HOME

Slagen

Nomenclatuur Gastbijdragen

Het oorlogstoerisme in de Westhoek

 

Hieronder vind je het eindwerk "Het oorlogstoerisme in de Westhoek" dat door Joël Geysen werd gemaakt in 2002. De tekst van het eindwerk werd aangevuld met fotomateriaal van de website www.wo1.be.

Inhoudstafel

Hoofdstuk 6 - Begraafplaatsen

In ons land alleen liggen ongeveer 520.000 gesneuvelden uit WO 1 begraven, waarvan tussen 27.000 en 40.000 Vlaamse en Waalse gesneuvelden. Er zijn 21 Belgische militaire begraafplaatsen met in totaal 15.790 graven. De 19.000 Franse doden liggen verspreid over 22 begraafplaatsen waarvan 11 in West-Vlaanderen. België telt 134.000 Duitse graven. Het aantal Duitse vermisten wordt op 90.000 geraamd. Aan het einde van de Eerste Wereldoorlog waren de Duitse Militaire Begraafplaatsen verspreid over 678 parochies. In Langemark alleen al waren er 15 begraafplaatsen, variërend tussen de 54 en de 1562 graven. Verder waren er duizenden individuele graven langs de kant van de weg, in velden, in bossen en op andere begraafplaatsen. Het aantal Britse doden in ons land bedraagt 139.000, verspreid over 393 kerkhoven. Daarnaast zijn er nog 102.000 vermisten wier namen vermeld staan op de Menenpoort te Ieper en de Missing Memorials te Passendale en Ploegsteert.

1. De Geallieerde Begraafplaatsen

1.1 Britse Begraafplaatsen

1.1.1 Commonwealth War Graves Commission

In september 1914 kwam Fabian Ware (geboren te Clifton op 17 juni 1896) neer het front om te werken als vrijwilliger voor het Rode Kruis. Hij moest ervoor zorgen dat de gewonden veilig van het slagveld naar een hospitaal gebracht werden. Uit eigen initiatief nam hij nota van de identiteit en de begraafplaats van gesneuvelde soldaten, verzamelde hun persoonlijke bezittingen en stuurde die met een schrijven met aanduidingen over de omstandigheden van de dood en de begraafplaats naar de familie.

Dit zou aanleiding geven tot het oprichten van de Imperial War Graves Commission bij koninklijk besluit op 21 mei 1917 en met Fabian Ware als voorzitter. In 1940 werd besloten het werkterrein uit te breiden tot de gesneuvelden van de Tweede Wereldoorlog en in 1960 werd de commissie omgedoopt tot Commonwealth War Graves Commission. Groot-Brittannië, Canada, Australië, Nieuw-Zeeland, India en Zuid-Afrika zijn leden van de commissie. Hun aandeel in de kosten van de commissie staat in directe verhouding tot hun aantal gesneuvelden.

Het opzet en de functie van de commissie zijn het onderhoud en het voortdurend herdenken van de bijna twee miljoen soldaten, die in beide Wereldoorlogen omkwamen en rusten op meer dan 2.500 begraafplaatsen, verspreid over 140 landen. Degenen die vermist zijn ("missing") worden herdacht op meer dan 140 "memorials" in de gebieden of landen waar zij vochten en stierven. Eén van de belangrijkste principes van de commissie is dat van gelijkheid van opoffering. Iedere dode wordt dus individueel herdacht bij naam en allen worden ze als gelijken behandeld, ongeacht afkomst, ras of religie. Ook het onderhoud van de verschillende oorlogsmonumenten behoort tot hun verantwoordelijkheid.

De huidige voorzitter van de commissie is de Hertog van Kent en de hoofdzetel is gevestigd in:

Commonwealth War Graves Commission
2, Marlow Road, Maidenhead
Berkshire SL6 7DX - Engeland
Tel: 01628-342211
Fax: 01628-771208

De Belgische zetel is gelegen aan de Elverdingestraat 82 in Ieper. Telefonisch te bereiken op 057-200118. Bezoekers kunnen hier terecht voor alle informatie over de begraafplaatsen, ook als ze het graf van een bepaalde persoon zoeken.

