|
Die grosse Bastion-The Bluff
Lieven Calis
De Palingbeek : strategisch van belang
Tijdens de strijd in de boog rond Ieper was ieder hoger gelegen
punt en iedere hindernis van groot belang voor de strijdende partijen.
In dit opzicht was het kanaal Ieper-Leie en de Zuid-West-Vlaamse
heuvelrug nog meer strategisch. De Palingbeek ligt op de kruising
van beide, bijgevolg
De Britse loopgraven liepen vanuit het
huidig parkeerterrein richting The Bluff (International-, Imprudence-
en Imperial-trenches).
Klaar voor de onderaardse oorlog
Langs beide kanten in de hoge door de mens aangelegde oevers (40
meter van elkaar verwijderd), hadden de Britse Engineers en de Duitse
Pioniere stellingen uitgebouwd. Vooral de noorderzijde (The Bluff=steile
oever/Die grosse Bastion) die in Britse handen was lag bijna
tien meter hoger dan de Duitse overkant (Die kleine Bastion) en
vormde zo een uitstekende observatiepost (de volledige Ieperboog
is te overzien). Vanaf de Tweede Slag om Ieper (april 1915) lagen
de Britse 28e divisie en het Duitse 99e infanterieregiment er tegen
elkaar.
In maart 1915 werd er reeds gestart met het uitdiepen van schachten
door Britse Tunneling Companies. Vanuit The Bluff boorde men met
behulp van een graafmachine, de zachte kleigrond leende er zich
goed toe. Het was de bedoeling om 2 mijnen te plaatsen onder de
Duitse 1e linie en 2 mijnen onder de 2e linie. Enkel op die plaats
heeft de machine probleemloos gewerkt, toch kwam dit project te
laat voor de mijnen klaar te krijgen voor de mijnenslag met als
bedoeling de opening tussen Hill 60 en Sint-Elooi te dichten.
Op verschillende plaatsen drongen de Duitsers de gemaakte galerijen
binnen en er ontstonden onderaardse gevechten.
Duitse offensieven
In november 1915 slaagden de Duitsers erin om een eerste
maal een zware mijn te ontploffen die zware verliezen bracht. Meer
nog, de Centralen drongen door tot onder de Britse linies en brachten
op 22 januari 1916 een reeks mijnen tot ontploffing (B-krater/20
meter diep). De flank van The Bluff werd opengereten, de loopgraven
en de reeds uitgegraven tunnel van de Engelsen liepen zware schade
op.
Na heel wat ander klein ondergronds gerommel werd een Duitse aanval
ingezet met een nieuwe mijnexplosie op 14 februari (onder
de B-krater). Alle reeds gegraven Engelse schachten werden toen
ingenomen door het Duitse 124e infanterie- en later door het 123e
infanterieregiment. Honderden Britse soldaten, vooral van de 10e
Lancashire Fusiliers en de Sherwood Foresters verloren hier het
leven.
Brits bovengronds weerwerk
Door de strategische ligging van The Bluff, de Duitsers mochten
niet doorbreken richting Ieper, werd op 2 maart een tegenaanval
gestart door de Britse 17e divisie. De 2e Suffolks, de 8e Royal
Lancasters en de 1e Gorden Highlanders veroverden toen de Duitse
stellingen. De 172e Tunneling Company onderzocht de veroverde mijnschachten
op explosieven.
De daaropvolgende maanden vermeerderde de ondergrondse bedrijvigheid
nog : de 2e en later de1e Canadese Tunneling Company poogde schachten
met kokers uit te bouwen met wisselend succes (meer dan dertig meter
diep werd er gegraven), de Stollenbaukommando maakte nieuwe gangen,
de Betonnierkommandos verstevigden het graafwerk met beton en telefoonlijnen
werden aangelegd naar de galerijen.
The Bluff in handen van de Duitsers
Vele waarnemingen die wijsden op intensief Duits graafwerk brachten
de Britten ertoe de voorlinies weinig te bemannen. Enkele dagen
later, op 25 juli 1916, was het al zo ver. De vooruitgeschoven
Britse linies werden opgeblazen en vormden een grote trechter. De
Duitsers hadden zo praktisch de hele flanken van het kanaal in handen.
Kat en muis
Om nog meer Duitse successen tegen te gaan in de ondergrondse oorlog
luisterden de Britse patrouilles met geophonen het graafwerk af.
Vermoedelijke graafpunten werden tot ontploffing gebracht door het
boren van gaten tot net boven de schachten (5,7, 8 en 11 augustus).
Gelijkaardig defensief werk deden de Duitsers op 22 oktober
(C-, D- en E- krater).
