Marie-Jeanne Van Mol: 'Mon Journal'
(Volgend artikel is overgenomen uit het Tijdschrift van de Heemkring Aan de Schreve, 36ste jg. 2006, nr. 4 - Auteur: Stefaan Cossey, Roeselare).

Marie-Jeanne Van Mol in 1912 (Copyright Heemkring Aan de Schreve)



"Marie-Jeanne Van Mol, 'Mon Journal'" staat op de kaft van een schrift dat ik vond in een oude kist vol souvenirs van mijn grootouders. Marie-Jeanne Van Mol was de echtgenote van mijn grootvader Albert Cossey, zij baatten samen de schoenhandel Cossey uit in de Gasthuisstraat in Poperinge.

Marie-Jeanne werd geboren te Oostende op 26 april 1902 († Poperinge 25/09/1972). Zij had nog een jongere zuster Simonne die later gehuwd is met apotheker Georges Inghelram en die woonde in de Ieperstraat. Hun ouders waren Leopold Van Mol (° Puurs 12/11/1873 - † Poperinge 19/06/1931) en Rachel Melis (° Poperinge 16/10/1879 - † Poperinge 27/02/1928).



Leopold Van Mol en Rachel Melis (© Copyright Heemkring Aan de Schreve)

Bij het begin van de Eerste Wereldoorlog woonde het gezin Leopold Van Mol - Rachel Melis en kinderen in Oostende. Het is daar dat het gezin voor de eerste maal op de vlucht sloeg voor het oorlogsgeweld in 1914. Na enkele jaren in Frankrijk te verbleven te hebben, keerden zij terug naar België. Het was onmogelijk naar het bezette Oostende terug te gaan, daarom verbleven zij in Poperinge, dicht bij de rest van de familie. Doch er volgde nog een tweede vlucht naar veiliger oorden, deze maal vanuit Poperinge en dit naar aanleiding van het Duitse offensief in 1918.

'Mon Journal' bestaat uit de twee beschreven vluchtroutes. Het in een mooi handschrift geschreven dagboek is volledig in het Frans opgesteld. Het is fascinerend om te lezen hoe een kind de oorlog en die exodus beleefde. Voor de kinderen moet dit een ongelooflijk en indrukwekkend avontuur geweest zijn.

Eerste dagboek: najaar 1914

Augustus 1914

Sedert de oorlogsverklaring door Duitsland aan België en gedurende de mobilisatie die daarop volgt is onze stad Oostende volop in beweging.

Als kuststad en Koningin der Badsteden is onze stad druk bezocht door rijke buitenlanders, en gezien het vakantie is, is het er zeer druk. Maar omwille van de omstandigheden is plots iedereen gehaast om terug te keren naar zijn land.
Ieder huis is bevlagd met grote Belgische vlaggen, het symbool van ons geliefde land, en langs alle kanten hoort men roepen: "Leve België, dood aan de Duitsers".

Terwijl onze dappere Belgische soldaten vechten voor de stad Luik, zoekt men overal Duitse spionnen, en ze hebben er al veel gevonden in Oostende. Er is zelfs een Duitse generaal van 60 jaar gearresteerd waarvan men in zijn hotelkamer een lade vol gestolen plannen ontdekt heeft. Er werden ook enkele Duitsers aangehouden die zich verkleed hadden als nonnen. Ze hebben goed roepen "Gott mit uns", deze bandieten, dit na al hun heiligschennis die ze reeds aangericht hebben, zoals het doden van priesters en platbranden van kerken.

12 oktober 1914

Nu de steden Luik en Antwerpen gevallen zijn, stromen er talloze vluchtelingen uit de streek van Leuven en Mechelen toe, gevolgd door vele gewonde Belgische soldaten.

Vanavond stond mama op het balkon te kijken naar het aanbrengen van het stro waarop de soldaten slapen in het café recht tegenover ons huis en ook om te kijken naar de vele groepen mensen die vertrekken naar Frankrijk, want de Duitsers naderen snel. Plotseling hoorde zij een stem die haar riep bij haar naam. In het lichtschijnsel van een lantaarn herkende zij haar zuster, mijn tante Maria (woonde te Poperinge en was getrouwd met Maurice Couttenier), met haar twee kinderen Joseph en Paul. Vlug ging mijn moeder de deur openen en tante kwam wenend binnen. Zij kwamen van Poperinge waar de Duitsers al waren. Zij vertelde heel haar verhaal dat ze de helft van de weg te voet had afgelegd, en de andere helft op een hondenkar. Wanneer moeder vertelde dat het in Oostende even slecht ging en dat we er ook aan dachten om de volgende dag te vluchten, wilde tante dadelijk terugkeren naar Poperinge, want nonkel zat daar nog in het stadhuis.

Ze zei dat ze nog dezelfde avond zou vertrekken met de laatste tram naar Leffinge. Mijn ouders zegden haar dat wij nog twee dagen zouden wachten en beloofden haar dat ze dan ook zouden vluchten. Daarna is tante met de kinderen terug vertrokken.

Die nacht hoorde ik een zacht geronk in de lucht, wij keken door het raam en zagen een lange ballon, papa zei: "Het is een zeppelin." Die kwam bommen gooien op de Engelse en Canadese soldaten die met massa's in de stad aanwezig waren.
Deze morgen gaan wij en zowat heel Oostende kijken naar de enorme kraters en verwoestingen die de bommen hebben aangericht. Iedereen is zenuwachtig. Vanavond zaten we aan tafel en zouden net beginnen eten, toen er iemand aanbelde. Mama ging opendoen, deze keer was het haar broer, mijn nonkel Jozef. Hij was buiten adem na een lange dagtocht vanuit Brugge. Hij zei dat de Duitsers in Brugge waren en dat we zo snel mogelijk moesten vertrekken uit Oostende.

Door de spanning van de laatste dagen beginnen wij angstig het hoogstnodige te vergaren. Daar tante Maria niet teruggekeerd is vanuit Leffinge, veronderstellen we dat ze terug geraakt is tot in Poperinge. "Morgen vluchten we," zegt mama en ik heb geen oog meer dicht gedaan.

Deze ochtend, bij het krieken van de dag zijn we vertrokken samen met nonkel Jozef met elk een eigen pakketje onder de arm. Al de mooiste dingen hebben we achterlaten, want we denken binnen de veertien dagen terug in Oostende te zijn. Wij hebben besloten om voor twee weken naar Engeland te gaan en vertrekken naar de Oostendse haven. Daar aangekomen is er een zodanige menigte in de haven dat we er niet met de boot kunnen vertrekken. Een stationsbeambte die papa goed kent, zegt dat er een trein is die zal vertrekken naar Duinkerke. Maar het is onmogelijk om nog in het station binnen te geraken, ook hier zijn er duizenden vluchtelingen. Gelukkig laat deze man ons binnen langs een dienstingang aan de achterkant van het station.