1.1.2 Those Silent Cities

De begraafplaatsen worden soms ook wel "Silent Cities" genoemd. Aan de ingang van iedere Britse militaire begraafplaats in Vlaanderen wordt in het Nederlands, Frans en Engels vermeld, dat de grond een gift is van de Belgische bevolking voor de eeuwigdurende rustplaats van de gevallenen die hier begraven liggen. Deze overeenkomst werd gesloten te Le Havre op 9 augustus 1917. De begraafplaatsen zijn ontworpen door 4 belangrijke architecten, Sir Herbert Baker, Sir Reginald Blomfield, Charles Holden en Sir Edwin Lutyens, die elk hun eigen stijl hadden. Deze vier "Prinicipal Architects" hadden meerdere medewerkers.

Het uitzicht van de begraafplaatsen is uniform, elke begraafplaats heeft:

Headstones

De "Headstones" (zerkjes of grafstenen) zijn vervaardigd uit witte Portland cement, afkomstig uit de steengroeven van Portland Island in Dorset, of in sommige gevallen in de meer donkere Hoplandsteen, uit de steengroeven van Hopton Wood. Ze hebben allemaal dezelfde afmetingen (75 cm hoog x 38 cm breed x 12 cm diep).

Bovenaan de headstone is het embleem van het regiment van de gevallen soldaat afgebeeld. Voor de Australiërs is dit de rijzende zon (met zonnestralen), voor de Canadezen hun nationaal symbool de "Maple Leaf' of esdoorn, voor de Nieuw-Zeelanders het liggende varenblad en voor de Zuid-Afrikanen de kop van de springbok. Daaronder komt het rangnummer (niet voor de officieren), naam en voornaam (met de initialen), evenals de datum van overlijden.
Het religieuze embleem is het kruis voor christenen in de brede betekenis (rooms-katholiek, anglicaan, methodist, baptist, ...) of de Davidster voor de Joden. Wanneer men niet wist welk geloof de gesneuvelde had of indien hij geen geloof beleed, liet men dit achterwege. De zerkjes die aan vernieuwing toe zijn, worden vervangen door grafstenen van betere kwaliteit uit Italiaanse Botticini-steen uit de streek van Brescia. Onderaan de grafsteen was er plaats voorzien waarop de familie een vers uit de bijbel, een diepzinnige spreuk of een persoonlijke bedenking van maximum 18 woorden kon aanbrengen tegen betaling van 1 penny per woord.

De schrijver-dichter Rudyard Kipling kon ervoor zorgen dat volgende standaard inscripties op de grafstenen van de niet te identificeren gesneuvelden aangebracht werden:

- A soldier of the Great War
- Known unto God
- Believed to be burried in this cemetery
- Known to be burried in this cemetery
- But whose grave was later destroyed by artillery fire
- Burried near this spot
- Their glory shall not be blotted out

De headstones worden omzoomd door front borders en back borders. Deze worden niet alleen aangelegd om de eentonigheid van de begraafplaats wat te breken, maar zijn ook aangebracht opdat de klimatologische omstandigheden de zerk niet te zeer zouden aantasten. Heel dikwijls worden vooraan polyantharozen aangeplant.

The Stone of Remembrance

Architect Sir Edwin Lutyens vatte het idee op, op de militaire begraafplaatsen een altaarsteen te plaatsen, ten behoeve van de godsdienstige plechtigheden, die kort na de Eerste Wereldoorlog en in de twintiger jaren voorkwamen. Rudyard Kipling, wiens zoon als jonge luitenant in Loos (Noord-Frankrijk) in november 1914 sneuvelde, koos uit de Bijbel de volgende tekst uit "Eeclestiasticus":

"THERE NAME LIVETH FOR EVERMORE"

De standaardafmetingen van een Stone of Remembrance zijn 3,5 meter lang en 1,5 meter hoog. Er zijn drie treden. De gedenksteen komt enkel op begraafplaatsen vanaf 1000 graven voor.