Britse hegemonie ondergronds
De weken daarop konden de Britten verder werken aan hun hoofdgalerij
(vertrekkend vanuit de Britse linies, evenwijdig met het kanaal
onder de A- en de B-krater door). Wanneer ook de E-krater doordrongen
werd, werd een gang naar rechts gegraven in de richting van het
kanaal. Van hieruit ging om de dertig meter een kleine aftakking
(met telkens 5 ton explosieven) naar links. De ladingen werden ontstoken
om 11 december 1916. Van hieruit konden de Britten Duitse
gangen blootleggen en verbinden met de bestaande Britse galerijen.
Laatste ondergrondse verrichtingen onder The Bluff
Op 18 december heroverden de Duitsers met behulp van een
mijn onder de verste aftakking de daardoor gemaakte krater. Dit
was de laatste serieuze mijnoperatie onder The Bluff.
Met de mijnenslag tussen Hill 60 en Mesen (7 juni 1917) slaagden
de Britten erin de Duitsers in de Palingbeek te ontzetten.
Bronnen : R. Lampaert "War Underground" ; J. Mahieu "folder
Palingbeek", Johan Vandewalle
---------------------------
Historische littekens
Lieven Calis - Robert Missinne - Erwin Ureel
1. Inleiding
Langsheen de voormalige frontlijn van de eerste wereldoorlog wordt
de voorbijganger regelmatig gekonfronteerd met militaire begraafplaatsen.
Soms zijn ze geconcentreerd, soms liggen ze alleen en verloren in
één of ander veld. Het is dikwijls al een eerste aanwijzing
omtrent de hevigheid en duur van de gevechten die er gewoed hebben.
De manier waarop de betrokken landen met hun doden omgingen is
sterk verschillend. Enkele elementaire beslissingen hadden verreikende
gevolgen . Zo bv. die van de Belgische en Franse regeringen om repatriëring
toe te laten, terwijl het Commonwealth hier al snel vanaf stapte.
Hetgeen zich weerspiegelde in het aantal begraafplaatsen rond de
gevechtszones. Of het verlopen van de Duitse vergunningen in de
jaren vijftig, waarna ze beslisten om hun slachtoffers op vier grote
verzamelplaatsen te concentreren : Vladslo, Langemark, Hooglede
en Menen .
Fransen en Duitsers neigden ook nogal naar de aanleg van massagraven
of collectieve graven. Het Commonwealth daarentegen was helemaal
geen voorstander van dit gebruik, en paste het alleen maar toe wanneer
het echt niet anders kon . Belgische troepen waren dan weer minder
betrokken bij de grote veldslagen van 1915-16-17, zodat zij ook
minder massaal verliezen moesten incasseren.
Franse en Belgische begraafplaatsen geven veeleer de indruk aangelegd
te zijn omdat men toch wel iets moest doen. Ze zijn fantasieloos
en roepen zelden sterke emoties op. De beslissing van de Fransen
om over te stappen op kunststof kruisjes zegt genoeg over de bereidheid
om nog veel aandacht te besteden aan dit toch al niet zo nabije
verleden.
Duitsland koos voor een eenvoudige , doch overtuigende aanpak, die
door de systematische soberheid de bezoeker stil doet worden.
Het Commonwealth koos voor de moeilijkste weg : individuele graven
in een eenheidsstijl, een beplanting die aan Engelse tuinen doet
denken , een architectureel concept dat nogal eens sterke onderlinge
verschillen vertoont,...
Vooraleer het zover kwam vloeide er echter heelwat water door de
zee.
Opmerking : verliezen
Over het correcte aantal verliezen in alle kampen zal wel nooit
duidelijkheid komen.
Heel dikwijls praat men b.v. over het "half miljoen (Britse)
doden tijdens de slag bij Passendale". Dit kan niet : vermoedelijk
ligt het totaal aantal gesneuvelden in West-Vlaanderen, alle nationaliteiten
tesamen en tijdens de hele duur van de oorlog, ergens rond de
400 000 à 450 000. In bovenstaand voorbeeld kan men wel
spreken (heel ruim gerekend) over een half miljoen "verliezen".
Gemiddeld gesproken kan men de 'verliezen' als volgt indelen
:
Op 10 verliezen heeft men :
* 2 doden:
1 gesneuvelde "Killed in action"
1 slachtoffer dat achteraf bezwijkt aan verwondingen, ziekte,
...
* 2 vermisten:
1 soldaat die nooit meer terecht komt (dode of deserteur)
1 soldaat die achteraf wel nog terecht komt (krijgsgevangene of
verdwaalde of door verwarring bij een andere eenheid)
* 6 gewonden, zieken of gestoorden :
2 permanent verlies (blinde, amputatie, ...)
