|
Hieronder vind je het eindwerk "Het oorlogstoerisme in de
Westhoek" dat door Joël Geysen werd gemaakt in 2002. De
tekst van het eindwerk werd aangevuld met fotomateriaal van de website
www.wo1.be.
Inhoudstafel
Hoofdstuk 8 - Oorlogstoerisme
Oorlogstoerisme speelt een niet te onderschatten rol in de vrijetijdsbeleving
van de mensen, maar toch blijft dit soort toerisme erg onbekend.
Ook in de toeristische sector is er niet veel sprake van oorlogstoerisme.
Dit in tegenstelling tot de Verenigde Staten, waar jaarlijks duizenden
mensen de voormalige slagvelden en begraafplaatsen van de Amerikaanse
Burgeroorlog bezoeken. Talloze touroperators hebben zich daarom
ook toegespitst op deze sector. Zij bieden hun klanten niet alleen
reizen aan naar de slagvelden van de Burgeroorlog, maar ook naar
andere voormalige (en huidige) oorlogsgebieden. Zo worden reizen
naar Vietnam en naar de Killing Fields in Cambodja steeds populairder.
Bij sommige touroperators worden ook reizen aangeboden naar ons
land waarbij men meestal de keuze heeft tussen de Ieperboog en de
Ardennen (vanwege het Ardennenoffensief). Ook verschillende touroperators
uit het Verenigd Koninkrijk hebben zich toegespitst op het oorlogstoerisme.
Een voorbeeld hiervan is Midas Tours. Deze touroperator biedt reizen
aan die in het teken staan van de Eerste Wereldoorlog, de Tweede
Wereldoorlog, Napoleon en andere oorlogen waarbij Amerikaanse en
Britse troepen betrokken waren. Ook veel Amerikaanse touroperators
die algemene rondreizen in Europa verkopen, nemen vaak enkele oorlogsmonumenten
uit de Westhoek in hun programma op . Ook in België kan men
een georganiseerd bezoek aan het voormalige front boeken. Deze bieden
echter enkel maar het vervoer ter plaatse en een gids aan. Meestal
gaat het hier om Toeristische Diensten of hoteleigenaars die hun
klanten een meerwaarde willen aanbieden. Toch zijn er enkele firma's
die georganiseerde bezoeken organiseren, maar dit is voornamelijk
voor buitenlandse bezoekers.
Het oorlogstoerisme in de Westhoek kent een lange geschiedenis.
De eerste rondritten aan het front vonden reeds in 1915 plaats.
Toen organiseerde het General Head Quarters in Saint-Omer reeds
begeleide rondreizen voor Amerikanen en voor belangrijke personen
langs de verschillende sectoren in de Ypres Salient. Dit was mogelijk
omdat de beschietingen niet elke dag plaatsvonden en omdat er soms
lange periodes van rust waren. Net na de oorlog bleven verschillende
oud-strijders in de streek rondhangen en begonnen reizen met de
autocar of met paard en koets te organiseren. Ook richtte het leger,
verschillende religieuze groeperingen en liefdadigheidsinstellingen
bedevaartstochten in om de nabestaanden het verlies van hun geliefde
beter te kunnen laten verwerken. Ook de Belgische regering hielp
mee aan het ontstaan van het oorlogstoerisme in de Westhoek. Onmiddellijk
na de oorlog werden een aantal sites beschermd en toegankelijk gemaakt
voor het publiek. Het oorlogstoerisme werd zo in goede banen geleid.
Al vlug bleken er teveel locaties en was er te weinig interesse.
Het aantal te bewaren sites werd dan ook al snel beperkt.
Ook reisgidsen over de Ieperboog en het fronttoerisme verschenen
vroeg. Reeds in 1920 kwam er een Michelingids uit over de streek.
Dit boek werd opgevolgd door "The Immortal Salient" van
Sir William Pulteney en Beatrix Price. Dit boek was een uitgave
van de Ypres League en verscheen in 1925. Andere belangrijke uitgaven
waren: "Pill-Boxes of Flanders", geschreven door Kolonel
E.G.L. Thurlow in 1933, "Over There: A little Guide for Pilgrims"
geschreven de liefdadigheidsinstelling TOC H in 1935 en ten slotte
"Before Endeavours Fade" van Rose Coombs uit 1976. Dit
laatste boek hernieuwde het interesse in het oorlogstoerisme in
de Westhoek.
Het middenpunt van het oorlogstoerisme in de Westhoek is en blijft
Ieper. Deze stad was reeds voor de Eerste Wereldoorlog een belangrijke
toeristische trekpleister. Vele mensen kwamen toen naar de stad
om de Lakenhallen, het grootste niet-religieuze gotische gebouw
van Europa, te bezoeken. Ook de andere gebouwen in de stad krijgen
veel aandacht, niet alleen van toeristen, maar ook van (architectuur)historici.
Reeds onmiddellijk na de oorlog kent de stad een invasie van toeristen
die een kijkje willen nemen in het beruchte Ieper. De vele plechtigheden,
inhuldigingen (zoals de inhuldiging van de Menenpoort in 1927) en
georganiseerde pelgrimstochten zorgen ervoor dat toeristen de weg
naar de stad blijven vinden. Sindsdien is het toerisme een blijvende
bron van inkomsten voor de stad.
Om te overnachten in Ieper kan men kiezen uit verschillende mogelijkheden.
Voor meer informatie kunt u trecht op www.westhoek.be
-> Toerisme.
