De heldinnen van Pervijze
Artikel overgenomen uit 'Westland Gidsenkroniek', jaargang 2011, nr. 3, Tijdschrift van de West-Vlaamse Gidsenkring Ieper-Poperinge-Westland

Auteur: Chris Vanderstichele

Dat de soldaten aan het front afschuwelijke dingen gezien, gehoord en meegemaakt hebben, betwijfelt niemand. Dat er in de nabijheid van en verder achter het front dag en nacht duizenden vrouwen klaar stonden om die gewonden op te vangen en hen zo goed als het kon weer 'op te lappen', daar wordt iets minder bij stil gestaan. Hun frustratie dat het niet over 'genezen' kon gaan, maar om 'oplappen' om zo snel mogelijk weer in de strijd te worden geworpen.

De morele dilemma's waarmee ze hierdoor geconfronteerd werden. Hoe begin je eraan als sommige soldaten bij aankomst in het ziekenhuis er bijna niet meer als mensen uitzien? Hoe ga je na de oorlog om met al die mentale en fysieke verminkingen die op je netvlies gebrand staan? Kan je ooit nog naar een naakt mannenlichaam kijken zonder dat deze gruwelijkheden opnieuw naar boven komen?

'Chaos', beter kan je de opvang van gewonden en de organisatie rond de medische verzorging in het begin van de eerste wereldoorlog niet omschrijven en het is misschien nog zacht uitgedrukt. Het lag sinds 1892 bij het Koninklijk Besluit vast dat het Belgische Rode Kruis zich in tijden van oorlog ter beschikking moest stellen van het Belgische leger. Zij moesten instaan voor het evacueren, verzorgen en het transport naar hospitalen. Indien er geen hospitalen waren, werden zij verondersteld deze op te richten. In 1914 was de organisatie van het Belgische Rode Kruis niet in die mate op punt dat ze in staat waren een groot militair conflict op te vangen.

Daar bovenop was er de snelle Duitse opmars in ons land waardoor gewonden vanuit het binnenland werden overgebracht naar Oostende. Heel wat medicijnen en medisch personeel bleven in het bezette België achter en waren dus niet meer beschikbaar. Op 13 oktober moest ook Oostende ontruimd worden en moesten de gewonde soldaten worden overgebracht naar Duinkerke, Calais of nog dieper in Frankrijk. Ze werden zelfs per boot overgebracht naar het Verenigd Koninkrijk.

In wat van niet-bezet België overbleef moest tijdens de IJzerslag nog alles uit de grond gestampt worden. Onderweg naar Frankrijk stierven veel soldaten en om dat sterftecijfer te drukken, vroegen de militaire artsen naar medische hulpposten op kortere afstand. Vermits men aanvankelijk nog de doorbraak van de Duitse troepen vreesde, maakte men in eerste instantie gebruik van mobiele eenheden die makkelijk konden meeschuiven met de frontlijn. Toen het front door de onderwaterzetting van de IJzervlakte stil viel, kon men aan vaste eenheden beginnen denken.

De eerste initiatieven in dat verband zijn te situeren bij privé-personen en dan vooral bij vrouwen van gegoede afkomst die ze financieel ondersteunden. In het leger werden de zorgen tot dan toe door priesters (als brancardiers) en nonnen (als verpleegsters) uitgevoerd. Naast het feit dat er bij dergelijke toevloed van gewonden geen personeel genoeg was, hadden de nonnen ook geen medische opleiding genoten en waren hun habijten verre van geschikt om mee te werken in operatiekamers. De hulp kwam uit Britse hoek, tientallen jonge vrouwen die zich aanboden om aan het front te komen helpen vonden geen gehoor bij het Britse en Franse leger, maar werden bij de Belgen met open armen ontvangen.

Tijdens de slag aan de IJzer was de toevloed aan gewonden niet op te vangen (men spreekt over 1000 slachtoffers per dag). Eerste hulp gebeurde dicht bij het front en daarna werden ze overgebracht naar burgerziekenhuizen in Diksmuide en Veurne. Dat eerste, dat zich eveneens in de frontzone bevond, moest na verloop van tijd in uiterst hachelijke omstandigheden geëvacueerd worden. 

Duinkerke en Calais waren opnieuw de reddingsboei, maar met een hoge tol als gevolg. Er bleven twee Belgische hospitalen over in Veurne, waarvan er één, 'Belgian Field Hospital' genoemd, op 21 oktober 1914 werd opgeëist door de Britten voor de verzorging van hun zwaargewonden.

