“t Is hier wel de westhoek”: een explosieve erfenis van de Eerste Wereldoorlog
21 maart 2014 - Ieper - Bron: Jan Decorte
In Ieper kwamen op woensdag 19/03/2014 twee arbeiders om het leven bij de ontploffing van een obus uit de Eerste Wereldoorlog. Een bijzonder tragisch ongeval dat pijnlijk illustreert dat oorlogsmunitie gevaarlijk blijft, zelfs na honderd jaar.
 
Het is algemeen bekend dat tussen 1914 en 1918 een hevige oorlog woedde in Europa en dat deze voor een deel in de Westhoek werd uitgevochten. Vier jaar lang bestookten de oorlogvoerenden elkaar vanuit hun ingegraven posities. Werkelijk alles werd in de strijd gegooid om de tegenstrever te doden of te verwonden, waaronder miljarden bommen in alle maten en gewichten en diverse soorten gifgas, zoals chloor, fosgeen en mosterdgas.

Na afloop van de lange oorlog waren grote delen van de Westhoek herschapen in een maanlandschap. Ooggetuigen beweerden dat ze zich niet konden voorstellen dat hier de eerstkomende honderd jaar nog iemand zou wonen. Maar ze vergisten zich schromelijk. Vrij snel werd begonnen met een intensieve schoonmaak van de frontterreinen, waarbij duizenden werkkrachten werden ingezet. Ook de teruggekeerde bewoners probeerden hun leven terug op te nemen. Ze bouwden een nieuwe woning en trachtten om hun oude akkerlanden opnieuw vruchtbaar te maken. Al bij al is het resultaat best indrukwekkend: in 2014 is de Westhoek één van de mooiste streken van Vlaanderen, met glooiende velden en idyllische boerderijtjes. Behalve de begraafplaatsen en de monumenten is er weinig dat nog herinnert aan deze vreselijke oorlog.
 
Maar schijn bedriegt. Vandaag blijkt immers dat de schoonmaakactie niet altijd even grondig gebeurde. Op vele plaatsen werd alle “oorlogsrommel” gewoon in de bomkraters en loopgraven geschoven, voorzien van een vers laagje zwarte teelaarde en klaar is kees. Dit werd op verschillende plaatsen aangetoond bij archeologische opgravingen: op terreinen waarvan werd verondersteld dat ze geruimd waren, bleek dat er op enkele tientallen centimeters onder de graszoden een volledig intact bewaard frontlandschap bewaard was, inclusief houten loopgraven, soldatenverblijven en niet-geborgen lichamen van gesneuvelden. Maar ook inclusief grote hoeveelheden munitie.
 
Op zich is dat geen nieuws. Dagelijks worden bommen boven geploegd of aangetroffen bij bouwwerken. Dan wordt er eens gezucht, de bommen worden opzij gelegd en als de hoop groot genoeg is wordt de politie gebeld. Deze verwittigt DOVO, die dan de munitie komt ophalen. Op die manier wordt jaarlijks meer dan honderd ton munitie verzameld in de Westhoek. Dat hoeft niet te verwonderen: naar schatting 20 tot 30% van de afgeschoten projectielen is niet ontploft en zit nog in de bodem. In de Westhoek is men vertrouwd met deze manier van werken: de streekbewoners hebben leren leven met de latente aanwezigheid van gevaarlijke munitie onder hun voeten. “’t Is hier wel de Westhoek” is de meest gehoorde verzuchting op de vraag of dat niet wat gevaarlijk is, al die bommen. En de boer, hij ploegde voort.
 
Maar is dat nu gevaarlijk, al die munitie? Natuurlijk! Bommen zijn explosieven die gemaakt werden om te doden en zijn bovendien samengesteld uit metaallegeringen die niet geproduceerd werden om honderd jaar in een vochtige bodem te liggen. Het ontploffingsgevaar is weliswaar beperkt als ze niet geraakt of gemanipuleerd worden: het jarenlange verblijf in de grond heeft gezorgd voor een laag roest die wel tegen een stootje kan.
De richtlijn “een bom niet raken” is echter gemakkelijker gezegd dan gedaan. Een aannemer die een fundering graaft voor een huis of een paal in de grond heit, een boer die een sleufsilo aanlegt of een archeoloog die een proefsleuf graaft : allen kunnen zij ongewild op een bom stoten – wat overigens vaak gebeurt. Als dat met een kleine schop gebeurt valt de impact best mee, maar wanneer het projectiel geraakt wordt door een zware machine kunnen de gevolgen groot zijn. Ook de richtlijn “niet manipuleren” is niet waterdicht. Je mag er niet aan denken wat de gevolgen kunnen zijn als een kind bij het graven van een putje in de tuin op een handgranaat botst en hiermee gaat spelen.
 
Elk weldenkend mens beaamt dat er maar één oplossing is: als er sprake is van vervuiling met munitie moet deze verwijderd en onschadelijk gemaakt worden. Het is onaanvaardbaar dat woonwijken worden gebouwd op terreinen waarvan geweten is of zijn minst een vermoeden bestaat dat er munitie in de bodem zit. In die zin kunnen archeologen en historici een aanzet geven, omdat wij over de kennis beschikken welke terreinen intensief gebombardeerd werden. Alleen, als puntje bij paaltje komt zal dit finaal betekenen dat het grootste deel van het front wordt aangeduid.
Kern van het probleem is echter dat er in België geen detectie- of saneringsplicht is voor munitie, in tegenstelling tot bijvoorbeeld Nederland. Als een bouwheer of ontwikkelaar op eigen initiatief beslist om zijn gronden te laten scannen op de aanwezigheid van munitie, dan is de volledige factuur hiervan voor zijn rekening. De verkoopprijs van zijn grond zal aanzienlijk duurder zijn dan die van zijn buur, die geen detectie liet uitvoeren. Als een lokaal bestuur zou beslissen om een munitiedetectie voor zijn grondgebied te verplichten, dan zal het gevolg zijn dat de grondprijzen in die gemeente exponentieel zullen stijgen en de kandidaat-kopers uitwijken naar terreinen buiten het front. En hierdoor gebeurt er…niets. Elke dag worden vergunningen afgeleverd en bouwprojecten gestart op terreinen waarvan is geweten dat er bommen in de grond zitten, zonder dat er ook maar enige maatregel wordt genomen.

Hoeveel tragische ongevallen zoals vorige week zijn er nog nodig om actie te ondernemen?
 
 
Sam De Decker is erfgoedconsulent archeologie bij het Agentschap Onroerend Erfgoed van de Vlaamse overheid. Dit opiniestuk werd geschreven ter persoonlijke titel.