2 langdurig verlies (breuk, ...)
2 kortstondig verlies (vleeswonde, ...)
Een offensieve actie veroorzaakt meestal meer slachtoffers in het
kamp van de aanvallers dan in het kamp dat aangevallen wordt.
De verhouding van het aantal doden ten opzichte van het aantal verliezen
is groter tijdens een offensief dan tijdens rustige periodes.
2. Begraafplaatsen
Na de oorlog werd bij de verschillende landen overlegd hoe de dodenzorg
te organiseren.
De "Belgische bevolking" schonk grond aan de geallieerden
voor de aanleg van hun begraafplaatsen. De Duitse regering kreeg
een vergunning van zo'n 30 jaar. Na het verstrijken van die vergunning
moest de zaak opnieuw bekeken worden.
2.1. De Commonwealth-landen
De Britten besloten reeds in 1917 om hun doden niet naar het thuisland
te repatriëren. De regering kon/wou de kosten voor repatriëring
niet dragen. Men kon ook de families vragen die kosten te betalen
maar men wou de rijke families niet bevoordelen tegenover de armere.
Daarom zouden de Britten na de oorlog grafvelden voor de gesneuvelden
aanleggen en blijven onderhouden en herdenkingstekens oprichten
voor de doden die geen 'gekend en geëerd graf' hadden. Het
was de bedoeling dat elke dode bij naam zou herdacht worden, hetzij
op een individuele grafsteen, hetzij door vermelding op een 'memorial'
voor de vermisten en niet-geïdentificeerden. Er mocht geen
onderscheid gemaakt worden tussen graven van officieren en manschappen
en er mochten ook geen persoonlijk grafstenen komen, maar elke dode
zou een gelijkvormig zerkje met een welbepaalde tekst en zinnebeeld
krijgen.

De instantie die nu instaat voor het onderhoud van de Britse militaire
begraafplaatsen is de Commonwealth War Graves Commission met hoofdkwartier
in Maidenhead en afdeling te Ieper voor de West-Europese begraafplaatsen.
De Commonwealth War Graves
Commission rapporteerde in 1988 volgende cijfers :
In België worden 204 810 Commonwealth-soldaten herdacht
:
*194 718 slachtoffers van de eerste wereldoorlog waarvan 175
000 in de Ypres Salient.
*10 092 slachtoffers van de tweede wereldoorlog
-Van de 204 810 zijn er :
*102 456 slachtoffers met een gekend graf (op 623 plaatsen)
*102 354 vermisten
-De 102 354 vermisten worden herdacht op één van
de missing-memorials. Van deze vermisten liggen er 48 491 begraven
onder een zerkje "Known unto God".
-Ruwweg samengevat : Per 4 gesneuvelde commonwealthmilitairen
is/zijn er :
*2 begraven onder een gekend zerkje
*1 begraven onder een ongekend zerkje en herdacht op een memorial
*1 werkelijk vermist en herdacht op een memorial
2.2. België

De Belgische gesneuvelden werden meestal naar hun eigen gemeente
teruggebracht na de oorlog. De overblijvende militaire begraafplaatsen
worden door het ministerie van landsverdediging onderhouden. De
dichtste Belgische militaire begraafplaats van de Ieperboog is deze
van Houthulst met graven van 1 704 Belgen, 146 Fransen en 81 Italianen.
Andere Belgische
militaire begraafplaatsen vinden we o.a. te Westvleteren, Keiem,
Ramskapelle en aan de kust.
2.3. Frankrijk

De Fransen hebben ook het merendeel van hun gesneuvelden naar het
thuisland teruggebracht. De Fransen hebben hun eigen dienst voor
het onderhoud van de militaire begraafplaatsen. Op de twee Franse
begraafplaatsen (in het ossuarium op de Kemmelberg en op de begraafplaats
St.-Charles de Potyze te Ieper) liggen samen ruim 8 800 Fransen
begraven. Daarnaast zijn er nog een aantal Belgische en Britse militaire
begraafplaatsen die een groter of kleiner aantal Franse graven bevatten.
2.4. Duitsland
Na de eerste wereldoorlog waren er Duitse soldatengraven in heel
wat Belgische gemeenten. Kort na de oorlog werden deze graven samengebracht
op 184 Duitse begraafplaatsen waarvan het overgrote deel in de Ieperse
frontstreek lag. In 1952 besloten de regeringen van België
en de Bondsrepubliek om in Vlaanderen te komen tot vier grote Duitse
begraafplaatsen. De dichtste Duitse militaire begraafplaats bij
de Ieperboog is deze van Langemark
waar ruim 44 000 Duitse doden begraven liggen. Daarnaast zijn er
nog de begraafplaatsen van Hooglede (ruim 8 200 doden); Vladslo
(ruim 25 000 doden) en Menen (bijna 48 000 doden). Er liggen ook
Duitse doden begraven op sommige Britse militaire begraafplaatsen.
