker die de onderwaterzetting van de IJzer herdenkt. Verschillende andere gedenkplaten in de buurt herinneren aan deze gebeurtenis. Boven de ingang van herberg "De Sluiswachter" staat een buste van Hendrik Geeraert. Aan de Witte Brug bevindt zich een demarcatiepaal.

Tijdens een wandeling door Nieuwpoort-Stad kan de bezoeker veel te weten komen over de militaire geschiedenis van de stad (Slag van Nieuwpoort in 1600, Nieuwpoort als vestingstad,…), maar slechts enkele monumenten hebben betrekking tot de Eerste Wereldoorlog. In de W. De Roolaan bevindt zich de Sint-Laurentiustoren of Duvetorre. Deze ruïne was in de 13de eeuw een onderdeel van de Sint-Laurentiuskerk. Filips de Stoute maakte er in 1383 een kasteeltje van. De Spanjaarden en de Hollanders integreerden de toren in de stadsomwalling als kruittoren. Tijdens de oorlog werd de toren gebruikt als observatiepost. Beschietingen in 1916 gaven de toren haar huidige uitzicht. Een eindje verder in de straat, net naast de Onze-Lieve-Vrouwekerk, bevindt zich het Nieuwpoorts Monument voor de Gesneuvelden, een eenvoudige bronzen gedenkplaat. Ten slotte vindt men overal in de stad gedenkplaten terug voor de sluiswachters.

Tussen Nieuwpoort-Stad en Ramskapelle vindt men drie begraafplaatsen terug: de gemeentelijke begraafplaats, het Belgisch Militair Kerkhof van Ramskapelle en Ramscappelle Road Military Cemetery.

Op de gemeentelijke begraafplaats vindt men, tussen de graven van enkele Belgische en Britse soldaten, het Hendrik Geeraert Monument, ter ere van de "held der overstrooming". Een paar meter verder bevindt zich Ramscappelle Road Military Cemetery, een Britse begraafplaats waar 830 Britse, 2 Canadese, 7 Australische en 1 Zuid-Afrikaanse soldaten begraven liggen. Ze zijn allen gesneuveld tijdens Duitse aanvallen op Nieuwpoort in de zomer van 1917. Opvallend aan deze begraafplaats zijn het grote aantal onbekende soldaten (313) en de twee onbekende Duitse soldaten die samen in één graf liggen. Ongeveer 500 meter verder ligt de Belgische Militaire Begraafplaats van Ramskapelle. Dit kerkhof, dat minder verzorgd is dan de Britse begraafplaatsen, telt 623 graven. Ook hier vindt men een groot aantal onbekende soldaten terug (400). De meeste soldaten sneuvelden tijdens de Slag aan de IJzer tussen 18 en 31 oktober 1914. De graven zijn in een halve cirkel gelegd en naar Nieuwpoort gericht. Het kerkhof ligt naast de oude spoorwegbedding. Deze was ooit de frontlinie, maar is nu omgebouwd tot een toeristisch fietspad. Op en rond het fietspad, dat van Nieuwpoort naar Diksmuide gaat, kan men nog vele restanten van de oorlog (bunkers, schuilplaatsen, versterkingen, …) bezichtigen. Net naast het kerkhof staat een Albertina Marker die de Slag aan de IJzer herdenkt.

In Ramskapelle bevinden zich verschillende monumenten ter ere van Belgische regimenten. Het dorpje werd in oktober 1914 heroverd door de Belgen, in samenwerking met de Fransen. Op het kerkplein vindt men een monument terug ter ere van de Franse 16iéme Chasseurs en het Belgische 6de Linieregiment. Tussen de kerk en de ruïnes van het oude station liggen 3 kleine monumenten ter ere van het 14de Linieregiment. Het oude station werd tijdens de Eerste Wereldoorlog gebruikt als observatiepost. Nadat het in 1918 verlaten werd, is er niets meer aan veranderd. Alleen de originele zandzakjes zijn vervangen door betonnen exemplaren. Verder bevindt zich voor het parochiehuis een monument ter nagedachtenis van de oorlogsslachtoffers van 1914-1918 en aan de rand van het dorp is een klein vredesparkje ingericht met een miniatuurmolen en een demarcatiepaal .

In Sint-Joris zijn er 2 monumenten terug te vinden, namelijk het Monument voor het 7de Linieregiment en het Monument voor het 14de Linieregiment.

In Nieuwpoort-Bad kan men ten slotte een demarcatiepaal terugvinden op een rondpunt net naast de haveningang.