Albertina memorial 'Chirurgische post Sint-Jansmolen 1916-1917'
  • De naamsteen werd in 2002 verplaatst. Deze foto toont de vroegere standplaats langs de Pervijzestraat.
  • De nieuwe plaats van de naamsteen.
Practical info
Who/What
Chirurgische post Sint-Jansmolen 1916-1917
Location
Lampernissestraat - near the 'molenbrug' (Millbridge) (from Oostkerke to Lampernisse)
Lampernisse, Diksmuide
Date
14/11/1986
Coordinates
GPS-Reference R5386 - Naamsteen - Chirurgische post Sint-Jansmolen 1916-1917 - Lampernisse
DMSX N 51°02'22.7'' - E002°46'22.6''
DMX N 51°02.378' - E002°46.377'
D N 51.039639° - E002.772944°
UTM 31U E 484081 N 5654257
GOOGLE EARTH 51 02.378 N, 002 46.377 E
Maps
• Mapquest
Info
'Naamsteen 1914-1918' Nr. 12 - derde reeks - 1986

Op 14 november 1986 had in Reninge bij het Abelenhof de plechtige onthulling plaats van de derde reeks 'Naamstenen' (Chirurgische Post De Grognie, Oudekapelle, Chirurgische Post Sint-Jansmolen, Legerhospitaal L'Océan, Vinkem, Kantonnement Le lion Belge, Oostvleteren).

De 'naamstenen' werden in de tachtiger jaren geplaatst op belangrijke sites voor het Belgisch leger waar nog geen gedenktekens aanwezig waren. Het gaat telkens om een ruitvormige gedenksteen uit witte natuursteen die schuin tegen rechthoekige sokkel van gewapend beton gevestigd is. Bovenaan het gekleurde wapenschild van de provincie West-Vlaanderen; daaronder "Chirurgische post Sint-Jansmolen 1916-1917" en het monogram van Koning Albert I.

De naamstenen zijn ontworpen en uitgevoerd door Pieter-Hein Boudens, geboren te Brugge op 29 april 1955. De ruitvormige naamstenen meten 80 x 80 x 10 cm. De letters zijn diep V-vormig ingekapt en lichtgrijs gepatineerd. Bovenaan de tekst prijkt het schild van de provincie West-Vlaanderen in geanodiseerd aluminium. Onderaan werd meestal het officieel monogram van Koning Albert I ingekapt als hulde aan deze vorst. Het voetstuk in spanbeton werd gegoten door de firma Hollevoet te Torhout naar een ontwerp van Johan Vansteenkiste, bouwkundig tekenaar bij de Provinciale Dienst voor Cultuur.
Extra information
DE MEDISCHE VERZORGING

Net zo min als de legeroverheid voldoende voorbereid is op de oorlog, is de gezondheidsdienst van het leger bij de aanvang voorzien op de opvang en verzorging van de vele zieken en gekwetsten. Ook het Rode Kruis, dat in oorlogssituaties bijstand moet verlenen aan de gezondheidsdienst van het leger, heeft met hetzelfde probleem te kampen.

Bij het begin van de oorlog kunnen de medische diensten van Oostende nauwelijks alle gekwetsten opvangen, die vanuit het binnenland naar Engeland geëvacueerd moeten worden. Vele zieken en gewonden blijven dan ook in het bezet gebied achter en worden krijgsgevangen genomen. Anderen worden met een sanitaire trein, speciaal voor het vervoer van gekwetsten, naar Duinkerke overgebracht. Tijdens de eerste maanden van de oorlog zijn de basishospitalen in Noord-Frankrijk in de buurt van Calais gesitueerd. De sanitaire treinen maken gebruik van de bestaande spoorlijn (o.a. Adinkerke-Calais) als de oorlogsomstandigheden en de grote drukte het toelaten.

Na de Slag aan de IJzer stabiliseert het front zich en is er gelegenheid om de medische hulp te organiseren. Geleidelijk aan wordt een heel evacuatiesysteem uitgebouwd. Er bestaan twee grote circuits: is de patiënt zwaar gekwetst en moet hij geopereerd worden, dan wordt hij zo snel mogelijk naar een fronthospitaal overgebracht. Anders gaat de gekwetste naar het evacuatiehospitaal in Adinkerke of eventueel naar een fronthospitaal. Vanuit Adinkerke kunnen zij naar Noord-Frankrijk of Engeland worden overgebracht voor verder herstel.

De gezondheidsdienst van het leger zelf beschikt in 1914 over twee fronthospitalen. Aanvankelijk wordt het Sint-Janshospitaal van Veurne uitgebreid met een chirurgische afdeling. Vanaf oktober is het ‘Belgian Field Hospital’ in Veurne operationeel onder Britse vlag en wordt het versterkt met de ‘Munro's Ambulance Flying Corps’. In 1915 wordt het door de Belgen overgenomen en verhuist het korte tijd later naar het rustoord de ‘Clep’ te Hoogstade, waar de Gentse chirurg Ch. Willems de leiding neemt. Vanaf april 1915 is het ‘Hópital Militaire Belge’ in Adinkerke in de ‘Villa Cabour’ werkzaam. Van dit grote hospitaalcomplex, opgericht in de binnenduinen, met 19 paviljoenen en een capaciteit van 500 bedden zijn op vandaag praktisch alle sporen uitgewist, ofwel zijn zij bedolven onder het zand. Adinkerke behoudt zijn medische afdeling voor besmettelijke ziekten. Van zodra men veronderstelt, dat de frontlijn meer naar het zuiden zal verlegd worden, verhuist de chirurgische afdeling in 1917 naar Beveren-aan-de-IJzer, een ander modelhospitaal. Dit is reeds vanaf 1916 in werking. Ook te Adinkerke bestaat er een evacuatiehospitaal, opgericht in 1914, dat vanaf 1915 zij aan zij functioneert met een Franse eenheid.