De Duitse begraafplaatsen worden gekenmerkt door hun beplanting
van bomen die moeten zorgen van een overschaduwing en de plaatsing
van een apart kenmerkend beeldhouwwerk of herkenningsteken. (bv.
het treurende ouderpaar te Vladslo of de vier treurende militairen
te Langemark). De instantie die nu instaat voor het onderhoud van
de Duitse militaire begraafplaatsen is de 'Volksbund Deutsche Kriegsgräberfürsorge'.
3. De Britse militaire begraafplaatsen algemeen
In september 1914 arriveerde Fabian Ware aan het front om ingeschakeld
te worden in een Rode Kruis-eenheid. Hij stelde al snel vast dat
er geen georganiseerde manier van gravenregistratie bestond, en
begon dan maar op eigen initiatief dergelijk systeem op poten te
zetten . Al snel werd zijn werk erkend door de overheid, wat aanleiding
gaf tot de oprichting van de Graves Registration Commission in 1915.
In 1917 werd de Imperial War Graves Commission opgericht, om op
een blijvende manier de herinnering en zorg voor de doden in ere
te houden.
Enkele vooraanstaande architecten werden aangezocht om ontwerp
en constructie van de begraafplaatsen en herdenkingsmonumenten in
goede banen te leiden. Sir Herbert Baker (ontwerper Tyne Cot Cemetery
te Passendale), Sir Reginald Blomfield (o.a. ontwerper van het Cross
of Sacrifice, het kruis dat op praktisch alle Commonwealth begraafplaatsen
staat, en ook van de Menenpoort ), en Sir Edwin Lutyens (naast vele
riante landhuizen ontwierp hij ook de tijdloze tuinbank ( dikwijls
in teak ) met golvende rugleuning, en werkte samen met de bekende
tuinontwerpster Gertrude Jeckyll) . Soms wordt ook Charles Holden
tot deze hoofdarchitecten van de Commissie gerekend. Deze mannen,
die tot het kruim van de toenmalige ontwerpers behoorden, werden
bijgestaan door vele assistant-architects en beeldhouwers met naam,
zodat het niet verwonderlijk was dat de stijlkenmerken van de verschillende
begraafplaatsen soms sterk verschilden.
De drie hoofdarchitecten lieten hun 'handtekening' na in het gebruik
van de materialen:
- Baker : omheiningsmuur en dikwijls een overdekt toegangspoortje
uit flintstones (silexkeien)
- Blomfield : natuursteen en veel metselwerk in baksteen
- Lutyens : rechtlijnige ontwerpen en een op elkaar stapelen van
blokken
Aan de praktische uitwerking ging echter een stevige en bijwijlen
geëmotioneerde publieke discussie vooraf. Het verbod op repatriëring,
het uniforme type van grafzerk die niet in de vorm van een kruis
ontworpen was, het waren voorstellen of beslisingen die sterk omstreden
waren.
De pleitbezorgers van gelijkheid in de dood (waaronder Winston Churchill)
wonnen het pleit, en het principe van de uniforme steen werd weerhouden
(alhoewel er toch enkele uitzonderingen voorkomen).
Naast de kwestie van de begraafplaatsen werden er ook regelingen
getroffen voor de vele vermisten. Verschillende " Memorials
to the Missing" werden opgetrokken. Het grootste staat in de
streek van de Somme, te Thiepval (meer dan 72.000 namen). Het meest
bekende in Vlaanderen is de Menenpoort (> 54.000 inscripties),
maar ook op Tyne Cot staat een halfronde muur met ongeveer 35.000
namen.

De voormannen van de Commissie waren ook niet van de minste. Onder
hen Rudyard Kipling, bij ons wel het meest bekend als de schrijver
van "Het Jungleboek". Hij had een zoon, officier bij de
Irish Guards, die vermist was in Noord-Frankrijk, hetgeen zijn betrokkenheid
kan verklaren.

Het organisatietalent van de Commissie werd flink op de proef gesteld.
Meer dan 500.000 zerken moesten aangemaakt worden . Alleen al het
inkappen van de gegevens op de stenen was een reuzenwerk, temeer
daar dit aanvankelijk handwerk was.