The Cross of Sacrifice

Architect Sir Reginald Blomfield tekende een stenen kruis met een symbolisch bronzen zwaard er in verwerkt. Dit "Cross" moest het militaire karakter van de begraafplaats verzoenen met het religieuze aspect. De hoogte van dit opofferingskruis varieert, naargelang de grootte van de begraafplaats, tussen 4,5 en 9 meter.

Kipling Stones

Dit zijn kleine, speciale "memorials" of gedenkstenen op sommige begraafplaatsen, ter herinnering aan door Duits artillerievuur vernielde graven, ofwel aan graven verdwenen uit niet meer bestaande begraafplaatsen.

Elke Britse begraafplaats is bijzonder. Ofwel heeft het een aparte geschiedenis, ofwel liggen er beroemdheden begraven, ofwel vindt men er speciale monumenten. Omdat een volledig overzicht van alle begraafplaatsen te uitgebreid gaat worden, kan men hieronder enkele van de belangrijkste begraafplaatsen vinden.

ESSEX FARM CEMETERY

Op Essex Farm Cemetary liggen, op een oppervlakte van 6032 m², 1.185 soldaten begraven, waaronder 1.107 Britten, 9 Canadezen, 5 Duitsers en 83 ongeïdentificeerde soldaten. Verder zijn er een aantal Kipling Stones ter nagedachtenis van 19 Britse soldaten die hier vermoedelijk begraven zijn.

Het jongste oorlogsslachtoffer op dit kerkhof is Valentine J. Strudwick, een soldaat uit de Rifle Brigade. Hij sneuvelde op 14 januari 1916 op vijtienjarige leeftijd. Officieel was hij te jong om ingeschreven te zijn bij het leger, maar tijdens de oorlogsjaren waren er veel tieners die een valse leeftijd opgaven om hun deel te kunnen doen voor 'For King and Country'. Als men nadien toch te weten kwam dat iemand te jong was, werd dit meestal genegeerd omdat men alle soldaten nodig had.

Tijdens de oorlog fungeerde Essex Farm, genoemd naar een nabijgelegen boerderij waar het Essex Regiment was ondergebracht, als een Advanced Dressing Station, een eerste belangrijke hulppost van de Field Ambulances. Hier kregen de gewonden de eerste verzorging. Nadien werden ze vervoerd naar een Casualty Clearing Station.

Op Essex Farm bevinden zich kazematten of dug-outs, bomvrije schuilplaatsen, waarin tijdens de Eerste Wereldoorlog het noodhospitaal werd ingericht. Het complex bestaat uit vijf rechthoekige kamers en twee gangen die elk een westelijke ingang hebben. De kamers hebben schuin oplopende wanden en in de versterkte ruimtes bevinden zich haakse steunmuurtjes. De dug-outs zijn gerenoveerd en open voor het publiek.

De dug-outs danken hun bekendheid aan de Canadese legerarts John McCrae die er op 3 mei 1915 zijn beroemde gedicht "In Flanders Fields" schreef. Als vrijwilliger kwam hij in oktober 1914 terecht aan het Vlaamse front. Tijdens de Tweede Slag om Ieper werkte hij hier in het noodhospitaal langs de oever van het Ieperleekanaal. Het gedicht is uitgegroeid tot een zinnebeeld van offer en dood en maakte de Vlaamse klaproos tot een internationale vredesbloem.

Ter nagedachtenis van deze dichter, die op 28 januari 1918 te Wimereux stierf ten gevolge van astma die hij tijdens een gasaanval te Boezinge had opgelopen, werd in de nabijheid van het kerkhof een gedenksteen onthuld in 1985.