Wij de trein op naar Duinkerke, maar deze is overvol, alleen mama en mijn kleine zus kunnen neerzitten. De trein moet normaal om negen uur 's morgens vertrekken, maar het is pas laat in de avond als hij vertrekt. Om middernacht stopt hij in Zarren. Plots horen we stappen op de baan naast de spoorweg, iedereen fluistert: "Lichten uit", en alle lampen op de trein worden vlug gedoofd. De treinchef komt zeggen dat er Duitsers op de baan marcheren, dat alle mannen hun sigaretten of sigaren moeten doven en dat de mensen hun huilende kinderen moeten doen zwijgen. Wat een nacht, men kan een speld horen vallen, ik durf nog nauwelijks te ademen, wat een vrees voor de Duitsers die daar passeren en opmarcheren naar Oostende. Geen mens durft nog te bewegen want er staan zeven kanonnen op onze trein en als de Duitsers deze zouden zien, zouden ze de trein onmiddellijk beschieten. Mama heeft zo'n schrik dat ze flauwvalt, papa neemt haar stilletjes mee uit de trein tot bij een sloot om haar weer tot bewustzijn te brengen. Om vier uur in de morgen is het gevaar geweken en zet de trein zich stilletjes in beweging. Wij zijn heel bezorgd want nonkel Jozef heeft de trein verlaten om in een hoeve melk te vragen en is nog steeds niet terug.

De trein rijdt al als nonkel met zijn fles melk komt aangelopen, gelukkig rijdt de trein zodanig traag dat nonkel er nog kan opspringen. Wat later stopt de trein opnieuw, nu in Diksmuide, en blijft er stil staan. Papa vraagt de machinist wanneer de trein opnieuw gaat vertrekken. Die antwoordt: "Ik zal vertrekken wanneer men het mij zegt. Misschien gaan we de nacht opnieuw hier moeten doorbrengen. Er zijn méér dan 50 treinen voor ons op de spoorweg en we kunnen niet vooruit geraken gedurende de nacht."

Papa schrikt, want hij heeft geen zin meer om nog zo een verschrikkelijke nacht door te brengen op de trein. Om iets te eten te hebben geeft papa 50 centiemen aan een kleine jongen die dadelijk op de nabij gelegen velden rapen gaat zoeken. Daarna hebben we twee dagen geleefd van deze rapen. De trein blijft maar in Diksmuide stil staan, soldaten lopen af en aan en de angst is te snijden. Zoals velen besluiten we onze pakken te nemen en de trein te verlaten om te voet verder te vluchten in de richting van Veurne. Dit is ongeveer twintig kilometer verder. Halfweg vinden we een familie vluchtelingen in het bezit van een vrachtwagen. Tevreden mogen wij achteraan plaats nemen en weg zijn we. Maar de chauffeur vergist zich van weg en uiteindelijk zijn we nog verder weg van Veurne dan toen we vertrokken. We zijn maar terug afgestapt en we zetten onze tocht te voet verder. Het is al 10 uur in de avond als we in Veurne aankomen en het is er al heel donker. Alleen enkele straatlantaarns projecteren een lichtkring tegen de gevels. Wanneer we bij de eerste stadsbrug aankomen, staat daar een soldaat die ons toe roept: "Halte-là!" Maar door al ons onderling gebabbel hebben wij hem niet gehoord en hij roept nog luider: "Halte-là!" en daaraan toevoegend "of ik schiet…" Bij deze woorden staat iedereen stil, niemand durft zich nog te verroeren. Dan zegt de soldaat dat er iemand naar voor moet komen. Mijn vader gaat naar hem toe en maant ons aan om kalm te blijven.

De soldaat vraagt: "Wachtwoord?"
Papa zegt: "Ik weet het niet."
De soldaat zegt: "Wel dan komt er niemand de stad binnen."

Papa laat zich niet doen en legt hem de reden van onze laattijdige aankomst uit en vertelt hem dat we al drie nachten niet geslapen hebben, dat hij een vrouw en twee kinderen mee heeft en dat hij dadelijk de commandant wil spreken. De commandant wordt geroepen. Wanneer hij eraan komt, wat een gelukkig toeval, blijken mijn papa en de commandant elkaar te kennen. De commandant is een goede vriend van mijn grootvader. Na alles uitgelegd te hebben mogen wij dadelijk passeren. De commandant stuurt zelfs een soldaat mee die ons moet vergezellen door de stad. Aan de volgende versperring staat er weer een soldaat die zijn geweer op ons richt en opnieuw het wachtwoord vraagt. De soldaat die met ons mee is antwoordt iets wat ik niet begrijp en we worden dadelijk doorgelaten en zo zijn we eindelijk binnen in de stad.

Wat een spektakel krijgen we hier te zien… Al de trams staan er in de stad, allen overvol met vluchtelingen die geen plaats meer gevonden hebben in de huizen, vluchtelingen staan en liggen in, op en naast de tram. De voetpaden liggen vol vluchtelingen, sommigen liggen zelfs op de straat. Van alle huizen zijn de deuren en luiken dicht en men ziet niet het minste licht, men hoort overal veel lawaai en gebabbel uit de huizen komen, waaruit blijkt dat deze propvol vluchtelingen zitten. Wij beginnen wanhopig een slaapplaats te zoeken. Wanneer we op de Grote Markt aankomen is er nog een café open. We gaan er binnen maar daar is het nog erger dan op straat. Eerst kunnen we niets zien door een ondoordringbaar rookgordijn van sigaretten- en pijpenrook en horen we alleen gesnurk langs alle kanten, van mensen die liggen te slapen.

Wanneer onze ogen het flauwe licht gewoon geworden zijn en we wat kunnen observeren, zien we overal soldaten liggen, op de stoelen, op de tafels, onder de tafels, op de vensterbanken en rechtstaand tegen de muren. De cafébazin komt ons vragen wat we willen en papa vraagt of we iets te eten kunnen krijgen. Ze zegt dat ze noch brood noch groenten heeft maar wel wat vlees en papa aanvaardt met genoegen. Het is een vriendelijke vrouw, ze neemt ons mee in haar nabij gelegen keuken en ze dekt er de tafel.

Zij is benieuwd naar ons wedervaren en papa, mama en nonkel vertellen alles tot in de details. Ik ben zo moe dat ik tijdens het eten met mijn vork in de mond in slaap val. Vol medelijden zegt deze mevrouw dat mijn zuster en ik bij haar jongere zuster mogen slapen. Die heeft een dubbel bed en dat zal wel lukken. Papa, mama en nonkel Jozef mogen op de hooizolder slapen. Zij krijgen de Belgische vlag mee als deken en slapen met hun kleren aan. Ik weet niet wanneer zij gaan slapen zijn want ik ben al vlug in een diepe slaap verzonken.