Eigen plantenkwekerijen werden opgezet, en sommige variëteiten
werden speciaal voor de begraafplaatsen ontwikkeld. Zo onder andere
een speciale roos.
De tweede wereldoorlog droeg nog meer bij tot het belang van de
dienst. In 1960 werd de term " Imperial" geschrapt, en
kreeg de organisatie de huidige benaming : " Commonwealth War
Graves Commission " (CWGC) . Het hoofdkantoor bevindt zich
te Maidenhead (UK) . In de Elverdingestraat te Ieper is de zetel
voor Noord-Europa . Waren de arbeiders oorspronkelijk allemaal afkomstig
uit de landen van het Gemenebest, dan is dit nu verschoven naar
meer lokale werkkrachten.
3.1 De grafstenen
De grafstenen zijn ongeveer 76 cm hoog en 38 cm breed, met een
gebogen bovenvlak. De oorspronkelijke grafstenen werden gemaakt
van witte kalksteen uit Portland. De Portlandgroeven zijn nu echter
uitgeput en ter vervanging gebruikt men kalksteen uit Italië.

De 'headstones' van geïdentificeerden dragen meestal vier
regels gegevens:
- stamnummer en soort soldaat (bv. private, gunner,
) ofwel
rang (bv. captain, sergeant,
);
- voornaam of voorletter en familienaam met eventuele afkortingen
voor eervolle onderscheiding(en);
- eenheid (korps, regiment of bataljon);
- sterfdatum en leeftijd.
Er is ook een badge uitgehouwen. Voor de doden van het Verenigd
Koninkrijk staat er een kenteken van de eenheid, meestal van het
regiment. Voor Engelsen vinden we daarin een roos of een leeuw,
voor Schotten een schuin kruis of een distel, voor Ieren een harp.
Voor de doden van de overzeese gebieden staat er een teken van hun
land. Voor Canadezen een esdoornblad, voor Australiërs een
wapenbord in de vorm van een opgaande zon, voor Nieuw-Zeelanders
een varentak, voor Zuid-Afrikanen een springbok, voor Newfoundlanders
een kariboe. Er kan ook een embleem van een korps, regiment of bataljon
uitgehouwen zijn. Dikwijls staat er ook een godsdienstig symbool
(bv. kruis, Davidsster).

Onderaan staat gewoonlijk een grafschrift, door nabestaanden gekozen
of gemaakt.
Grafstenen voor eventuele Duitse militairen op de begraafplaats
hebben een lichtjes afwijkende vorm : de plaat is iets dikker en
de bovenkant was vroeger vlak, nu driehoekig.
Grafstenen van niet-geïdentificeerden dragen de tekst : 'A
soldier of the Great War. Known unto God'. Deze zin werd gekozen
door Rudyard Kipling.
3.2. Het Cross of Sacrifice

Het grote witte kruis vinden we op bijna alle Britse militaire
begraafplaatsen. Het is ontworpen door Sir Reginald Blomfield (ontwerper
van de Menenpoort). Op het kruis vinden we een bronskleurig zwaard
voor de niet-christenen.
3.3. De Stone of Remembrance of War Stone

Op de grotere Britse begraafplaatsen is er een altaarsteen/sarcofaag
ontworpen door Sir Edwin Lutyens. Op de steen lezen we een zin uit
het boek Ecclesiasticus : 'Their Name Liveth for Ever More' gekozen
door Kipling.
3.4. Registerbox
De meeste Britse militaire begraafplaatsen hebben ook nabij de
ingang een kastje met een bronzen deurtje. Daarin vinden we een
'cemetery register' met een grondplan van de begraafplaats, de geschiedenis
ervan en een alfabetische lijst (met heel wat details) van de doden.
We vinden er ook een bezoekersboek waarin geïnteresseerden
hun mening kunnen neerschrijven.
3.5. Beplanting
De beplanting is een belangrijk element in de aanleg van de Britse
begraafplaatsen. De 'frontborders' zijn smalle stroken grond vóór
de grafstenen. Deze stroken zijn beplant met bodembedekkers die
beletten dat slijkspatten de stenen zouden bevuilen bij regenbuien.
Ter afwisseling worden meestal ook rozen geplant. De 'backborders'
aan de achterzijde van de grafstenen (meestal achter iedere derde
rij) hebben hogere planten of heesters. De bedoeling ervan is de
eentonigheid van de witte grafstenen weg te nemen.
4. De begraafplaatsen van het Commonwealth in en rond het domein
"Palingbeek"
In of vlakbij het provinciaal domein zijn er zes begraafplaatsen
, allemaal met militairen van het Commonwealth ( Verenigd Koninkrijk,
toen nog met Ierland, Canada, Nieuw-Zeeland, Australië en Zuid-Afrika
). Voor de algemene kenmerken wordt naar een andere bijdrage verwezen.