Net voorbij de Stone of Remembrance loopt een bruggetje over de Ieperlee (hier een gerioleerde beek) en begint de beklimming naar het gedenkteken van de 49th West Riding Division, een divisie die hier tussen 1915 en 1918 gelegerd was.

Wat verder links van het kerkhof ligt Bard Cottage Cemetery waar meer dan 1600 Britse soldaten begraven liggen. Nog iets verderop naar links, te midden van de velden, ligt het Talana Farm Cemetery met 529 Britse graven.

BEDFORD HOUSE CEMETERY

Bedford House Cemetery ontstond in het park van het vroegere kasteel Rosendael. Het kasteel zelf is vernield, maar de toegangsweg, de grachten, de ijskelder en de onderbouw bleven behouden. De ruïnes dienden tijdens de oorlog als onderdak voor verschillende hulpposten van de Field Ambulances en als onderdak voor de hoofdkwartieren van verschillenden regimenten, waaronder het Bedfordshire Regiment.

De begraafplaats bestond oorspronkelijk uit verschillende kleinere begraafplaatsen die na de oorlog samengevoegd werden, sommige van elkaar gescheiden door een gracht. Hierdoor verkreeg deze begraafplaats zijn merkwaardige vorm.Op Bedford House Cemetery rusten 4.500 Britse, 350 Canadese, 200 Australische, 30 Nieuw-Zeelandse, 20 Zuid-Afrikaanse en 20 Indische soldaten. Opvallend zijn ook de twee ronde tempeltjes ter ere van de Indische slachtoffers en een groot aantal naamloze graven (bijna 60%), die het opschrift 'Known unto God' dragen.

TYNE COT CEMETERY

Tyne Cot is het grootste militaire kerkhof in België. Hier rusten 11.871 soldaten, waarvan 70% onbekend is. Op het terrein is een Memorial to the Missing, bestaande uit een halfcirkelvormige wand met naampanelen , waarin 34.984 namen van soldaten die vermist geraakten tussen 16 augustus 1917 en 11 november 1918. De meeste soldaten, zowel degene die hier begraven liggen als degene die herdenkt worden, zijn gevallen tijdens de strijd om Passendale.

De eerste drie jaar van de oorlog was het terrein een gedeelte van de Duitse loopgravenstelsels. De vijf bunkers die nu nog op het terrein staan zijn dan ook van Duitse afkomst. Nadien werden ze wel door de Britten gebruikt. Op één van de bunkers werd na de oorlog het offerkruis geplaatst.

De naam Cot is afgeleid van het Engelse woord cottage wat hoeve betekent. De ruw afgewerkte Duitse bunkers zagen er volgens sommige Britten uit als een hoeve. De Tyne is een rivier die door Northtumberland vloeit en diezelfde naam werd gegeven aan een beek in de buurt van het kerkhof. De naam Tyne Cot komt sinds 1917 voor op de Engelse stafkaarten.

1.2 Franse Begraafplaatsen

Op 18 februari 1916 werd het Service Général des Pensions opgericht, een onderdeel van het Franse leger. Zij moest zich bezighouden met het groot aantal gesneuvelde soldaten. Na de oorlog, op 25 november 1918, werd een nationale commissie opgericht die moest toezien op de architectuur van de begraafplaatsen. Iedere begraafplaats moest uniform zijn. Op 27 januari 1920 werd het Ministère de Pensions opgericht dat de taken van de andere verenigingen overnam.

Alle Franse begraafplaatsen zijn identiek. De christelijke soldaten kregen een eenvoudig kruis, voor andere godsdiensten was er een grafsteen voorzien. Elke begraafplaats is gebouwd rond een centrale weg die naar de Franse vlag leidt. Onbekende soldaten zijn bijgezet in een massagraf. Het is toegelaten om ter ere van bepaalde soldaten of regimenten een monument op te richten op het kerkhof.