Wanneer ik de volgende ochtend wakker word, is de juffrouw die naast mij lag al vertrokken, dus weet ik niet bij wie ik geslapen heb. We nemen ontroerd afscheid van de vriendelijke vrouw en even later staan we terug op de overvolle markt. Eerst moet er voedsel gezocht worden, we hebben honger en geen brood. Papa en nonkel Jozef trekken in de stad van bakkerij naar bakkerij zonder ook maar iets te vinden … tot mijn nonkel plotseling zijn oude superieur van het college, waar hij gestudeerd heeft, tegen komt. Als deze hen vraagt waar zij 's morgens vroeg naartoe gaan, vertellen zij dat ze hopeloos op zoek zijn naar brood.

De superieur zal hen helpen. Hij neemt hen mee naar het College van Veurne en zij komen terug met een krant vol geboterde boterhammen met lekkere kaas. Na smaakvol gegeten te hebben, vertrekken we uit Veurne en gaan te voet naar Duinkerke. De weg ziet zwart van het volk. Ik zie een man die een kruiwagen voortduwt, volgeladen met oude kleren, en daar bovenop zit een gehandicapte oude vrouw. Hij wordt gevolgd door zijn vrouw en een groep kinderen die elke een pakje dragen. Verschillende kinderen zijn blootsvoets.

Voor ons rijden vluchtelingen met paard en kar. Zij stellen voor onze zwaarste pakken op de kar te zetten. Na enige tijd begint het paard te lopen en wij die volgen vergeten mee te lopen en wég zijn onze pakken. Wat zien mijn arme benen af op deze weg en er zijn 24 kilometer te gaan…

Ondanks het koude weer liggen naast de weg in alle gaten en grachten mensen te rusten. Dan heb je nog de militaire voertuigen die ons met een verschrikkelijke snelheid voorbijrazen en iedereen in een ontzaglijke stofwolk omhullen en verblinden. Op twee kilometer van Duinkerke laten Franse soldaten ons op hun voertuig stappen en zij nemen ons mee naar Duinkerke. We zijn content dat we niet meer te voet moeten gaan, maar het is jammer dat we ze niet eerder ontmoet hebben bij het begin van de dag.

In Duinkerke is het net als in Oostende, enorm veel volk, allemaal vluchtelingen. We zoeken iets te eten en stappen binnen in 'A la ville de Naples'. Daar nemen we een lekker diner dat ons veel deugd doet.

Daar we geen boot naar Engeland hebben kunnen nemen in Oostende, heeft men ons aangeraden de boot te nemen in Duinkerke. Wanneer we daar naar de haven gaan is er nog geen enkele boot naar Engeland vertrokken. Ook onze boot ligt al acht dagen volgepropt met vluchtelingen te wachten. Er zijn zelfs al kinderen aan boord gestorven van de kou. Het heeft geen zin om daar te blijven en we keren terug de stad in. Alle hotels zijn bezet, maar we kunnen logeren in een burgerhuis, niet heel mooi maar wel heel proper. Wij besluiten in Duinkerke te blijven en de gebeurtenissen af te wachten. We hopen nog steeds dat we binnen de veertien dagen zullen kunnen terug keren naar Oostende.

Op een dag wandelen we door de stad wanneer we een affiche zien waarop staat dat alle vluchtelingen binnen de 36 uren de stad moeten verlaten. Weeral moeten we op de vlucht. We keren terug naar onze verblijfplaats om onze bagage op te laden. Onderweg komen we voorbij enkele scholen die ontruimd worden. Al die arme ongelukkigen staan opnieuw op straat. Papa, mama en nonkel Jozef besluiten de trein te nemen naar Boulogne, maar wanneer we met onze bagage bij het station aankomen, staan er duizenden mensen voor ons aan te schuiven. Terwijl we daar op het stationsplein staan te wachten komt een Duitse Taube boven de massa gevlogen. Er breekt een enorme paniek uit. Mensen schreeuwen en schreien, lopen door elkaar, vallen over bagage, stormen de huizen binnen of schuilen in alle hoeken en kanten of tegen de gevels van de huizen. Dadelijk beginnen de geallieerde soldaten met alle wapens die ze bij zich hebben furieus en oorverdovend te schieten op het vliegtuig. De Taube heeft geen tijd om zijn bommen te gooien en vlucht weg zo snel hij kan. Wanneer het gevaar geweken is komt iedereen opnieuw in beweging.

Wij zorgen ervoor als eersten bij de schildwachten te staan die het plein bewaken. Plots worden met een enorm kabaal de poorten van het station geopend. Van alle kanten duiken de mensen op en gaan als wilden te keer om als eersten aan de poort te zijn. Er komt een officier naar ons toe. Die duidt vijf mensen aan waaronder mama, mijn zus en ik en beveelt ons de trein op te stappen. Maar daar papa en nonkel Jozef niet mogen passeren, wil mama de trein niet opstappen. De officier schiet in een geweldige colère, maar mama wil niet toegeven en wil niet opstappen. De officier wordt bloedrood en wij dachten dat hij een beroerte zou krijgen. Plotseling laat hij papa en nonkel toch door en zijn we allen weer samen.

De trein blijft nog uren stil staan en het is bijna middernacht wanneer hij zich in beweging zet richting Calais. Daar hopen wij af te stappen, maar daar aangekomen is men onverbiddelijk, niemand mag van de trein. Op de perrons krioelt het enerzijds van de soldaten die vertrekken naar het front en anderzijds van gewonden die terug komen van het front. Papa vraagt aan de treinchef waar we nu naartoe zullen gaan, de chef antwoordt: "Altijd rechtdoor." De trein vertrekt richting Boulogne. Plots moet onze trein bruusk remmen. Iedereen hangt dadelijk uit de ramen om de oorzaak van het oponthoud te zien. Het is verschrikkelijk, de trein voor ons is op zijn voorganger gereden, via een zijspoor rijden wij langs de ravage, er liggen al 80 doden langs de trein en nog veel meer gewonden. Allen arme vluchtelingen. Overal lopen soldaten en verpleegsters om te helpen.

In Boulogne aangekomen, nog steeds hetzelfde verhaal, niemand mag afstappen en niemand weet waar de reis naartoe gaat. Terug verder en opnieuw een stilstand, nu in het station van Amiens, niemand mag de trein verlaten en de trein blijft de hele nacht in het station stilstaan. Gedurende de nacht brandt er geen enkel licht in de stad, noch in het station, noch in de trein. Het is er pikdonker. In de verte, op de sombere buiten, horen we voortdurend het gerommel en gedonder van de kanonnen aan het front. Af en toe wordt de hemel helemaal opgeklaard door de ontploffing van een 'monster'obus.