Wat hier volgt is niet meer dan een inleiding . Voor een volledige
beschrijving is een diepgaande studie van zerken, registers en achtergrondinformatie
nodig, en daarvoor ontbrak de tijd. Aangeraden wordt om je toe te
spitsen op de zerkjes. Daarop zijn dikwijls markante dingen aan
te treffen . Denken we maar aan de Davidssterren voor de Joodse
militairen ; de eenheidskentekens die dikwijls een typisch element
van het land van herkomst bevatten ( vele Ierse eenheden hadden
een of andere variant van de Ierse harp, Schotten werkten soms een
Andreaskruis in , enz....) ; de onderschriften op de zerken die
de families mochten kiezen, en die soms algemeen, maar soms ook
zeer persoonlijk waren ; de leeftijd. Vooral met jongeren kunnen
hier interessante opdrachten uitgevoerd worden. Een beetje aanvullende
informatie vindt je in het register, dat zich meestal bij de ingang
bevindt.
Drie begraafplaatsen liggen op of tegen het domein : "Woods
Cemetery", 1/DCLI
Cemetery ( soms ook "The Bluff" genoemd ) en "Hedge
Row Cemetery". Drie andere liggen dichtbij, maar buiten
het domein : "Chester
Farm Cemetery" en "Spoil
Bank Cemetery" liggen vlak bij elkaar, "Oak
Dump Cemetery" is het meest afgelegen.
Slechts de eerste drie worden hier kort besproken.
Het gaat telkens om een "Battlefield Cemetery", dit wil
zeggen dat ze op het slagveld zelf aangelegd zijn . Dikwijls zijn
hier de doden begraven die ter plekke sneuvelden of een kwetsuur
niet lang overleefden. Er is een verschil tussen "sneuvelen
", hetgeen een quasi onmiddellijk overlijden ten gevolge van
gevechts-handelingen is, of "overlijden ten gevolge van verwondingen"
-"Died of Wounds".
Battlefield Cemeteries zijn dikwijls niet erg groot, omdat ze meestal
aangelegd werden ter gelegenheid van bepaalde gevechten , en nadien
niet meer , of occasioneel, gebruikt werden. Dit valt goed af te
leiden uit de data op de zerkjes ( min of meer in dezelfde periode).
Ter vergelijking : in het achterland van het front zal je eerder
grote inrichtingen vinden . Hier waren grotere medische formaties
te vinden, die ook langere tijd ter plekke bleven , en de begraafplaatsen
dus langer en intensiever gebruikten. Lyssenthoek bij Poperinge
is hier een goed voorbeeld van. Naast deze "Hospital Cemeteries"
zijn er ook nog verzamelplaatsen, waarop, meestal na de oorlog,
meerdere kleine begraafplaatsen samengebracht werden.
4.1. Woods Cemetery

In de omgeving van de Palingbeek werd bijna gans de oorlog gevochten
. Dit merk je vooral op Woods Cemetery . Het was in gebruik vanaf
april 1915, de periode waarin het front begon te stabiliseren, en
bleef in gebruik tot september 1917, enkele maanden voor het groot
Duits offensief dat weer beweging in de oorlog bracht . Aan de vorm
is goed te merken dat het niet in één keer aangelegd
werd . De onregelmatige vorm, te wijten aan de nabijheid van het
front, werd in het naoorlogs concept overgenomen, waarschijnlijk
om te vermijden dat men moest ontgraven. Vooral Canadese regimenten
( en speciaal het tweede bataljon) en het London Regiment zijn "goed"
vertegenwoordigd.
Er zouden 326 doden begraven zijn , maar het aantal zerken is kleiner
.De reden van dit verschil vindt je onder andere in rij I B : een
zerk waarop " several" ( meerdere ) militairen vermeld
zijn . Men neemt aan dat het er zes zijn. Je hoeft niet veel fantasie
aan de dag te leggen om een poging tot reconstructie te wagen van
de omstandigheden waarin ze begraven werden, en hoe (on)herkenbaar
ze waren bij de heraanleg van de plaats.
4.2. 1/DCLI Cemetery, The Bluff
De ietwat vreemde naam staat voor 1st Duke of Cornwall's Light
Infantry , een eenheid die hier in hevige gevechten betrokken was
in het voorjaar 1915 . Van de 76 graven behoren er 51 tot deze eenheid,
vandaar de naamgeving. Na de oorlog werd rij D bijgevoegd . Het
betreft hier 23 graven overgebracht van kleinere begraafplaatsen.