Het bekendste Franse kerkhof in de Ieperboog is het St.-Charles de Potyze in Ieper. Op dit kerkhof rusten 3.547 soldaten, waarvan 609 in een massagraf.

Voor meer informatie over de begraafplaatsen, kan men best contact opnemen met:

Ministère des anciens Combattants et Victimes de Guerre, Délégation à la Mémoire et à l'Information Historique, 37, rue de Bellechasse, 75007 Paris, France

1.3 Belgische Begraafplaatsen

De Belgische begraafplaatsen vallen onder de verantwoordelijkheid van het departement Militaire Begraafplaatsen van het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Voor meer informatie over een bepaald kerkhof of een gesneuvelde, dan kan men best contact opnemen via:

Ministerie van Binnenlandse Zaken - Militaire Begraafplaats
Koningstraat 64/66
1000 Brussel
Tel: 02-5002289

De Belgische begraafplaatsen verschillen enorm hard van de Silent Cities van de Britten. De grafsteen bestaat uit een grijze steen waarop een bronzen plaat is vastgezet. Bovenaan de steen vindt men de Belgische driekleur of de Vlaamse Leeuw terug. Op de plaat staat meer informatie over de gesneuvelde. In tegenstelling tot de Britse begraafplaatsen zien de Belgische er wanordelijker uit en in verschillende gevallen ook minder goed onderhouden. Net zoals bij de Silent Cities vindt men er een gastenboek en een register terug. In de gastenboeken vindt men naast de "Nooit meer oorlog"-wens ook veel kritiek terug op het onderhoud van deze begraafplaatsen.

Enkele belangrijke Belgische Begraafplaatsen zijn:

Belgische Militaire Kerkhof van Houthulst

Deze begraafplaats telt 1826 graven van Belgische soldaten, de meesten gesneuveld tijdens het eindoffensief. De begraafplaats ligt op dezelfde plaats waar de veldslag van 28 september 1918 plaatsvond. De graven werden in de vorm van de Amerikaanse ster ingeplant, als eerbetoon aan alle gesneuvelden. Opmerkelijk zijn de 81 graven van Italiaanse soldaten achteraan het kerkhof. Op 4 mei 1915 trad Italië uit de Triple Alliantie met Oostenrijk en Duitsland en koos voor de geallieerden. Op 7 juli 1915 valt Italië Oostenrijk aan en zoals in de meeste veldslagen worden ook hier krijgsgevangenen gemaakt.

De Italiaanse krijgsgevangenen worden door de Duitsers en de Oostenrijkers als dwangarbeiders gebruikt. Sommigen worden naar Houthulst overgeplaatst om via de smalspoorwagonnetjes in het bos van Houthulst munitie naar de linies te brengen. Bij het bevrijdingsoffensief worden ze door de Duitsers in de vuurlinie geplaatst waar ze door de Belgen worden doodgeschoten.

Belgisch Militair Kerkhof van Ramskapelle

Op dit kerkhof liggen 623 Belgische soldaten begraven. Ze stierven bijna allemaal in de eerste dagen van de Slag om de IJzer. Opvallend is het grote aantal onbekende soldaten (400).

Belgisch Militair Kerkhof van Adinkerke

Adinkerke, een deelgemeente van De Panne, lag tijdens de Eerste Wereldoorlog achter het front. Op dit kerkhof, gelegen achter de kerk van Adinkerke, rusten 1647 Belgische soldaten, 30 Britse soldaten en 2 onbekende soldaten. De meeste stierven in het militaire hospitaal van De Panne, "De Oceaan".

Belgisch Militair Kerkhof van De Panne

Op dit kerkhof rusten 3748 gesneuvelde soldaten, waarmee dit kerkhof het grootste van zijn soort is. De meeste graven zijn afkomstig uit kleinere begraafplaatsen op het front die na de oorlog moesten verdwijnen.