Marie-Jeanne en Simonne Van Mol in 1912 (© Copyright Heemkring Aan de Schreve)



De volgende ochtend zijn we blij, wanneer de trein in alle vroegte terug vertrekt, maar ik heb de moed niet meer om het wisselende landschap te bewonderen, iets wat ik tijdens het reizen steeds zo graag doe. Wij zijn nu al vijf dagen onderweg zonder eten. Ik ben halfdood van de honger en ontbering. Af en toe drinken we cider uit eigenaardige flessen die de verpleegsters ons brengen. Onze trein rijdt verder en wanneer we aankomen in Sotteville zijn we allen uitgehongerd. Ik ben ziek van al die eindeloze ellende.

In het station van Sotteville komt er uit de tegenovergestelde richting een trein die stopt net naast onze trein. Deze trein zit vol met Engelse officieren en soldaten die naar het front vertrekken. In het treincompartiment net naast ons doet een oudere officier het raam open en vraagt door ons raam aan papa waarom wij allen zo bleek zijn. Papa vertelt hem ons wedervaren en dat de bleekheid te maken heeft met de grote honger die we hebben. Dadelijk ordonneert de officier aan een soldaat om voedsel voor ons te halen. Wat later geeft hij ons een brood, appelconfituur, chocolade en een doos kleine koekjes. Wij zijn zo dankbaar en kunnen hem niet genoeg bedanken. Met tranen in de ogen vertelt de officier ons dat hij ook twee dochtertjes van onze leeftijd heeft moeten achterlaten in Engeland en dat hij niet weet of hij ze ooit nog terug zal zien.

Voor we vertrekken vraagt hij of we een klein aandenken hebben voor hem. Wij geven hem twee kleine medaillons, ik een gouden met de beeltenis van prinses Marie-Josée, mijn zus een zilveren met de beeltenis van onze koning en koningin. De man is zo gelukkig en omhelst ons allen. Een locomotief fluit en zijn trein vertrekt als eerste, wij kijken door het raam en zwaaien naar hem, ook de officier hangt uit zijn raam en blijft met zijn zakdoek zwaaien tot zijn trein uit het zicht verdwenen is.

Na een poosje vertrekt ook onze trein en wat later komen wij aan in het station van Rouen. Weeral hetzelfde liedje, niemand mag uitstappen. Een meneer, die toch uitstapt om melk te zoeken voor zijn kind en zijn in zwijm gevallen vrouw, wordt als een misdadiger tussen twee gendarmes terug gebracht naar de trein. De man is nog maar pas op de trein of we vertrekken opnieuw. Er wordt traag gereden en slechts stapvoets rijden we op een door soldaten sterk bewaakte brug over de Seine. Overal zien we dynamiet aan de brug vastgemaakt. Daarna begint de trein te versnellen en wordt er niet meer gestopt.

Papa zegt dat we Orléans naderen en plots rijden we langs een immens groot Hindou-kamp. Het is grappig om zien, honderden sneeuwwitte tenten en daartussen duizenden zwarte mannen. Maar de trein rijdt verder en stopt eindelijk in het station van het stadje Vièrzon. Weer mogen we niet afstappen maar we voelen dat we het einde van de rit naderen en in deze streek zullen verblijven. Vele inwoners van Vièrzon staan in het station en komen aan de ramen kleine stukjes worst verkopen, zo groot of eerder zo klein als mijn vinger, voor 20 centiem per stuk. Maar ze doen toch goeie zaken. Plots vertrekt de trein opnieuw en een kwartier later stopt hij in het dorpje Foëcy.

In Foëcy blijft de trein zeer lang stilstaan, er zijn veel kijklustigen in het kleine station om de passerende treinen te bekijken. Sommige inwoners geven ons veldbloemen en wij roepen: "Vive la France!" en zij roepen terug: "Vive la Belgique!"

Eindelijk vertrekt de trein opnieuw, wij hangen door de ramen en zien dat we een grote stad naderen. De trein rijdt een groot station binnen en stopt er. Het is het station van Bourges, de hoofdstad van het Cher-departement. Eindelijk, na dagen lang op de trein te zitten, mogen we voor de eerste maal afstappen. Wat een opluchting voor iedereen, we mogen het station verlaten, is dit onze eindbestemming?

Wanneer we het station verlaten moeten we familie per familie tussen twee touwen doorlopen. Aan weerszijden staan er duizenden nieuwsgierige ogen naar ons te kijken. Wij voelen ons net als vee dat verkocht wordt. Zo stappen we verder en worden we naar de tuin van een 'hospice' geleid. Het is een prachtige tuin, aan iedere zijde is er een overwelfde gang die volledig begroeid is met lindebloesem. Wij zetten ons neer op een bank en een familie uit Lier, een oudere heer, zijn zoon en dochter, zijn oude zuster en haar dienstmeid, komen bij ons zitten.

Daar krijgen we eindelijk eten opgediend in soldatengamellen, we krijgen eerst soep en daarna aardappelen met wortelen, en ik hoef niet te zeggen dat het ons verrukkelijk smaakt. Er wandelen vriendelijke gefortuneerde dames tussen de vluchtelingen zij delen bier uit en aan de kinderen geven ze taartjes, ook wij krijgen een lekker fruittaartje.

Na het eten komt een groep mannen de tuin binnen gewandeld, het is de Prefect met zijn gevolg. Daar wij er nog wat beter uitzien dan vele anderen, die heel somber kijken, worden wij, de familie uit Lier en nog een familie uit Oostende gevraagd de heren te volgen. Zij vragen ons of we willen werken. Papa en de andere heren zeggen dat zij willen werken maar dat zij geen arbeiders zijn en niet in een fabriek kunnen werken noch het land kunnen bewerken. Misschien zouden ze administratief werk kunnen doen in de porseleinfabriek van Limoges. De Prefect stelt ons voor om eerst enkele dagen op onze eigen kosten in een hotel in Bourges te verblijven, hij zal ondertussen voor ons onderdak zoeken in de omliggende omgeving.

Hij brengt ons naar een hotel pal naast het paleis van Jacques Cœur. In dit hotel heb ik een van de beste nachten van mijn leven gehad, ik heb er zo lekker geslapen na de uiputting van die lange reis. Vooreerst mag ik de voorvallen van deze nacht niet vergeten te vertellen. Mama wou een kast openen om er een valies in te steken, toen ze plotseling stond te roepen op papa. Wij liepen er allen vlug naartoe en zagen een kluchtig spektakel: mama stond daar met de kastdeur in haar handen! Wij lachten. Gelukkig kon papa de kast opnieuw herstellen en de deur op haar plaats hangen.