15 graven zijn van onbekende militairen.

Soms wordt de naam " The Bluff" gebruikt. Dit verwijst
naar een stelling die iets verder in het domein gelegen is. "
A Bluff" wijst niet op overtroeven, zoals vaak aangenomen wordt,
maar wel op een ( steile) hoogte bij een ge-erodeerde helling .
De hoogte is het hoogste deel van de heuvel, die nog opgehoogd werd
door het opwerpen van aarde bij de uitgraving van het kanaal. De
depressie vlakbij was gekend als " The Ravine" , en is
onder deze naam op "Trench Maps" (loopgravenkaarten) terug
te vinden. Engelse stellingen wisselden in februari en maart 1916
van bezetter, en in juli 1916 probeerden de Duitse troepen vruchteloos
de hoogte te heroveren door het tot ontploffing brengen van een
dieptemijn. De kraters zijn nog duidelijk zichtbaar. In de lente
van '18 slaagden de Duitsers dan toch in hun opzet, maar op 28 september
moesten zij de stelling definitief prijsgeven.
4.3. Hedge Row Trench Cemetery
Ligging
De Britse militaire begraafplaats Hedge Row Trench Cemetery ligt
aan de noordelijke rand van het provinciedomein De Palingbeek, op
een heuvelrug (hier 47,5 m hoog) ten westen van het Molenbos in
Zillebeke. Bij de begraafplaats heeft de bezoeker een vergezicht
in de richting van Ieper. Het belfort staat op 4 km.
Geschiedenis

De begraafplaats ontstond in maart 1915. Ze lag achter de Britse
frontlijn en kreeg de naam van een nabije loopgraaf bij een haag:
Hedge Row Trench Cemetery. Soms werd ze Ravine Wood Cemetery genoemd,
naar het (toen veel grotere) Molenbos met daarin een dal. Van 24
maart tot 3 april 1915 lagen er 16 graven, van 6 september tot 21
december kwamen er 42 bij. Van 10 juni tot 15 december 1916 nog
7, van 30 mei tot 18 september 1917 nog 31. Ook lagen er twee niet-geïdentificeerden
van wie alle gegevens ontbreken. In april 1918, gedurende de Slag
bij Kemmel, viel het terrein in Duitse handen. Op 28 september 1918
werd het door Britse troepen heroverd.
Na de wapenstilstand vond men in het verwoeste landschap de begraafplaats
maar het was niet mogelijk de afzonderlijke graven terug te vinden.
Artilleriegranaten hadden het terrein herschapen tot kraters, hopen,
boomstompen
Bij de vormgeving van de naoorlogse begraafplaats
werden de grafstenen in rijen en bogen rondom het centrale offerkruis
gezet. Rondom kwam een lage bakstenen omheiningsmuur met een poortje
aan de noordkant.
Beschrijving

Een pad vanaf de Verbrandemolenstraat verbindt drie Britse begraafplaatsen
: Woods Cemetery aan de bosrand in het dal, 1st (Battalion) Duke
of Cornwall's Light Infantry Cemetry (of The Bluff), aan het einde
Hedge Row Trench Cemetery. Deze begraafplaats is rechthoekig en
heeft een oppervlakte van 676 m². In twee hoeken staan drie
jonge zilverberken. Tegen de muur werd een lage beplanting aangebracht.
Naast de poort zit een kastje met daarin het register en het bezoekersboek.
De rijen en bogen grafstenen dragen een letter, van A tot H, in
de alfabetische volgorde vanaf de poort en van links naar rechts
opvolgend. De rijen tellen 10 of 17 grafstenen, de bogen 11. De
aanleg is symmetrisch.
De grafstenen zijn special memorials, omdat ze slechts een verwijzing
naar een graf zijn. Bovenaan staat de formule 'Known to be buried
in this cemetery' (d.w.z. men weet dat hier begraven ligt). Onderaan
staat in veel gevallen het grafschrift 'Their glory shall not be
blotted out' (d.w.z. hun roem zal niet vergaan). Deze grafstenen
zijn dus op de eerste plaats herinneringsstenen.
De twee naamloze grafstenen staan in rij G, maar we vinden ze niet
op de plattegrond in het register. Ze hebben ook geen nummer. Op
deze grafstenen staat een kruis tussen twee formules. Bovenaan 'A
soldier of the Great War' (d.w.z. een militair uit de Grote Oorlog).
Onderaan 'Known unto God' (d.w.z. alleen bij God bekend). Het zijn
zinnen door Rudyard Kipling ("Junglebook") gekozen.