Belgisch Militair Kerkhof van Keiem

Op dit kerkhof rusten 628 gesneuvelde soldaten van het 8ste en 13de linieregiment die hun leven gaven bij de mislukte herovering van Keiem en de verwarde aftocht naar Tervaete.

Belgisch Militair Kerkhof van Oeren en van Steenkerke

Op het kerkhof van Oeren rusten 509 gesneuvelde soldaten en op het kerkhof van Steenkerke 507 Belgische soldaten en 30 Britten . Tijdens de Eerste Wereldoorlog lag dit gedeelte achter het front. In de omringende velden waren hospitalen, opslagplaatsen en de artillerie.

2. De Duitse Begraafplaatsen

Tijdens de oorlog werden de Duitse begraafplaatsen verzorgd door afdelingen van het leger, maar die werden na de oorlog ontmanteld. De enige officiële instantie die zich na 1918 bezighield met het onderhoud en de organisatie van Duitse begraafplaatsen was de Central-Nachweise-Ant. Door het verdrag van Versaille werd deze taak overgenomen door de overheden van de landen waar de begraafplaatsen zich bevonden. In 1919 stichtte een oud-strijder, Dr. Siegmund Emmo Eulen, die zich in de oorlog reeds bezighield met de Duitse begraafplaatsen een vereniging van vrijwilligers die instonden voor het onderhoud van de verschillende begraafplaatsen. Deze vereniging kreeg de steun van verschillende politici, auteurs en kunstenaars en op 26 november 1919 hield ze haar eerste vergadering onder de naam Deutsche Kriegsgräberfürsorge. Op 13 december 1919 werd ze omgedoopt tot de Volksbund Deutsche Kriegsgräberfürsorge. De taken van deze vereniging zijn te vergelijken met die van de Commonwealth War Graves Commission.

Na de Eerste Wereldoorlog waren er in West-Vlaanderen talloze Duitse begraafplaatsen en individuele graven.Ook op Britse, Franse en Belgische begraafplaatsen lagen Duitsers begraven. In 1925 bereikten de Belgische en de Duitse overheid een overeenkomst die inhield dat er een officieel orgaan kwam voor de Duitse begraafplaatsen in België, dat samenwerkte met de Belgische overheid, de Franse Service de Pensions en de Commonwealth War Graves Commission. De bureaus van deze organisatie waren gevestigd in Gent en in Ieper. Deze organisatie werkte samen met de Volksbund Deutsche Kriegsgräberfürsorge. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd deze organisatie ontmanteld en werden haar taken overgenomen door het Rode Kruis en de "Onze Graven" organisatie, maar in 1945 kwam men tot een nieuw akkoord. In 1954 besliste deze organisatie om alle gesneuvelde Duitsers over te brengen naar drie verzamelbegraafplaatsen. Deze zijn de Duitse militaire begraafplaatsen van Menen, Vladslo en Langemark . De begraafplaatsen in Zeebrugge en Hooglede werden behouden en de Duisters die op andere kerkhoven begraven waren, mochten blijven.

De architectuur van de Duitse begraafplaatsen verschilt enorm van de andere militaire kerkhoven. In 1926 vormde architect Robert Tischler een team dat instond voor de constructie van de begraafplaatsen. Zijn team koos ervoor om de Duitse begraafplaatsen te combineren met de plaatselijke natuur en zorgde ervoor dat het onderhoud, dat gebeurd door vrijwilligers, zo goedkoop mogelijk gehouden wordt.

Het bekendste Duitse kerkhof in de Ieperboog is Vladslo. Dit kerkhof is vooral bekend door het "Treurend Ouderpaar", een beeld van Käthe Kollwitz ter nagedachtenis van haar zoon die op dit kerkhof begraven ligt.

Voor meer informatie over de begraafplaatsen of als men op zoek is naar een individueel graf kan men steeds terecht op:

Volksbund Deutsche Kriegsgräberfürsorge e.V.
Werner-Hilpert-Strasse 2,
Kassel (Duitsland)