Het tweede voorval was wat later op de avond. Daar we moe waren wilden we vroeg gaan slapen en hadden we de elektriciteit nog niet uitgeschakeld. Plots hoorden we lachende stemmen aan het raam, alle ogen keken dadelijk in die richting en we zagen mensen staan kijken door het raam. Vliegensvlug verstopten we ons onder de dekens en achter de gordijnen. Hoe kon men nu op de eerste verdieping door het raam kijken? Er werd gevraagd wie de elektriciteit zou uit doen, ik zou het doen en onder luidruchtig gelach liep ik naar de schakelaar. Gelukkig was ik vliegensvlug en met een sprong zat ik terug in bed. Toen ze niets meer konden zien vertrokken onze nieuwsgierige toeschouwers. Zonder verdere zorgen vielen we allen al snel in een diepe slaap.

Na al deze voorvallen willen wij weten hoe die nieuwsgierigen bij ons raam gekomen zijn. Wel, Bourges is een oude stad vol smalle straatjes en langs zo een straat kan je een trap nemen die toebehoort aan het paleis van Jacques Cœur, en… deze trap passeerde aan ons venster, ideaal dus voor de gluurders, zo gaat dat.

Nu gaan we eerst de stad verkennen en gaan we wandelen in de oude stad. Ons eerste bezoek is de kathedraal, die waarachtig wondermooi is. We bekijken de prachtige gebrandschilderde ramen en hebben de tijd voor een gebedje voor de familie. We trekken verder de stad in. Het is heel amusant om te wandelen in de oude kleine straatjes, die nog met hout geplaveid zijn, uit de tijd van Charles VII. Met moeite horen we onze eigen gesmoorde voetstappen, net alsof we op een tapijt lopen. In dezelfde straat is er een schoenwinkel en aan de gevel hangen vervormende spiegels die heel grappig zijn om in te kijken. In de ene spiegel ben je lang, mager en lelijk, in de spiegel ernaast ben je klein, dik en rond net als een bloemkool. Ondanks al onze tegenslagen en miserie moeten we toch hard lachen om onze eigen grimassen.

Na drie dagen in de stad verbleven te hebben zoeken we de prefect op om te vragen of hij al een woonst voor ons gevonden heeft, want het leven in het hotel is zeer duur. De prefect zegt dat hij een groot huis gevonden heeft voor de drie families samen: de familie Van In, de familie Godyn en onze familie, allen samen 19 personen. Het huis is buiten de stad gelegen in een klein dorpje. We zijn verheugd en kijken ernaar uit want wij zijn gewoon van in een stad te wonen en dit zal nu eens heel wat anders zijn. Wij houden eraan alles te nemen zoals het komt, dit zal een korte vakantie op het platteland zijn en binnen een maand, denken we, zullen we kunnen terugkeren naar België.

Dezelfde avond nog vertrekken we met bestemming Foëcy-sur-Cher. We komen daar aan met de trein van 6 uur. Het hele dorp is van onze komst op de hoogte en zoals de prefect voorspeld heeft, staat het ganse dorp ons aan het station op te wachten. Het stationsplein ziet zwart van het volk. We voelen goed aan dat deze mensen niets afweten van de oorlog, want er zijn er die tegen ons zeggen dat het dom is te vluchten zonder je meubelen mee te nemen. Deze mensen kunnen zich nauwelijks voorstellen met wat voor een moeite wij ons leven hebben kunnen redden. Sommigen komen trekken aan onze mantels en roepen: "J'ai touché un Belge!"

Foëcy: het station met de perrons



Foëcy: het stationsplein met station



Foëcy: de straat van het station naar de kerk



Terwijl we daar staan tussen al die vreemde mensen horen we tromgeroffel. De menigte schuift uiteen en daar komt de burgemeester van het dorp, vergezeld van de veldwachter met zijn trommel. Het wordt stil en de burgemeester geeft een toespraak waarin hij ons welkom heet in zijn dorp. We mogen hen volgen naar onze nieuwe woonst. Het is als in een processie: de burgemeester, papa en de veldwachter voorop, wij de drie families volgen met achter ons alle inwoners van het dorp.

De avond valt en het wordt al donker, maar het is nog mooi weer en veel minder koud dan in België. Wij blijven volgen en gaan mee langs een lange straat. Op het einde van die straat moeten we de hoek om en zien we voor ons een donkere massa. Wanneer we dichterbij komen zien we dat het de kerk is. We zeggen tegen elkaar: "Ze gaan ons doen slapen in de kerk." Maar als we er aankomen, blijkt dat er aan de zijkant van de kerk een ijzeren hek is. De burgemeester opent het hek en we gaan allen binnen. Het is daar dat de burgemeester aan een grote deur aanbelt. Een krachtig trekken aan de bel doet binnen in de woonst een beiaard van klokjes rinkelen. Wij staan vol spanning te wachten… wie zal er open doen? We horen stappen aan de andere kant van de deur, dan wordt er een sleutel in het slot omgedraaid en plots gaat de deur open.

Tot onze verbazing is het een kloosterzuster die in de deuropening staat en ons ontvangt. Zij heeft een kleine 'lampe Pigeon' in haar hand en beschijnt ons. Zij begroet iedereen hartelijk met een 'goeie avond' en nodigt ons uit binnen te komen en haar te volgen. Wij die denken een huis binnen te gaan vergissen ons, blijkbaar zijn we in een tuin want we horen de wind in de bomen. Ineens zien we licht: rechts is een huis waarvan alle ramen en zelfs de traphal met elektriciteit verlicht zijn. Wij gaan er binnen en komen in een mooie eetzaal waar een grote tafel met 19 bestekken gedekt staat. De bagage wordt weggezet en iedereen mag aan tafel gaan zitten.

Uit de keuken komen twee zusters die ons dadelijk beginnen te bedienen. Eerst krijgen we koolsoep met veel brood, daarna aardappelen in persijn met gekookt vlees en als drank rode wijn à volonté. Daarna krijgen we nog een stukje geitenkaas en als dessert appelmoes. We hebben enorm lekker gegeten en we zijn hen allen heel dankbaar. De kloosterzuster zegt dat we het volledige huis en tuin te onzer beschikking hebben en dat wij van alles gebruik mogen maken. De zusters zelf wonen in een huis daar niet ver vandaan, waar zij ook nog zieke mensen verzorgen. Wij nemen afscheid van de burgemeester en de veldwachter die dadelijk vertrekken. De kloosterzusters wensen ons nog een goede nachtrust toe en we worden alleen gelaten.

Iedereen is moe en zoekt zo snel mogelijk zijn bed op. Ondanks de vermoeidheid kan ik niet onmiddellijk inslapen, daar mijn gedachten bij de vele belevenissen van de dag blijven hangen. Alles is zo nieuw voor mij, maar het zachte bed zorgt ervoor dat ik toch in slaap val.