Merkwaardigheden
Volgens de grafstenen liggen hier 4 officieren (1 kapitein, 1 luitenant
en 2 onderluitenant), 14 gegradueerden (sergeants en korporaals)
en 78 soldaten.

De oudste was 42 jaar : de Schot A. Tucker uit Edinburgh, grafsteen
G 6. De jongste was 17 jaar : de Londenaar Walter Stokes, grafsteen
E 3.
We tellen 78 infanteristen (b.v. private, rifleman), 14 artilleristen
(b.v. gunner, fitter) en 4 genisten (b.v. engineers, sapper, pioneer).
Harold Joel, grafsteen D 3, was 20 jaar en kapitein. Hij behoorde
bij de First Surrey Rifles, dit was het 21st (County of London)
Battalion London Regiment, een regiment van de Territorial Force.
Hij sneuvelde op 7 juni 1917, de dag van de 19 mijnontploffingen
ten zuiden van Ieper en meteen de eerste dag van de Slag bij Wijtschate
en Mesen.
In het register wordt bij 17 namen de doodsoorzaak vermeld: 16
zijn 'killed in action' (d.w.z. gesneuveld) en 1 is 'died of wounds
(d.w.z. bezweken aan verwondingen).
Op 97 grafstenen staat een smal kruis. Alleen op de grafsteen F
7, van Lewis Moses uit Birmingham, staat een davidschild (davidster,
jodenster) met daarin vijf Hebreeuwse lettertekens voor een afkorting
die we vertalen : zijn ziel ruste in vrede.
Bijna op elke grafsteen staat onderaan een grafschrift. Enkele
voorbeelden:
- Their glory shall not be blotted out
- Thy will be done
- God be with you-Till we weet again
- In loving memory of my dear son. May his dear soul rest in peace.
Grafschriften Hedge Row Trench Cemetery
A 1 Asleep in the sacred heart of Jesus. May he rest in peace.
A 6 Until the day dawn
A 10 Till the dawn breaks
B 1 Nothin can ever take away the love that a heart holds dear
B 3 Greather love hath no man than to lay down his life for his
friends
B 5 To memory ever dear
B 7 Loved & mourned. Duty nobly done.
B 8 Dearly loved, dearly missed. Always in my memory.
B 9 Dearly loved, dearly missed. Always in my memory.
C 2 Thy will be done
C 3 He lies content with that high hour in which he lived and
died (captain)
C 5 What think ye of Christ
C 6 He lived and loved and loving well he died
D 3 (captain)
D 4 R.I.P.
D 7 'Dear boy' (2nd lieutenant)
E 1 One of the best
E 2 Rest in peace
E 3 Be thou faithful unto death and I will give thee a crown of
life
E 5 In love memory of my husband. He gave all for the freedom.
E 7 Blessed are the dead who die in the lord
F 5 We shall go to him but he will not return to us
F 6 Peace, perfect peace
F 7 In loving memory of my dear son. May his dear soul rest in
peace.
F 11 Gone from sight but the memory ever dear
G 9 Numbered among the children of God. Wisdom of Solomon IV.
(Cordeux-lieutenant)
G ? He died a hero. (Tollington-18 jaar)
H 1 God be with you till we meet again
H 5 'I wear the cross, he wears the crown.' Mother and dad.
Overzicht eenheden Hedge Row Trench Cemetery
UNITED KINGDOM - Infanterie
- Buffs (East Kent Regiment) draak 8
- Duke of Wellington's (West Riding Regiment) klimmende leeuw
1
- Durham Light Infantry jachthoorn 1
- King's (Liverpool Regiment) springend paard 8
- Lincolnshire Regiment sfinx met opschrift 'Egypt' 1
- London Regiment, Territorial Force (volgens bataljon) 18
- Middlesex Regiment (Duke of Cambridge's Own) monogram van hertog,
drie struisveren 1
- Queen's (Roal West Surrey Regiment) paaslam met banier van Sint-Joris
1
- Rifle Brigade (Prince Consort's Own) kruis van Malta met jachthoorn
6
- Royal Scots (Lothian Regiment) ster van Orde van de Distel,
Sint-Andries 11
- Royal Scots Fusiliers vlammende granaat met drie struisveren
9
- Sherwood Foresters (Nottinghamshire and Derbyshire Reg.) kruis
van Malta met liggend hert 8
UNITED KINGDOM - Artillerie
- Royal Field Artillery kanon op affuit 10
- Royal Garrison Artillery kanon op affuit 4
UNITED KINGDOM Genie
- Royal Engineers monogram van koning George V 2
CANADA Genie
- Engineers esdoornblad (van dominion) 2
ONBEKEND - 2
TOTAAL - 98
|