Voor de bezoekers van de stad, biedt de toeristische dienst ook
gidsenbegeleiding aan. Deze moet minstens 2 weken op voorhand
aangevraagd worden bij deze dienst op de Grote Markt 34 of telefonisch
op het nummer 057-22.85.84. De kostprijs bedraagt voor de eerste
twee uren € 40 en voor elk bijkomend uur € 20, met een
minimum van € 120 per dag. In 2001 kreeg de toeristische dienst
897 aanvragen voor een gidsbeurt (ten opzichte van 1238 aanvragen
in 2000). Dit getal kan als volgt opgesplitst worden: 280 aanvragen
voor de Battlefieldtour, 1 voor de Literaire Salient, 168 voor het
In Flanders Fields museum, 12 voor de Open Monumentendag, 19 voor
de Sneukelroute, 164 voor de Vestingroute en 2 voor de Verdronken
Weiden. Per taal kunnen de rondleidingen van groepen als volgt ingedeeld
worden: 21 Duitse, 217 Engelse, 71 Franse, 577 Nederlandse, 1 Spaanse,
3 Engels-Frans, 7 Nederlands-Frans en 3 Nederlands-Engels-Frans.
Als we kijken naar de aantallen en de afkomst van de overnachtende
bezoekers, dan kunnen we vaststellen dat hier slechts een klein
gedeelte wordt ingenomen door de Belgen. In 1998 had de stad 14368
overnachtingen door Belgische bezoekers tegenover 46315 overnachtingen
door andere nationaliteiten. De landen die tussen 1914 en 1918 deelnamen
aan de oorlog nemen het grootste gedeelte van de overnachtingen
in. Op de eerste plaats komt het Verenigd Koninkrijk met 29310 overnachtingen.
Zij worden gevolgd door Duitsland (5397 overnachtingen), Frankrijk
(1637 overnachtingen) en de Verenigde Staten (1155 overnachtingen).
Opmerkelijk is dat er 3314 overnachtingen plaats vonden door Nederlanders,
een land dat tijdens de Eerste Wereldoorlog neutraal bleef. Het
lage aantal overnachtingen door Fransen kan verklaard worden door
de nabijheid van de Franse grens en het merendeel van de Franse
bezoekers dus dagjestoeristen zijn. Uit cijfers van het IFFM bleek
tevens dat de meeste Franse bezoekers uit het Noorden van het land
komen. Cijfers uit 1995 en 1996 geven een zelfde beeld weer.
Een tweede belangrijke toeristische trekpleister is Diksmuide.
Deze stad heeft voor de Vlamingen dezelfde betekenis als Ieper voor
de Britten. Net zoals in Ieper heeft men in Diksmuide een brede
waaier van logiesmogelijkheden, zowel in het centrum van de stad
als in de deelgemeenten.Veel van de namen van de hotels en andere
logies verwijzen naar het thema "Oorlog en Vrede".
In Diksmuide heeft de toerist ook een camping ter beschikking.
In 1997 hadden de 4 hotels in Diksmuide een bruto bezettingsgraad
van 40,4%, een groei van 29,6% tegenover 1996. Het jaar daarna,
in 1998, was de bezettingsgraad reeds opgelopen tot 47,4%. Het jaar
daarop was de bezettingsgraad gestegen tot 48,2%. Als we kijken
naar de netto bezettingsgraad van 1997, dan kunnen we vaststellen
dat de 4 hotels van de stad een bezetting hebben van 49,1%. In 1998
steeg dit getal tot 60,6%. In 1999 was er een kleine daling tot
59,2%. Voor de periode januari - juni 2001 hebben we een netto bezetting
van 72,8%.
De meeste bezoekers komen in augustus. Dit is te verklaren door
2 elementen. Augustus ligt in het hoogseizoen en op de laatste zondag
van augustus vindt de IJzerbedevaart plaats. De netto bezettingsgraad
was in 1997 78,2%, in 1998 93,2% en in 1999 82,6%. Het hoge cijfer
in 1998 is te verklaren doordat het de 80ste verjaardag van het
einde van de Eerste Wereldoorlog was.
De derde van de Drie Frontsteden is Nieuwpoort. Hier wordt echter
de nadruk gelegd op het kusttoerisme en Nieuwpoort is één
van de populairste badplaatsen. De stad beschikt over 14 hotels
met een totaal van 375 kamers. De vakantiewoningen en appartementen
hebben een capaciteit van 5000 plaatsen. Op het grondgebied zijn
4 kampeerterreinen, goed voor 1087 standplaatsen. Het Vakantiepark
Ysemonde aan de Victorlaan 1 heeft 250 vakantiehuizen met een capaciteit
van 1.044 bedden. Ik acht het voor deze stad niet nodig om cijfergegevens
te verstrekken. De meeste bezoekers van deze stad komen namelijk
voor "zon, zee en strand" en meestal weten zij niet wat
er zich 80 jaar geleden in en rond de stad heeft afgespeeld.
De motivatie voor de bezoekers varieert. De meeste bezoekers komen
naar deze streek omdat ze meer willen weten over de oorlog en omdat
het er is. Dit "omdat het er is" komt meestal voor bij
mensen uit de streek. Ze worden dagelijks geconfronteerd met de
herinnering aan de oorlog. De meeste mensen uit de streek, en vooral
de jongere generatie, laat dit oorlogsverleden aan zich voorbijgaan
en gaan andere dingen bekijken en bezoeken. De meeste buitenlandse
bezoekers komen naar deze streek om hun roots te zoeken. Ze gaan
op zoek naar het graf van een familielid of bezoeken de plaatsen
waar een familielid of vriend 4 jaar van zijn leven heeft doorgebracht.
Vooral bij Britse bezoekers is dit zo.
|