Foëcy: de kerk met aan de rechterkant het huis waar de families verbleven



Deze morgen vroeg is iedereen al op de been. Onze nieuwe woonst moet verkend en ontdekt worden. Wij lopen naar de ramen en iedereen slaakt kreten van 'Oooh' en 'Ooooh' want wat een prachtige tuin krijgen we te zien. Die is echt verrukkelijk! De tuin staat vol fruitbomen, zoveel en zo verschillend als je maar kunt denken: perzikbomen, pruimenbomen, appelbomen, perenbomen, kersenbomen … en overal rond tegen de muren groeien druiven. Er staan ook verschillende grote bomen en in het midden van het grasveld staat een reusachtige dennenboom. In die bomen wonen duizenden zingende vogels die rondhuppelen op de takken. Er staat ook een grote plataan die zijn bladeren begint te verliezen, want de herfst is begonnen.
We gaan buiten om de tuin te verkennen. Hoewel het al oktober is, is het hier nog altijd even warm als tijdens de maand augustus in België. Vanachter in de tuin komen we bij een serre met tomaten en meloenen. Achter het huis is er een binnenplaats met kuipen vol warm water en alles wat we nodig hebben om ons te wassen. Daarnaast is er ook een grasveldje met twee kooien met daarin drie konijntjes. Ze zijn nog klein en heel lief.

Nu zien we het huis bij klaarlichte dag. Het is een mooi groot huis en we zijn daar heel goed gelogeerd. Terug binnen zien we dat het keukenvenster uitgeeft op straat en we goed de ingang van de kerk kunnen zien. Mijn slaapkamervenster geeft uit op een groot veld 'Le Tonkin' genoemd, daarlangs zie ik de treinen rijden.

Nu we het huis verkend hebben is het de beurt aan het dorp. Intussen zullen we onze boodschappen doen. Eerst bezoeken we de kerk en ontmoeten we meneer pastoor. Tijdens de dorpswandeling maken we kennis met verschillende vriendelijke inwoners. In het dorp zijn er twee mooie kastelen: een zeer oud kasteel dat bewoond wordt door madame Monnier. Deze dame is zeer gekend in het dorp o.a. door haar liefdadigheidswerken. In het andere kasteel woont Gravin de Prez, die een zuster is van madame Monnier.

De huizen in het dorp zijn eigenaardig gebouwd. Op het gelijkvloers zijn er maar twee of drie plaatsen en binnen is er geen trap om naar boven te gaan. Men moet naar buiten gaan en de ladder nemen die buiten aan de deur ligt om mee naar boven te klimmen. Het moet grappig zijn om te zien hoe iedereen hier 's avond naar boven klimt om te gaan slapen.

Foëcy: de hoofdstraat gezien van aan de kerk.



Het dorp is omgeven door water. Aan de ene kant van het dorp heb je een kanaal, het Canal du Berry. Aan het water zitten de vrouwen uit de streek op hun knieën het linnen te wassen. Zij doen niets anders dan het linnen verwringen en slaan erop met houten spaanders. Overal in de omtrek zijn er enorme wouden en moerassen. Er zijn ook veel slangen, sommige met mooie kleuren maar die zijn naar men zegt heel gevaarlijk.

Foëcy: de stationstraat zicht richting station.



Langs de andere kant van het dorp stroomt een prachtige brede rivier, de Cher. De rivier is bezaaid met kleine eilandjes en is aan weerszijden omzoomd door geweldig grote bomen. Ze vloeit recht door de bossen.

Foëcy: het kasteel van Madame Monnier.



Op zondagnamiddag komen de families van het dorp aan de oever van de rivier om zich hier te ontspannen. De papa's hengelen terwijl de mama's een boek lezen, kletsen of met de voeten in het water van wat verfrissing genieten. De kinderen organiseren spelletjes of zwemmen in de rivier. Er wordt ons gezegd dat we een brandstofvoorraad voor de winter moeten aanleggen. Met zijn allen gaan we naar het gemeentehuis om te vragen waar we kolen kunnen vinden.

Foëcy: het kasteel van gravin de Prez.



Foëcy: het gemeentehuis.



Van de gemeentesecretaris krijgen we als antwoord dat hij geen kolen als huisbrandstof kent en niet weet waar je dit kunt halen. We zullen moeten doen zoals iedereen daar doet: het bos intrekken en zelf hout zoeken. We besluiten met zijn allen, de drie families samen, om morgen hout te gaan halen. Wat een evenement! 's Morgens vroeg staan we al klaar met enkele kruiwagens en een stootkar. Omdat het nogal ver is hebben we voedsel voor een hele dag mee. In de mistige ochtendschemer vertrekken we naar het bos. Na een dag van hard labeur zijn onze voeten gewond van in de doornstruiken te struikelen en liggen onze handen open van de vele doornen. We hebben veel meer hout gesprokkeld dan we op onze kruiwagens en stootkar kunnen stapelen. Gelukkig is daar ook een inwoner van Foëcy, die we al kenden, hout aan het sprokkelen. Hij heeft een paard met kar en wij mogen de rest van ons hout daarop laden. De afspraak is dat hij een deel van ons hout mag houden en zo is iedereen tevreden. Voor we naar huis terug keren gaan we allen onze voeten weken en wassen in de Cher. Die avond hebben we geslapen als rozen.

Al vlug zijn we door het hele dorp gekend en worden we 'La Colonie Belge' genoemd. We krijgen veel bezoek: van meneer pastoor, van de gravin de Prez en van madame Monnier. We worden ook af en toe bij hen op het kasteel uitgenodigd.
Tijdens de week wandelen we dikwijls met school of met de religieuzen naar de oevers van de Cher. Tijdens de druivenoogst gaan wij mee met het hele dorp druiven gaan plukken. Ik bewaar daar heel mooie herinneringen aan.

Hier eindigt het eerste deel in het dagboek dat handelt over de eerste vlucht. De drie families zouden er nog verblijven tot eind 1916. De familie Van Mol keerde daarna terug naar Poperinge. De kinderen gingen in Foëcy naar school, de ouders werkten mee met de plaatselijke bevolking in de porseleinindustrie. Foëcy ligt op 24 km ten noordwesten van Bourges op 520 km van Poperinge. Het is nog steeds een klein dorpje, langs de ene kant ingesloten door het Canal de Berry en langs de andere kant door de Cher. Er stoppen geen treinen meer in het stationnetje. Het kasteel is nog steeds eigendom van de familie Monnier.In 1917 verbleef de familie in Poperinge waar het relatief veilig was. Doch bij het nieuwe Duitse voorjaarsoffensief van 1918 was iedereen in paniek en ook de Poperingse bevolking sloeg op de vlucht. Ook deze vlucht werd door Marie-Jeanne Van Mol in haar dagboek opgetekend.