Zoals uit het verdere verhaal zal blijken, verloopt de samenwerking tussen het Rode Kruis en de Gezondheidsdienst van het Leger niet altijd even vlot. Eén van de vooraanstaande figuren van het Rode Kruis en persoonlijke vriend van het koningspaar is dokter Antoine Depage. Hij is professor aan de Vrije Universiteit Brussel en bij het begin van de oorlog hoofd van het militair hospitaal te Calais. Op vraag van de koning en de koningin zal hij in december 1914 een hospitaal installeren in De Panne. Hij geniet daarbij uitgebreide internationale steun, wat hem toelaat praktisch autonoom te werken. Het hospitaal wordt ondergebracht in het hotel ‘L’Océan’ aan de zeedijk. Al vlug worden een aantal houten barakken toegevoegd om de toevoer van slachtoffers op te vangen. Het heeft een capaciteit van 1200 bedden oplopend tot 1800 en beschikt over 12 operatietafels. Het hospitaal wordt geleid als een semi-universitaire kliniek, waar op het einde van de oorlog studenten in de geneeskunde hun examen via middenjury kunnen afleggen. Tegelijkertijd wordt er dankbaar gebruik gemaakt van hun diensten. Depage is een groot organisator en een uitstekend geneesheer, hij is mee bepalend voor het imago van de gezondheidszorg in de Eerste Wereldoorlog. Meer dan eens weigert hij zijn opdrachtgever het Rode Kruis of de legerleiding te gehoorzamen. Ook weigert hij lange tijd een volledig legeruniform te dragen.

Drie Chirurgische Voorposten: Sint-Jansmolen De Grognie 't Abelenhof Dichter bij het front zijn er de bataljonsposten van 1ste en 2de lijn en tal van divisie-infirmerieën opgesteld, waarvan die van Steenkerke, één van de grootste is. Tussen 1915 en 1918 worden er meer dan 350000 zieken en gekwetsten geëvacueerd uit de linies. Een vaak gehoorde klacht is, dat een aantal gekwetsten met buikwonden op weg naar één van de fronthospitalen infecties oplopen of bloeduitstortingen krijgen en onderweg overlijden.

Dokter Derache van ‘Cabour Chirurgical’ doet in juni 1916 dan ook het voorstel aan de Minister van oorlog, om een aantal ‘Chirurgische Voorposten’ in te richten op 2 tot 5 km van het front, zodat gekwetsten vrijwel onmiddellijk zullen kunnen worden geopereerd en de kans op infectie vermindert. En inderdaad wordt achteraf 56% van de tussenkomsten met succes bekroond, wat voor die tijd een hoog percentage is. Eens de toelating verkregen, worden op korte tijd drie ‘Chirurgische Voorposten’ uitgebouwd. Elke post krijgt een afgebakende zone toegewezen. Zij blijven ongeveer een jaar operationeel en worden in de zomer van 1917 met het oog op de geplande offensieven weer afgeschaft.

In januari 1918 worden er nogmaals twee posten geïnstalleerd: één in een verlaten brouwerij te Nieuwpoort, een andere te Zoutenaaie. In het noorden ligt de ‘Voorpost Sint-Jansmolen’: afhankelijk van L’Océan De Panne en is gelegen op het grondgebied van Oostkerke tussen de kruispunten Lettenburg en Scheeweg op de weg Diksmuide-Pervijze. Hij is niet verder dan 1 km van het eerste loopgravennet achter de spoorlijn Diksmuide-Nieuwpoort verwijderd.

Deze mobiele Chirurgische Voorpost wordt een eerste maal opgesteld voor de villa Bortier in juni 1915 in De Panne. Hij is een gift van een zekere M. Vandenplas aan koningin Elisabeth, die hem op haar beurt ten geschenke geeft aan L’Océan. De kern van de medische post bestaat uit vier vrachtwagens onderling verbonden door een grote tent, elektrisch verwarmd en met een complete medische uitrusting. In een vijfde wagen wordt er geopereerd. ‘Het geheel omvatte een wachtzaal, een operatiezaal, een radiologiekamer, 4 tot 6 grote tenten met max. 20 bedden, een keukentent met rollende veldkeuken, een magazijntent, een apotheektent, een wasserijtent en nog een reeks tenten voor het personeel’ aldus Mélis in ‘Contribution á l’histoire du Service de Santé’. De gewonden kunnen zelfs per boot via het kanalennet aan en afgevoerd worden. Deze post staat open en bloot voor het oog van de vijand, op zowat 2,5 km van de Dodengang met als enige bescherming het grote Rode Kruissteken op het dak van de tent.

(Bron: Catalogus ‘Naamstenen 1914-1918’, Provincie West-Vlaanderen 1988)