|
De Duitsers doorstonden een nieuwe
tegenaanval van de Franse 83ste Brigade
die Stuivekenskerke wel heel even kon
innemen, maar weer moest prijsgeven.
Tijdens de nacht mocht Grossetti eindelijk
zijn hele divisie naar Pervijze
overbrengen. Het was een geluk dat die dag
vooral met artillerie strijd werd gevoerd.
Van de relatieve kalmte maakten de Belgen
gebruik om de gehavende eenheden te
herstellen en gewonden af te voeren. Hun
aantal gewonden bedroeg toen al 9145.
Intussen had de Belgische legerleiding
door het Duitse opdringen overwogen om
weerstand te bieden aan de spoorlijn
Diksmuide-Nieuwpoort. De verhoogde
spoorberm leverde een goede bescherming
terwijl de tegenstander zonder dekking
over een volledig vlak terrein moest
naderen. Verder was er het feit dat de
spoorberm zich tot zowat drie en een halve
meter boven het zeewater bij eb verhief en
dus bij een komende inundatie ook zou
blijven uitsteken. Een ander gunstig
argument was de rechte lijn die door de
spoorweg gevormd werd en waardoor er geen
gevaar bestond voor een beschieting in de
flank zoals dat in de bocht van Tervate
wél gebeurd was.
Blijkbaar had het Franse inundatieplan
ook bij de Belgische generale staf iets
wakker gemaakt. Er werd voor het eerst
gewag gemaakt van een beperkte
overstroming - koning Albert I stond
aanvankelijk huiverig tegenover het idee
om het allerlaatste stukje vaderlandse
grond gedeeltelijk met zout water te
verwoesten - in het meest bedreigde
gebied. Als dit lukte, zouden de Fransen
hún plan niet ten uitvoer moeten
brengen. Een groot probleem was echter dat
het leger nooit verwacht had zich aan de
IJzer te moeten weren tegen een aanvaller
die uit het oosten zou komen. Daardoor
waren de militairen onvoldoende op de
hoogte van het systeem van waterlopen in
de streek. Bovendien was het (burgerlijk)
sluispersoneel op 19 oktober gesommeerd om
Nieuwpoort te verlaten en had men
nagelaten te informeren naar welke dorpen
die personeelsleden zich zouden begeven.
De Duitsers bleken echter - om dezelfde
reden - evenmin op de hoogte van de
waterhuishouding in het IJzergebied!

Karel Cogge
In Veurne werd op 25 oktober Karel
Cogge, opzichter van de Noordwatering
(23.500 ha), op het stadhuis ontboden om
samen met de genie een overstroming tussen
de spoorlijn en de IJzer te bespreken. Er
wordt beweerd dat de Veurnse rechter
Emeric Feys als eerste kolonel Wielemans
erop attent gemaakt zou hebben dat in het
verleden het wapen van de inundatie met
succes in de streek van Nieuwpoort
toegepast werd. Andere versies kennen deze
eer aan het leger toe! Eigenlijk wist elke
landbouwer uit de polders dat het
openzetten van de sluizen of het
doorsteken van de dijken de streek onder
water zou zetten. Dat zal de legerleiding
in oktober 1914 ook heel vlug geweten
hebben. Maar het was alleen Karel Cogge
die, als opzichter van de Wateringen (met
30 jaar werkervaring), voldoende kennis
over het ontwateringssysteem bezat om de
juiste aanwijzingen voor een
controleerbare inundatie te geven. En het
was Hendrik Geeraert die in Nieuwpoort de
zwengels wist te vinden om de overlaten
van de ontwateringskanalen open te
draaien.
De kustpolders werden en
worden door talrijke waterlopen
doorsneden. Enkele worden voor de
scheepvaart gebruikt en andere dienen
voor de afvoer van het overtollige
water uit de polders. Deze laatste
waterlopen hebben echter geen verhoogde
oevers en bieden dus weinig
bescherming. Het hele afwateringsysteem
komt in de Nieuwpoortse achterhaven
samen en vormt daar de zgn.
Ganzenpoot. De waterlopen
die voor scheepvaart in aanmerking
komen, beschikken over sluisdeuren om
schepen te schutten. De drie waterlopen
die overtollig water afvoeren, hebben
schotten of schuifdeuren die bij eb
geopend en bij vloed gesloten worden.
Cogge stelde voor om de Overlaat
van Veurne-Ambacht te gebruiken.
Toen bleek dat de Duitsers zich erg dicht
bij de sluizen in de Nieuwpoortse
achterhaven genesteld hadden, werd dit
niet geaccepteerd. Om veiligheidsredenen
zou gebruik gemaakt worden van het
Oud-Veurnesas (of
Kattensas), dat tussen
Nieuwpoort-Stad en -Bad lag (op zowat 900
m van het sluizencomplex) maar al 35 jaar
nog nauwelijks gebruikt werd. Omstreeks 16
uur werd begonnen met de doorgangen onder
de spoorberm dicht te stoppen opdat het
water zich niet in de Belgische linies zou
verspreiden. En dat was een heel karwei
want op die afstand van 14 km waren er
niet minder dan 4 grote en 23 kleine
doorgangen (duikers) voor het water.
Sommige grachten waren heel klein, maar er
waren ook kanaaltjes van 6 à 9 m
breedte. De Grote Beverdijkvaart, de
Venepevaart, de Slijkvaart e.a. zijn
belangrijke waterlopen en die moesten
worden afgesloten. In de buurt van
Nieuwpoort werd een nooddijk van enkele
honderden meters tussen de afdamming van
de Koolhofvaart en het kanaal
Veurne-Duinkerke opgeworpen.
Er ontstond op de 25ste enige tijd
paniek want een Duits bataljon was om 20
uur vanuit Esen over de IJzer geraakt en
kon, gebruik makend van zwaar stormweer,
tot Kaaskerke vlakbij het hoofdkwartier
van admiraal Ronarch doordringen.
Daar eindigde hun tocht en de volgende
ochtend werden de overlevenden
krijgsgevangen gemaakt. Dit was een zware
tegenvaller voor de Duitsers want bij een
overschrijden van de IJzer moesten ze
absoluut Diksmuide in handen hebben
vooraleer ze verder naar het westen door
konden stoten.
Tegen de avond hield het Belgisch leger
stand op de stellingen
Noordvaart-Beverdijk in Oud-Stuyvekens en
aan de IJzerdijk, ten zuiden van de hoeve
Torenhof. Nieuwpoort en Diksmuide bleven
eveneens in Belgische handen.
Met dank aan :
- Jacques Bauwens - tekst
- Dirk Debacker - "Die Nobele
Rose
|