Tweede dagboek: Tweede vlucht op 25 april 1918 vanuit Poperinge

Sinds enkele dagen wordt onze stad hevig gebombardeerd, hoewel het in ons kwartier nog steeds rustig is. Maar deze morgen (25 april) om 6 uur viel een eerste obus recht tegenover ons huis. Het hele huis daverde op zijn grondvesten en het ijzer vloog tegen de gevel, het was als een onophoudelijke mitraillette. We waren allemaal nog in bed toen het begon en iedereen was heel bang. Zouden de Duitsers ondanks de positieve berichten toch nog Poperinge veroveren?

Half gekleed, niet gewassen, zonder eten en zonder afscheid te kunnen nemen van onze buren, vertrekken we hals over kop uit Poperinge en marcheren we langs de weg naar het volgende dorp Proven. De weg ziet zwart van het volk, allemaal stappen ze in dezelfde richting. De obussen vallen rondom ons, één valt er recht in een kamp soldaten en we horen de arme gewonden huilen en schreeuwen. Andere obussen vallen recht in de velden, maken enorme trechters en gooien de aarde hoog in de lucht, die neervalt tot op onze voeten. Och, wat zijn we bang!

Plotseling, midden het tumult, bedenken we dat we niets meegenomen hebben uit ons huis en dat het huis niet gesloten is. Wanneer het bombardement enigszins vermindert, keren we op onze stappen terug naar huis, uitgenomen mama, grootvader en mijn zus die blijven wachten. Papa en ik keren terug naar huis waar sinds enkele dagen alle bagage al klaarstond, daar mijn ouders een vlucht voorzien hadden. Geladen als ezels keren wij terug en komen we aan in Sint-Jan ter Biezen. In een café bij brave mensen mogen wij twee dagen verblijven en terwijl papa zich bezig houdt met het in orde brengen van de papieren om te kunnen vertrekken naar Frankrijk, doen wij met mama de voorbereidingen om alle benodigdheden klaar te maken om mee te nemen op onze vlucht. Er wordt over niets anders meer gesproken dan over de oorlog en zijn ongemakken want dit is nu al de tweede maal dat we moeten vluchten.

(Voor de oorlog woonden wij in Oostende en de 14de oktober 1914 moesten wij al vluchten voor de overweldiger.)

De morgen van de 27ste april is de dag van ons vertrek, een afgrijselijke onvergetelijke dag, want we moeten iedereen verlaten die ons lief is alsook ons geliefde land België, waar we zo gelukkig waren. Deze morgen is intriestig. Met de krop in de keel en de tranen in de ogen vertrekken we. Niemand heeft honger. De lucht heeft de kleur van onze stemming: grauw en mistig. Het vertrek is hartverscheurend want niemand heeft nog de moed zijn tranen te bedwingen.

Het is een opluchting wanneer de kar ons komt ophalen. Terwijl de aprilse ochtendbries koud in ons gezicht blaast en het paard ons met vaste tred naar het station van Waaienburg brengt, vragen we ons af naar welk onbekend land we nu weer gebracht zullen worden. De zon verbergt zich achter de wolken en van tijd tot tijd zien wij nog een vriend of Poperingenaar waarmee we nog een laatste afscheidsgroet wisselen en hem of haar een goede reis toewensen met een teken van onze zakdoek.

In de velden is alles kalm en stil. Men hoort niets, uitgezonderd het zware gegrom van de kanonnen aan het front, die onze dappere soldaten wegmaaien. Zij die vechten voor ons geliefde vaderland dat jammer genoeg zo op de proef wordt gesteld.
Nu zitten we op de trein in Waaienburg, die stilletjes aanzet omwille van het overvolle perron. Nu en dan herkennen we in de massa een gezicht van kennissen. We zien dat de spoorweg ook al het bezoek gekregen heeft van die monsters van obussen, want hier en daar zien we grote kraters. En continu blijven we het monotone gedonder van het front horen.

Na een hele tijd rijden, komen we aan in het station van Duinkerke, waar de trein een uur blijft stilstaan. Niet een ruit in het station is nog intact en we zien enorm veel ruïnes. Wat een verschil met 1914. Tientallen vliegtuigen vliegen boven de versterkingen van de stad. Er zijn ook veel ballons captifs te zien. We rijden verder en moeten overstappen op een andere trein in Fontinettes bij Calais. In al het tumult zijn we ongelukkig genoeg twee pakken bagage verloren.

Gedurende het traject van Calais naar Boulogne komen we voorbij Pihen-lès-Guines, waar ik nog op internaat geweest was. Wanneer we de speelplaats voorbij rijden, zie ik moeder overste van het klooster en twee leraressen die nog aan mij les hebben gegeven. Ik ben zo blij hen te zien dat ik het raam open en naar hen wuif met mijn zakdoek. Zij wuiven terug. Zouden ze mij herkend hebben? We doorkruisen het dorp dat zoveel mooie herinneringen bij me oproept: de wegeltjes, de bossen, de velden, waar ik me zo geamuseerd heb met mijn vriendinnen tijdens de wandelingen naar het kleine kerkje, waar ik zo dikwijls gebeden heb voor mijn lieve ouders en waar ik zo vaak terugkeerde om de lof te zingen voor de Heer. Het klooster waar ik zo vaak heb gelachen, en ook gehuild tijdens de eerste dagen van mijn pensionaat.


Maar al die herinneringen verdwijnen plots weer want het landschap verdwijnt en we rijden door enorme steengroeven. We zien alleen nog de hemel en grote stenen blokken die dreigen op de trein te vallen en ons te verpletteren. Van daaruit begint de trein sneller te rijden tot in Boulogne, waar we opnieuw lange tijd stilstaan.

Er is veel volk in het station, waaronder veel Engelse en Amerikaanse soldaten. De Engelse verpleegsters verdelen chocolademelk onder de vluchtelingen. Die is niet gesuikerd, want het is gemaakt tijdens de suikercrisis. Maar dat laten we niet aan ons hart komen, het is toch lekker en we hebben grote dorst. Een fluitsignaal weerklinkt en de trein zet zich terug in beweging, rechtstreeks naar Rouen.

De nacht in de trein verloopt langzaam. Hoewel iedereen vermoeid is, is er niemand die kan slapen. Gedurende het traject passeren we veel tunnels, want we horen steeds een vreemd geluid, als de trein er doorheen rijdt en je kunt heel goed de bakstenen zien die weerkaatsen in het wagonlicht. Het is 4 uur in de morgen en de trein stopt in een station. Ik kan niet zien waar we zijn. Het is er nog bitter koud en men heeft ons gezegd dat we slechts tien minuten hebben om over te stappen. We haasten ons maar er is geen trein te zien, we moeten wachten. Terwijl we wachten duikt een zwakke zilverkleurige lichtstraal op in de verte aan de horizon, alsof zij de hemel met de aarde verbindt. Dan verschijnt de prachtige zon die met haar lichtstralen de ontluikende natuur streelt. We hebben grote honger en niets om te eten, maar de dageraad brengt wat vreugde in mijn hart.