Een ambulant groepje vrijwilligers met vijf Britse verpleegsters onder leiding van Dr. Munro dat reeds in Antwerpen actief was, volgde het Belgische leger bij de terugtrekking. Echter ont- goocheld, o.a. door slechte communicatie met Belgische militairen en slechte samenwerking als gevolg, waren ze van plan terug naar Engeland af te reizen. Ze konden op het nippertje overtuigd worden door Luitenant de Broqueville om toch te blijven en werkten samen met hem in uiterst gevaarlijke omstandigheden om gewonden uit de vuurlinie te halen. Het Munro's Ambulance Flying Corps werd officieel erkend en ingeschakeld bij het Belgian Field Hospital.

Twee van Munro's verpleegsters hebben een uiterst heldhaftige reputatie opgebouwd in de vier oorlogsjaren. Elisabeth Knocker (rechts) en Mairi Chisholm (links),



'ontdekt' door Dr. Munro terwijl ze door het drukke Londense verkeer laveerden met hun motor ten dienste van het Women's Emergency Corps. (Deze organisatie, opgericht twee dagen na de oorlogsverklaring van Duitsland, probeerde op veel verschillende manieren de hoogste noden te helpen lenigen. Dit zowel voor de eigen bevolking als voor de vluchtelingen die in Engeland aankwamen. Ze stonden ook de soldaten bij die naar het front vertrokken door hen elementair Frans en Duits bij te brengen.)





Elsie Knocker was 30 jaar en vroedvrouw, terwijl Mairi Chisholm pas 17 was, maar over stalen zenuwen beschikte. Ze verkocht haar geliefde motor om met eigen middelen een ambulance te kopen en daarmee door het zwaar gehavende oorlogslandschap gewonden aan het front op te pikken. Eind november trokken beide vrouwen samen naar Pervijze. Overtuigd van het feit dat heel wat gewonden stierven omdat ze te ver moesten vervoerd worden, wilden ze daar een voorpost voor eerste hulp installeren.

De militairen wilden daar in eerste instantie niets van weten, maar Knocker en Chisholm gingen koppig door en kregen uiteindelijk toestemming. Ze namen hun intrek in kelders op 50 meter van de loopgraven en gewonden kregen er de eerste zorgen toegediend alvorens naar Veurne te worden overgebracht. Ze werkten en leefden er in erbarmelijke omstandigheden met de soldaten, verzorgden hun grote en kleine wonden en pijnen. Ze maakten soep en warme chocolademelk voor zij die 's nachts de wacht moesten houden. In 1915 werd er een decreet uitgevaardigd waarbij de aanwezigheid van vrouwen aan het front verboden werd. Voor de twee Britse dames werd een uitzondering toegestaan, wat getuigde van grote bewondering en respect voor hun werk en persoon. Reeds in november van 1915 werden ze beiden door Koning Albert opgenomen als Ridder in de Orde van Leopold II.

In januari 1916 huwde Elsie Knocker (die voor de oorlog gescheiden was, maar zei dat ze weduwe was) in Engeland met de Belgische piloot Baron Harold de T'Serclaes. In 1919 werd dat huwelijk ontbonden toen de katholieke kerk erachter was gekomen dat Knocker geen weduwe was, zoals ze had beweerd.

Tijdens hun korte rustperiodes over het kanaal hielden de vrouwen lezingen en verzamelden daarbij fondsen om medisch materiaal aan te kopen. Ze werden beroemd als de 'heldinnen van Pervijze'. Elsie kon het zelfs met de Duitsers op een akkoordje gooien betreffende het op een veilige manier gewonden in het niemandsland op te halen. Ze stuurde haar hondje naar de overkant met een nota voor de Duitse officier van dienst en ze kreeg de belofte dat er toen niet zou gevuurd worden als ze gewonde soldaten uit het slijk moesten trekken en ophalen. Ze moesten wel hun verpleegstersluier dragen zodat ze goed herkenbaar zouden zijn. Op de duozit (foto) van haar motor bracht ze vaak gewonden weg achter de linies.

Na een paar keer verhuisd te zijn omwille van het gevaar, werden ze op 17 maart 1918 slachtoffer van een gasaanval. Ze werden beide naar 'L'Océan' in De Panne gebracht en Knocker moest zelfs worden overgebracht naar Engeland. Ze keerde niet meer terug naar het front. Haar collega Mairi Chisholm keerde nog één keer terug, maar na een tweede gasaanval werd ze door de legerleiding verboden nog met het werk door te gaan. De hulppost werd definitief gesloten.



Bekijk hier ook het filmpje dat de Britse zender ITV maakte en uitzond op 11/11/2018.



Gepubliceerd 30/12/2012.