We wachten tot 9u.30 op de andere trein. We zijn blij dat we met zijn allen kunnen opstappen. Ik open het raam om beter de dauwdruppeltjes te kunnen zien die op elk grassprietje glinsteren als kostbare edelstenen. De koude ochtendbries komt in vlagen binnen in het compartiment gewaaid. Ik vrees dat papa me gaat verplichten het raam terug dicht te doen, maar neen, de koelte doet ons deugd na een slapeloze nacht.

We zijn ondertussen in Normandië. Elke appelboom is in het wit getooid wat het landschap een bijzonder aanzicht geef. Rond 11u. in de morgen komen we aan in Rouen. Er hangt een vreemde geur in de straten, want deze stad is pas gedesinfecteerd omwille van de zwarte plaag.

We worden heel goed ontvangen. De Amerikanen hebben grote barakken opgericht, een soort houten hotels, en zij geven gratis eten aan de vluchtelingen. Terwijl we de barak binnen gaan, horen we mensen roepen op ons. Het zijn nog Poperingenaars die daar ook komen eten. We worden bediend door Franse verpleegsters en zusters van het hospitaal. We krijgen er vlees, aardappelen met wortelen, en wijn om te drinken. Dit alles wordt besloten met een lekkere koffie.

Nadat we de officieren hebben bedankt die ons veel geluk toewensen, keren we terug naar het station. Daar vragen ze ons of we kosteloos meewillen tot aan de Spaanse grens, ofwel of we verkiezen om op eigen kosten verder te reizen vanuit een ander station. We verkiezen het laatste.

Het is een zondag en de klokken luidden vrolijk boven Rouen. Iedereen draagt zijn mooiste kleren, in alle mogelijke prachtige kleuren. Daar we de weg naar het andere station niet kennen en we gehoord hebben dat het nogal ver is, weten we niet goed wat te doen. Een andere Belg, die al sinds het begin van de oorlog in Rouen verblijft, zegt ons dat er een elektrische tram rijdt naar het andere station. Nadat hij ons alles vriendelijk heeft uitgelegd, vraagt hij een meereizende dame ons te zeggen waar en wanneer we moeten afstappen.

Simonne (links) en Marie-Jeanne Van Mol na de Eerste Wereldoorlog (© Copyright Heemkring Aan de Schreve)



Eindelijk komen we aan in het station. Daar staat heel veel volk te wachten op de trein. Hoewel we zo ver van ons geliefde vaderland zijn, slagen de Duitse piraten er toch nog in om met hun vliegtuigbommen de rust te komen verstoren in deze antieke stad. Wij hebben nog de tijd om vanuit deze stad kaarten te schrijven naar onze familie om hen te zeggen dat we al zover geraakt waren. Plots heel wat geroezemoes, wij gaan kijken, het is een groep Duitse gevangenen (des boches) die mee moeten met onze trein. De ganse verdere weg moeten we samen met hen verder reizen. Dan zijn we op de trein gestapt en tot onze tevredenheid gaan we nu met volle snelheid vooruit.

De meest pittoreske landschappen gaan nu aan ons voorbij: de grote Normandische heuvels, gevolgd door de mooie valleien, bezaaid met mooie witte boeketten van de bloeiende appelbomen, dan de lieflijke dorpjes met hun kerktorens die als pijlen uitsteken uit de bergen.

We dwarsen drie keer de Seine over door soldaten bewaakte ijzeren bruggen. De trein vertraagt en we komen bij een eindeloze watervlakte. Hier en daar vaart een klein bootje op het water. Het is al middernacht wanneer we in een stadje aankomen, waar we terug op een andere trein moeten overstappen. Iedereen moet afstappen en in het midden van de drukke menigte wanen we ons in een bijenkorf.

Simonne (l) en Marie-Jeanne na de oorlog (© Copyright Heemkring Aan de Schreve)



Er zijn twee uitgangen en in de drukte en het geharrewar hebben we grootvader uit het zicht verloren. Mama, uitgeput en in tranen, gaat samen met papa naar hem op zoek. Tante Alice, onze vrienden en ik zijn heel bezorgd maar kunnen ons niet verroeren omwille van onze bagage. Alles loopt gelukkig goed af, grootvader vindt zijn weg terug en we zijn allen terug samen.

De trein vertrekt en er is geen plaats meer, zodat we in de eerste klasse gaan zitten tot in Caen. In het station van Caen hebben we de rest van de nacht doorgebracht op onze bagage. Hoewel ik ongemakkelijk op de grond lig, val ik toch in slaap. Eigenaardig, bij het ontwaken denk ik dat ik nog in Poperinge ben. Papa heeft de hele nacht rechtge-staan, want er was nergens nog plaats om te liggen.

Deze morgen hebben we het zo koud dat mama met mij en mijn kleine zus naar het stationsbuffet gaat om een warme tas koffie te drinken. We zijn nog maar net gezeten of de trein zette zich in beweging en we denken dat hij gaat vertrekken. We lopen dadelijk terug en we kunnen nog net op de trein springen. We rijden verder en de trein stopt in Folligny waar we de hele namiddag moeten wachten. We stappen uit en gaan eten in een plaatselijk hotel. Om 4 uur vertrekken we terug en rijden naar Dol. Wanneer we in Dol aankomen, moeten we alweer van trein veranderen. Deze keer gaat alles goed. We hebben dadelijk de trein naar St.Servan waar we naartoe willen.

Marie-Jeanne Van Mol als prille twintiger (© Copyright Heemkring Aan de Schreve)



Het landschap wordt steeds mooier, want we komen in Bretagne dat een bewonderenswaardig landschap heeft. De trein waarop we zitten, is totaal anders dan de vorige. Hij loopt zo zacht dat we niet voelen dat we op een trein zitten. Eindelijk komen we aan onder de glazen koepel van het station St.Servan en St.Malo. Daar deze steden zo dicht bij elkaar liggen is er maar één station voor deze twee steden. Hier moeten we afstappen en hebben we onze eindbestemming bereikt. We stappen uit en ruiken de zeelucht. Het doet me dadelijk denken aan Oostende en de jaren voor de oorlog uitbrak.

Hier eindigt het tweede dagboek van de tweede vlucht. De familie zou tot op het einde van de oorlog in een burgerhuis verblijven in St.Servan. Mijn grootouders zijn na de Tweede Wereldoorlog nog op bezoek geweest naar de verblijfplaatsen, waar ze gedurende de Eerste Wereldoorlog gevlucht waren. Na de Eerste Wereldoorlog kwam de familie in de Vlamingstraat te Poperinge wonen.

Marie-Jeanne en Simonne Van Mol, vader Leopold Van Mol en moeder Rachel Melis. Links Albert Cossey, echtgenoot van Marie-Jeanne. Foto ca. 1923 (©Copyright Heemkring Aan de Schreve)